Koffie anyone?

Afgelopen weekend ontplofte de sociale media, afdeling koffie, vanwege de beroemd beruchte AD Koffietest. Sowieso da bomb dat Rotterdam, de stad die ik in mijn vorige blog al bejubelde, op de 1e plaats eindigde (Man met Bril) en Kek de Koffiebar uit Delft op een prima 4e plaats.

De koffietest zelf ga ik hier niet bespreken; alle foodie- en horecablogs hebben hier toch al over geschreven. Maar om koffie in mijn blog te schrijven vond ik wel geinig. Vooral omdat ik er een paar dingen mee verbind, namelijk ochtendhumeur (heb ik zelf niet, een paar vrienden wel), chocola (heb ik nu niet in huis dus chagrijnig), koffieautomaten, koffie en slaap (en het causale verband ertussen, dat ik zometeen hard onderuit ga schoffelen).

Om te beginnen is koffie onderdeel van mijn ochtendritueel. Níet om een ochtendhumeur weg te poetsen. Simpelweg omdat ik die dus niet heb. Sterker nog, bij mij werkt het precies andersom: als ik te lang slaap of uitslaap, dan kan ik de rest van de dag best cranky zijn. Een soort zelf aangeleerd Calvinistisch dingetje vermoed ik. Dat ik het gevoel heb mijn dag vergald te hebben door een te lange omrolsessie in m’n mandje. Zoiets. Mensen die wél een ochtendhumeur hebben vind ik grappig (sorry). Ten minste, inmiddels wel. Vroegâh vond ik ze superraar en aanstellerig. Totdat ik ergens las dat ochtendhumeur een soort aandoening is (een te laag cortisolniveau om s’ochtends met een brede grijns de dag te kunnen beginnen). Dus tegenwoordig laat ik elke “hmpf”-persoon met rust totdat hij/zij aan het koffie-infuus is.

Anyway. Ik drink mijn morningcoffee als ritueel, als drug naturel. Die geur alleen al is goddelijk (denk aan Douwe Egberts die daar een heel knappe commercial van heeft gebakken: “de geur van het Acht uur Journaal”) en dan het geslurp van dat heetkruidig vloeibare spul op de nuchtere ochtendmaag. Njam en goedemorgen.

Ik ben niet echt een koffienerd maar ik categoriseer mezelf wel in het hokje ‘koffiedrinker met ballen’. Ik drink m’n bak pleur namelijk zwart en begrijp daarom geen moer van mensen die melk en suiker met, want dat ís het, dat zwarte vloeibare goud mixen. Koffie zwart is de enige manier om de pure bonenblends te kunnen proeven. In datzelfde straatje begrijp ik cappuccino niet (incl. de drinkers ervan). Of je drinkt melk óf je drinkt koffie. Basta. Ok, de enige gruwelijke uitzondering voor cappuccino maak ik op kantoor.

Ik vertel elke kantoorklerk niets nieuws als ik zeg dat kantoorcappuccino beter is dan het rioolwater dat voor automaatkoffie door moet gaan. Een gotspe is het, een Darth Vader in disguise (ja mensen, ik ben ook aan het aftellen naar The Force Awakens). En omdat automaatkoffie zo intens smerig is, kost een kantoordagje duur. Want je móet dan wel aan de betaalde koffie bij de receptie of bedrijfskantine.

Tegenwoordig heeft (bijna) elke zichzelf respecterende organisatie in een beetje glimmend koffieapparaat geïnvesteerd. Helemaal prima natuurlijk. Maar daarmee ontstaat onbedoeld sociale ongelijkheid. Het plebs moet het namelijk doen met die lelijke gratis automatenbagger en de luxepopjes en gasten met de leasebakken slurpen net-geen-barista-koffie-maar-wel-beter-dan-de-eerste-verdiepingkoffie, voor 2 euro per getapte beker(!).

Ook altijd grappig hoe op gegeven moment de kantoorstagiaire uit vette ellende met de pet rond gaat. Ah, de zoveelste reddingsactie met een George Clooney-unit als inzet. De Nespresso-machine als goedkoper alternatief voor de patserkoffie van beneden. En 1000x beter dan de automaat die we het liefst meteen als heidag-teamuitje het raam uit willen dwergwerpen.

Dan die andere koffiemythe. Namelijk geen koffie voordat je gaat slapen want cafeïne. Nou, ik ben dus naast nul ochtendhumeur gezegend met het makkelijke slaper-gen. Ik slaap echt óveral en altijd. In een stoel als het moet. En op straat. Waar gebeurd: In mijn studententijd belandde ik na een nachtje sociëteit op de Groningse Vismarkt en werd ik wakker tussen fluitende bouwvakkers. I kid u not. Dus koffie voor het slapen gaan, lekker hoor!

Ook grappig, ik ‘keur’ mensen onbewust naar koffiegedrag. Dus als ik een stoere dude of chick koffie met heul veul melk zie wegtijgeren, dan denk ik: toch jammer. Flauw hè?! Tsja, dát is gewoon de kracht van koffie. Het goedje dat bijna geen merk nodig heeft om zichzelf solide in de markt te zetten. Ik bedoel, als ik in staat ben om een monkeyblog vol te ouwehoeren over koffie, dan ben je een baas toch? Maar echt!

Ps: Al eens kopi tubruk geprobeerd? Dat is een flinke schep filterkoffie in een glas, kokend water erop, even wachten en klaar is je kroepoekkoffie! Enne, deze koffie, is net zoals kopi luwak, niet voor watjes. So you know.

Damsko vs Roffa: The Battle

Als oud-Amstelvener én voormalig Leidsepleinbewoner is het eigenlijk een godswonder. Een wonder dat ik überhaupt naar Zuid-Holland ben afgezakt (Delft). Maar vooral dat ik sinds een klein jaar openlijk de liefde heb verklaard aan Rotterdam.

Tien jaar geleden vond ik de bonkige havenstad tochtig en grauw, nooit matchend met mijn outfit. Het shopgebied tussen de Coolsingel en de Meent: een foeilelijke betonnen pukkel. De Kubuswoningen; tja ook lelijk. En over lelijk gesproken; Rotterdamse corpsgasten zijn bot én lelijk tegelijk (theorietje overgehouden aan mijn studententijd). Oh, en waren er ook kroegen dan in Rotterdam? Waar precies? Om vervolgens gewapend met een massieve The North Facelandkaart kilometers af te leggen van het ene ‘eindelijk gevonden tentje’ naar de andere.

Nee dan Damsko. Daar is álles charmant geordend in grofweg de Pijp, Jordaan, Nieuwmarkt en Plantagebuurt. Overzichtelijke districten volgepakt met de beste koffietoko’s, geheime cocktailbars, dansbarretjes en coole fashiondeli’s. En dan zijn daar nog de prachtige grachten en de glinsterende Amstel. De vloeibare boulevards waar je posh met je sloepje vol succesvolle randstedelijke vrienden kunt varenshinen.

NulTwintig, de stad waar je met je noncha matzwarte Veloretti-fiets en Ace&Tate sunnies op, het volste recht hebt om alle irritante toeries snoeihard van de tramrails te rijden. Muhaha. Om daarna samen met je bff chill de Noordermarktboodschapjes in de fietskratten te stapelen, de flessen rosé bovenop.

De weekenden spendeer je beurtelings bij Hanna’s Boom en Double Tree Rooftop Skybar. Want je moet je ingewikkeld drukke week natuurlijk wel inluiden met bellen Bobby’s gin en biologisch fingerfood. Amsterdam life. Ik kan het uittekenen want heb het zelf ook geleefd en beleefd. En mijn citycrush voor Damsko zal ook altijd blijven.

Maar daar was opeens die brutale opdonder 010. Subtiel in mijn leven gekropen dankzij lieve vriendinnetjes (en nichtje) die daar wonen. En mij vervolgens op sjouw namen door die rare betonnen vesting. Rotterdam, de stad die in korte tijd de hipster citylijstjes bestormde met De Rotterdam en Markthal als gloednieuwe landmarks. Het Rotterdamt dat de Kinfolks van deze wereld wist te imponeren met vernieuwende resto-concepten en on spot cocktailbars.

Rotterdam, de brutale aap met een enorme bouwdrive en een niet aflatende creatieve, poppin’ drang voorwaards. Met bijvoorbeeld het indrukwekkende centraal station als resultaat. Zo indrukwekkend dat voor elke toerist nu het credo geldt: “wie geen selfie heeft met de belachelijk fotogenieke stationsgevel op de achtergrond, is níet in Nederland geweest.” Amen to that.

Het duurde even maar dan heb je ook wat. Want opeens landde het, dat Rotterdam. Wat ik eerst kil en grauw vond, voelt nu hip Berlijn-ish aan. Wat ik eerst zo tochtig en hoekig vond aan 010-bouwsels, vind ik nu cool, architectonisch vet en imponerend. En wat ik altijd al tof vond aan Rotterdammers (nuchter, open en creatief), voel ik opnieuw aan de vibe met nieuwe mensen die ik hier ontmoet. De creatieve energie, het gevoel dat hier nog zoveel kan.

Dat is ook 1 van de redenen waarom ik mijn websitefoto en bedrijfslogo bewust heb laten maken door respectievelijk een Rotterdamse fotografe en Rotterdamse designer. Het resultaat is, as you all know, verpletterend.

Nee, vergeleken hiermee is Damsko inmiddels een soort van superverzadigde fat duck. Al het moois&lekkers, hip&happening is er, maar wel ramped to the roof. Ach Damsko, de hoofdstadknappie waar ik nog steeds een crush op heb. Knap maar wel chubby en vol. Burp*. Vol met lieve vrienden en familie. Waardoor ik altijd ungoing reden heb om in Damsko te willen zijn. En als oud-Amstelvener ook gewoon aan mijn stand verplicht. Amsterdam nooit uit m’n hart for sure.

Maar Roffa is als een brutale aap op mijn schouder gesprongen. Een apenkop in de groei, net als ik met Het Aapje. De sparkle, de dingen die ik allemaal wil bereiken met Het Aapje. De grote stap voorwaarts. De belachelijk royale bak aan creativiteit. De ruimte. Dát is het Rotterdam waar ik in wil duiken en in ronddobberen. 2016 als Het Jaar van Het Aapje in Rotterdam. Klinkt fantastisch, ja toch niet dan?

PS: Oh ja 1 ding waar ik als verwende 020-flaneerchick niet aan kan wennen hiero in 010: níemand let op je! Roffa guys, kijk ’s om je heen joh!

Het Aapje Draait Door

Woah. De Wereld Draait Door bestaat 10 jaar. Tien jaar televisie-opvoeding van het rappe soort. Snappy nieuwshapjes en interviews. Het geflirt van Van Nieuwkerk met zijn (tafel)gasten. Onze anchorman die met Nederlandse A-klasse volzinnen telkens raak schiet. Cupidopijlen als talige voltreffer.

DWDD, het programma waar pukkelige provinciale bandjes in 60 seconden gitaren en antieke Hammonds stukrammen. En daarna beroemd worden omdat ze de beste 60 seconden van hun leven hebben gegeven. DWDD, de televisiedorpspomp waar iedereen omheen wil staan. Zo. Tot zover de ode.

In de Volkskrant van afgelopen weekend stond namelijk een vrij intens artikel over dit übersuccesvolle tv-programma. Over Dieuwke Wynia, de ladyboss hoofdredacteur. Ze wordt neergezet als snoeiharde dictator die er op los sweept. Met sidderende redactieslaafjes die als robots het strakke programmaformat steeds opnieuw uitvinden, vullen, en afwerken. Elke dag weer, al tien jaar lang. Dus nasty bitchen helpt blijkbaar. Net als in Noord-Korea. Nope. Is inderdaad geen compliment.

Maar goed. DWDD spekt de kas. Niet alleen van Matthijs en La Wynia zelf, ook die van de Publieke Omroep. De kijkcijfercontainer puilt uit van de duizelingwekkende DWDD-pieken. Zelfs toen het programma van net en tijdstip verschoof. Het is duidelijk. DWDD is een vette stayer. Met La Wynia die achter de schermen haar redactie naar het dagelijkse tv-hoogtepunt brult en tiert.

Maar de vraag is: wat is de houdbaarheidsdatum van dit type leiderschap? Want daar heb ik het over. Veel leiders delen hetzelfde DNA-profiel: grillig, driftig, geniaal, slim. Een killercocktail is het. Exclusief geconsumeerd door leaders of the world. Driftkop Steve Jobs was er eentje van. Madonna is geen wereldleider maar wel hoofd van een miljoenenimperium. Met 100 procent divagedrag. In dat rijtje past ook La Wynia. En ja allemaal succesvol dus. Maar wat nou als ik Martin Luther King, Ghandi en moeder Teresa even plug hier? Ook geslaagde grootheden, maar met het verschil dat zij patent hadden op een empathisch gouden randje. Het kan hoor. Liefdevol Leidinggeven zonder dat het wee wordt.

Het Apple-imperium is inderdaad niet gebouwd op zoetsappig leiderschap. Elke dag een aai en kusje op de hoodies van de werknerds daar was ook raar geweest. Denk ik. Maar Luther King, Teresa en Ghandi waren naast liefdevol ook gewoon stoere leiders met guts en glory. Het kan hoor. Op z’n minst vind ik dat elke leider het woord vertrouwen in zijn of haar Rolex én geweten zou moeten tatoeëren. Ik vind het krachtig als een leidinggevende richting geeft (conform de doelstelling van de afdeling of organisatie). Maar vooral dat The Boss daarnaast het vertrouwen heeft dat jij dé dude of dudette bent die het klusje klaart. Voor de volle 100%. Dan hoef je niet als IJzeren Henkie over je gevolg te walsen, uit angst dat ze uit de pas lopen.

Wynia zit 24/7 op haar redactie omdat ze haar roedel niet vertrouwt. Continue op de uitkijkpost met een ijzeren haak verstopt in haar mantelpakje. Klaar om de rugbytackle uit te delen. Lijkt me doodvermoeiend. Bovendien vind ik die constante controle op personeel een directe belediging op hun kundigheid. Laat ze lekker hun ding doen. Eigenlijk is het ronduit genânt als leidinggevenden stampvoetend een poging doen om als Kapitein Haak en Catwoman hun medewerkers te imponeren. Ga eens weg joh met je hysterie.

Beter bijt een baas de maandagspits af met een bevlogen hartstochtelijke storytellingachtige anekdote. Met een vette vleug vertrouwen. Zo’n verhaal waar elke werknemer spontaan een Pinterest-inspiratietegel van bakt. Iedereen weer begeisterd en zin om aan de slag te gaan. Zo verdien je als leidinggevende ook ontzag, sympathie en bewondering van medewerkers.

Leiderschap met stijl, swag en flair. En met veel vertrouwen. Het is geen utopie. Het vergt lef. Maja, zelfs de beste leiders hebben dit soms gewoon niet. Tuurlijk, de ideale leider bestaat niet. Maar empatisch leiderschap wél. Ik haat die cheesy tegeltjeswijsheden eigenlijk. Maar Treat others like you want to be treated yourself  zou Wynia sieren. En al die andere koekenbakkers die in hun ivoren skybox meedogenloos zitten te delegeren. Kunnen ze binnenkort hun Kapitein Haak en Catwomanpakjes ten minste aantrekken waarvoor ze bedoeld zijn: Halloween.

Lang leve de kenniseconomie

Het is alweer een jaar geleden dat ik afscheid nam van de Delftse lokale politiek. Ik deelde samen met mijn CDA-fractiegenote de portefeuille kenniseconomie. Een relevant thema voor Delft kennisstad. Met de Technische Universiteit en Yes!Delft als paradepaardjes en motor van de kenniseconomie. Een economie waarmee wordt bedoeld dat een significant deel van de economische groei voortkomt uit (technische) kennis.

Het is een onderwerp dat regelmatig op zowel de landelijke als de lokale politiek debatagenda staat. Vaak gepaard met kritische geluiden dat het beter moet met de kenniseconomie in de Lage Landen. Voormalig voorzitter van de Sociaal Economische Raad (SER), Alexander Rinnooy Kan was zo’n hartstochtelijk pleitbezorger van de kenniseconomie. Hij fulmineerde vier jaar geleden nog in het tijdschrift Maarten! tegen de deplorabele staat van de kenniseconomie in NL. Te weinig door de overheid gedreven en te luie studenten die de ambitie missen om Nederland als volwassen kennisland in de top 3 wereldranking te kunnen positioneren. Superstudenten en overheidsimpuls als de norm.

Binnen de Delftse fractie staat de kenniseconomie ook permanent op de agenda. Interessant waren onze metadiscussies over dit onderwerp. Kenniseconomie, ja prima, maar wát zijn nou precies kenniswerkers? En waarom zijn afgestudeerde studenten en expats eigenlijk altijd de maatstaf? Als fractie waren we het niet altijd met elkaar eens, want dit onderwerp leent zich makkelijk voor oeverloze semantische discussies.

Onze fractiestellingname was uiteindelijk als volgt: wanneer je het hebt over kenniswerkers, dan heb je het over mensen in het algemeen. Mensen die met bepaalde vaardigheden, kennis&kunde, ongeacht opleidingsniveau, een bijdrage leveren aan de plaatselijke economie. Dus een tegelzetter is een kenniswerker, net zoals een jurist. De schoonmaker is ook een hardwerkende kenniswerker evenals de trauma-arts op de spoedeisende hulp. Allemaal dragen zij (dus wij ook) bij aan de kenniseconomie. Want door te werken, houden we de economie draaiende (verdienen geld, geven uit en leveren in aan de staatskas).

Een heel ander geluid dan wat volgens de economische maatstaf wordt gezien als kenniswerkers, het werkgebied en wat ze concreet voortbrengen. Dan moet je denken aan bètastudenten, techniek en innovatie. Die innovatie komt vooral van technische start ups. En start ups worden weer omarmd door hongerige beursgenoteerde bedrijven die wel een innovatieve impuls kunnen gebruiken. Goed voor hun dienstverlening en imago want die krijgen een forse innovatie-injectie (maar eigenlijk gewoon omdat de markt ze dwingt dat te doen). En zo stuwt de economie zichzelf weer voort op de output van start ups en kenniswerkers.

Ik was als fractielid vooral aanhanger van tweesporenbeleid. Niet alleen als het gaat over de term kenniswerkers maar ook over de invulling van het kenniseconomische totaalplaatje. Aan de ene kant vond/vind ik dat je als gemeente vol op het orgel moet. Door kenniswerkers en aspirant-kenniswerkers goed te faciliteren. Zoals het bieden van een aantrekkelijk woningaanbod met een infrastructurele actieradius dat op orde is: supermarkt, scholen, voetbalveld en huisartsenpost in dezelfde buurt. Zie het als een mooi visitekaartje.

Want als je als gemeente bereid bent jezelf mooi en aantrekkelijk te maken, dan haal je expats binnen die graag voor je willen werken. En komen die studenten hier, die graag kostbare kennis willen consumeren.

Uiteindelijk krijg je de gewenste kenniswerkers die gevoed, uitgeslapen en monter aan hun (ontwerp)bureau verschijnen. En die vervolgens de meest excellente output leveren in de vorm van producten en diensten. Heeft iedereen profijt van. De gemeente incluis. Klinkt utopisch maar zo loopt de denkrichting van een lokale bestuurder wel.

Aan de andere kant ben ik het eens met de fractiestelling dat íedereen met enige opleiding en dito baan een kenniswerker is. Zie ons fractiestandpunt hierboven. Immers, met die kennis lever je een dienst, word je betaald, geef je uit, etc. Hoezo ben je alleen van waarde voor de (lokale) economie als je een ingenieur, of biotechnicus bent?

Het fractiestandpunt van mijn partij is duidelijk beredeneerd vanuit een intermenselijke visie. Je bent een burger met gezond verstand. Met bepaalde kennis. Als jij die kennis en kunde deelt met je omgeving, dan ben je goed bezig. Dan ben je ook kenniswerker en maak je jezelf waardevol. Voor jezelf en voor de mensen om je heen.

Voor beide invalshoeken is dus wat te zeggen, vind ik. De ene theorie is economisch gedreven en meetbaar. De andere, is de intermenselijke invalshoek. Vanuit de notie dat je ieder individu dezelfde waardering toekent op de kenniseconomische arbeidsmarkt. Beide invalshoeken gecombineerd, zorgt dit wat mij betreft voor optimale economische groei.

Ik heb gezegd. Dank u wel.