Hello and Goodbye Professor Zonnebloem

Wat een keloel lately over het onderwijs in NL. Vroegselectie my ass. Met HAVO/VWO-advies op zak deed ik als brugklasser, nota bene in Jakarta, mijn eigen assessment en besloot eigenhandig om een niet voor de hand liggende richting te kiezen. Dat niet goed uitpakte. En toch ben ik supergoed terechtgekomen. Ik leg het uit.

Mijn toekomstige carrière (in de communicatie) was al voorbestemd toen ik zes jaar oud was. Op de 2e Amstelveense Montessorischool verslond ik taalboekjes alsof het spekkies waren. Over mijn Montessori-indoctrinatietijd later meer. Ook op mijn katholieke middelbare school, Tarakanita I Jakarta, was ik King of the Hill in taal. Proefwerken Engels en Duits haalde ik slapend. Voor Bahasa Indonesia schommelde de cijferbuit tussen zevens en achtens. Niet gek voor een Belandameisje met een Indonesische taalachterstand (ben een jaar blijven zitten hierdoor). Een eigenaardige Indische kaaskop die analfabeet haar eerste taalles binnenkwam. En ‘Hallo nasi goreng en kroepoek’ op het schoolbord kalkte op de vraag of ik mezelf even wilde voorstellen.

Enfin. We kregen ook schei- en wiskunde. En sterrenkunde. Machtig boeiende vakken waarmee je later professor Zonnebloem kon worden. Helaas, ik snapte er de ballen van. De logica van basisformules ging er nog wel in. Maar van elke schijnbeweging in functie- en formulereeksen ging ik steeds opnieuw een stukje kapot van binnen. Niet omdat ik het eng vond, maar ik baalde dat ik het niet in m’n vingers kreeg. Scheikundige proeven doen vond ik trouwens geweldig. Van scheikundesommen maken kreeg ik echter maagperforaties. De proefwerken Engels en Bahasa waren de troostende Sesamstraatpleisters op de gapende Bètawond. In Geschiedenis was ik trouwens ook heul goed. In plaats van stampwerk, maakte ik er epische verhalen van in mijn hoofd. Vervolgens schreef ik de hele zooi met flair uit, afgetopt met die eindeloze reeks jaartallen waarin koninkrijken en generaals sneuvelden.

Het alfazaadje was zoals gezegd al vroeg geplant: een taalverslindster was ik. Een kleine keizer in verhaaltjes schrijven, dat ook. Des te oeniger werd ik in rekenen. Thanks to Maria Montessori. Haar befaamde onderwijssysteem was deels geschikt voor mij: voor mijn vrije talige geest was het walhalla, heaven, Unicornland. Voor de ontwikkeling van complexe inzichten (wat rekenen toch wel een beetje is) had La Montessori een verwoestende uitwerking. Terwijl mijn hersenkwab dat eigenlijk best had kunnen processen. Er werd alleen totaal niets mee gedaan. Niet geprikkeld, niet gepord. Tot zover het Montessorisysteem. Met een deels luie, ongetrainde hersenhelft gecombineerd met een opgepompte taalspier, vinkte ik de basisschool af en was ik klaar voor de middelbare school. Mijn juf schreef nog het volgende in mijn rapport: ‘als Ramona beter was in rekenen, dan had ik haar VWO in plaats van HAVO/VWO-advies gegeven.’ Prima. Dubbelplaatsing of niet, ik ging hoe dan ook toch naar het Montessori Lyceum in 020 (dat werd het niet, want ik verhuisde naar Jakarta).

Back to Tarakanita I. Inmiddels was ik brugpieper af, en kon ik kiezen uit twee richtingen: A1 (Exact) A2 (Sociaal). Beide richtingen hadden maatschappijleer en Bahasa. A1 had wiskunde, biologie en A2 had geschiedenis en geografie als extra. Ik dacht toen een briljante ingeving te hebben, namelijk deze: mijn Alfa-hersenhelft was al bovenmatig ontwikkeld. Kom, laat ik eens even mijn krukkige bètahersens aan het werk zetten en voor A1 kiezen. Ik ging dus voor de ultieme shocktherapie. Hup, met m’n smoel in de vuurlinie van formules en variabelen staan. Kom maar! Kom maar! Kom maar! En zo geschiedde. Waarna een driejarige ramp zich voltrok. Want ik bakte er natuurlijk helemaal niets van. Had wel enorm veel bewondering voor exacte vakken. Maar ja, daar redde ik de wereld natuurlijk niet mee. Adoratie voor het vak (!). Toch vond ik mijn keuze destijds best stoer. Want nu kan ik zeggen dat ik er zelf bewust voor koos. Een Veni, Vidi zonder Vici. Ik blijf een avonturier. Stap altijd nieuwsgierig in werelden die niet de mijne zijn. Waar hebben we die eerder gehoord. En uiteindelijk is het alsnog goed gekomen. Ik ben Alfa gebleven. Een Alfa met een dikke A.

The Civil Society

Ik was vorige week op uitnodiging van een kennis wezen lunchen bij het internationale waterinstituut, Unesco-IHE in Delft: het bolwerk van masterstudenten en post-doctorale nerds uit ontwikkelingslanden met een afwijking voor water. In dit voormalig hoofdkwartier van de TU Delft wordt sinds 1957 het fenomeen water onderzocht door een zeer mondiaal studieclubje. De belangrijkste toelatingseis voor deze uitheemse studiebollen: zorg dat je minstens twee setjes traditionele kledij in je koffer hebt gevouwen. Het onderwijsinstituut viert namelijk om de zoveel maanden een gezellig folkloristisch themafeest. De ene keer is dat Afrika, de andere keer Azië of Zuid-Amerika. Gezelligheid is een understatement. De sfeer hier is ronduit knus te noemen. De studenten vrolijk maar nooit luidruchtig. De onderlinge band hecht, wat ook niet heel moeilijk is met slechts 200 studenten per lichting. De phd’s wonen zo ongeveer op deze mini elitecampus, elkaar leren kennen gaat rap. In het lab is er royaal de tijd om je collega’s beter te leren kennen en lekker je gevoelens onder een loep te leggen (pun intended). Relaties bloeien hier dus in alle heftigheid op. Alumni schijnen na jaren zelfs terug te keren op het oude UNESCO-IHE-nest. De onderlinge verbondenheid is groot, het is allemaal heel intens. En toch kabbelt het aan de oppervlakte. Keurig als een non-descript beekje. De sfeer is geciviliseerd. Verpakt in een monumentaal gebouw dat overigens aan de binnenkant prachtig is vertimmerd door Fokkema & Partners Architecten.

Hier worden heftige waterdeals gesloten.

Hier worden heftige waterdeals gesloten

Zo veel knusse keurigheid in èèn gebouw is dit oud-corpsbalmeisje niet gewend heur. Op de sociëteit van mijn oude studenteneliteclubje, het Groninger Vindicat atque Polit was roekeloze chaos de norm. Niet zo moeilijk te realiseren met acht keer zoveel studerende leden als bij Unesco-IHE. En toch staat Vindicat garant voor gezelligheid. Noem het een wilde variant van gezellig, met ìets meer risico. Want met een exotische fruitmand op je hoofd gemonteerd heb je op onze sociëteit nog geen Aziatische avond. Minstens 80 geïmporteerde boedhabeelden, een container vol vlonders en de kustlijn van de Noordzee die tijdelijk duizend kuub aan zand moet missen, dat werk. Althans, bij wijze van. De creativiteit en fantasie van een gemiddelde corpsbal kent namelijk geen, maar dan ook ècht geen grenzen. Dan valt een landenweek met een satékraampje hier en een Afrikaanse dansgroep daar in het Land van Niets. Natuurlijk is Unesco-IHE niet te vergelijken met de apenbralkooi waar ik in heb gespeeld. Deze waterstudenten zijn al een flink aantal stappen verder in hun nog jonge loopbaan. Wij Vindicaters studeerden toen om überhaupt een loopbaan te kunnen hebben. En dat vierden we elke woensdagavond met bier ter sociëteit. Hier in Delft wordt een Msc- of phd-succesje hoogstwaarschijnlijk gememoreerd met een kleine borrel en een bescheiden skypesessie met het thuisland.

Unesco IHE-gevatheid

Unesco-IHE-humor

En toch is het grappig om beide werelden te benchmarken. Het levensgrote verschil in attitude tussen deze studenten en de student die ik zelf ooit was. Maar ook zeker de overeenkomsten. De blijheid, de ambitie. Ok, vooruit, een andersoortige ambitie. De ambitie om na een dolle sociëteitsavond de volgende dag met forse kegel en aangekoekte Timberlands aan, een tentamen te halen. Versus de èchte UNESCO IHE-ambitie, namelijk de opgedane kennis in Urban Water and Sanitation toepassen in het land van oorsprong. Moeilijk wetenschappelijk doen met een nobel doel zeg maar. Niet de softe liefdadigheidsprojecten die wij als corpsjongens- en meisjes zo nu en dan afvinkten. Voetballen met jongeren met sociaal-economische achterstand. Of taartjes knutselen met eenzame ouderen. Is ook allemaal nobel, maar in omvang niet te vergelijken. Dat is denk ik wat ik intrigerend vind aan deze sympathieke jongens en meisjes van Unesco. Het zijn van die nette, geciviliseerde, weldenkende, niet-pochende individuen. Die bedachtzaam en zeer bewust een ambitieuze stap in hun studieloopbaan maken. Corpsmeisjes- en jongens die uiteindelijk op dikbetaalde functies in het bedrijfsleven terechtkomen is gewoon een stereotypebevestigende loopbaanuitkomst. Daar is niets nobels aan. Bash ik nou mijn eigen achterban? Ja, en dat is niet erg. Want waar een corpslid ook goed in is, is overdrijving. Niet elke alumnus van een corps belandt in een old boys network. En niet elke UNESCO-nerd drinkt alleen ranja op woensdag. Wat UNESCO-nerds en corpslieden in elk geval wèl delen is de gave om hechte vriendschappen te creëren. Vriendschappen die vervolgens opbloeien als een malle. Kameraadschap die nooit meer overgaat. Dat klinkt aardig overdreven maar dat is het niet. Het is de prachtige waarheid die zich voor mijn ogen voltrok die middag. Als een melancholische trailer die live ging tijdens een lunch op het Delftse waterinstituut.

“Je kan ook goed spelen zonder een banaan te eten”

Vrij naar Johan Cruijff. Het geldt ook voor mij en mijn voetbalfanatisme en het gebrek aan èchte kennis van het spel. Nòg vrijer naar Cruijff: ik kan goed faken (dat ik het snap) zonder een bal te raken. Ik ben een seizoensgebonden voetbalkijkert. Bij elk EK en WK-grootschermbierfestijn draag ik bijdehand mijn oranje Lottoshirt maat 152. Twee jaar geleden trotseerde ik de verstikkende geur van nepleer en goedkope deodorant in een stink-Bristolwinkel. Daar scoorde ik oranjekleurige nepleren trainingsschoenen. Alles voor Oranje, ook al riskeerde ik een permanent defect reukorgaan. Ik ben dan wel een blije seizoensgebonden voetbalgekkie, maar het moet wel goedkoop en vooral, in stijl. Ik ben niet de aap die met een tattoo van het Nederlands elftal op mijn linkerwang gaat lopen paraderen. Tot zover de reikwijdte van mijn Oranje-hooliganisme. Ik ben een seizoensgebonden kijker. Omdat ik alleen voor de duur van het toernooi begrijp wanneer een speler buitenspel staat. Of wanneer ik zelfstandig kan constateren dat zojuist een bloedmooi doelpunt vanuit de counter is gescoord. Daarna treedt Alzheimer light in. Ik ben een seizoensgebonden voetbalkijkert die het liefst met vrienden en een stuk of 1000 vreemdelingen, gespannen naar een amoled buitenscherm kijkt. Ik ben een sucker voor collectieve voetbalverering. Een amateurkijker die na twee poules pas comfortabel luidruchtig verontwaardigd durft te zijn. Omdat ik simpelweg tegen die tijd pas weer snap dat het kijken naar drie superslechte voorzetten in slechts drie minuten niet bevorderlijk is voor je hooliganhumeur. Of zoals Cruijff zou zeggen: ‘je gaat het pas zien als je het door hebt.’

Dat verontwaardigd voetbalkijken is genetisch bepaald. Ik heb ergens nog een foto liggen waarop mijn wijlen oma Alwina zo ongeveer in de tv duikt tijdens een mondiale voetbalpot. Oma kon oprecht verschrikkelijk boos worden als een vrije trap lullig op de paal belandde. De verontwaardiging op dat gezellige gezichtje van haar vond ik als kind al fascinerend. Die verontwaardiging aapte ik haarfijn na tot na de Fabeltjeskrantfase. Nu mocht ik ook met natgekamde haren in pyama opblijven en geboeid naar een voetbalwedstrijd kijken. Samen met al die volwassen verontwaardigde familieleden op het puntje van onze stoelen. Fantàstisch vond ik dat. Een familie vol voetbalgekkies. Zowel aan mijn vaders als mijn moeders kant. Niet alleen genetisch, maar vooral ook antropologisch. Op Manado zijn ze allemaal voetbalhooligans en al helemaal als Oranje aan de bal is. De houten dorpskroegjes aka zuiphokken, hebben een beruchte reputatie hoog te houden tijdens voetbaltoernooien. Als Oranje meedoet dan is 300 jaar Nederlandse kolonialisatie snel vergeten. Verliest Oranje, dan veranderen de muren van die dorpskroegjes in houten klaagmuren. Alle vergeelde Oranje elftalposters en Gullit’s staatsieportretten in keiharde confrontatie met Menadonese krokodillentranen. En veel delirium-incidenten, dat ook.

Ik ben een seizoensgebonden voetbalkijkert die nu wat gelaten naar de EK-affiches zit te koekeloeren. Oranje is toch best een mooie kleur eigenlijk, zo fotogeniek op beeld. Beetje cold turkey dat ik nu niet verontwaardigd en schuimbekkend van onaantrekkelijk niet-aanvallend voetbalgepruts der Oranje laffe leeuwen kan genieten. Cold turkey omdat ik het schandalige amateurisme niet meer kan bespreken met pa.

Kwalificatiedrama is compleet

Kwalificatiedrama is compleet

Onze laatste voetbal-sms-historie was van 15 oktober vorig jaar. Toen was het ernstige gestuntel van Oranje onder Blind al niet meer om aan te zien. Ik probeerde pa te verleiden tot zo’n lekker ouderwets verontwaardigde uitspraak. Maar zijn antwoorden waren nog tamelijk mild. Mijn eigen voetbalanalist op locatie geloofde er zelf ook niet meer in.
Nabeschouwing uit Tondano

Nabeschouwing uit Tondano

Maar tijdens eerdere toernooien reageerde hij altijd een stuk olijker. Een olijk gemopper, want ik voelde altijd de kwinkslag in zijn sms’jes. Pa was namelijk nooit zuur. Hooguit verontwaardigd, maar nooit zuur. Ik weet het nog goed. Op het EK van 2008 waar Oranje in de kwartfinale eruit werd geknald door Rusland. Pa stuurde direct een sms: ‘tjongejongejongejonge’. Oh ja, pa deed overigens altijd aan eigen ‘clubwissels’ zoals ik ze noemde. Als Ajax het goed deed dan was ie voor Ajax. Was dat niet het geval dan ging de Feyenoord-vlag bij hem uit. Het is zondag 12 juni 2016, 19.30 uur en ik kijk al bloggend met een half oog naar de pot Polen – Noord-Ierland. Ik mis Oranje op de tribunes en op het veld. En het taaie besef dat ik vanaf dit jaar officieel pa’s voor- en nabeschouwingen moet missen. Of zoals Cruijff zou zeggen: ‘je gaat het pas zien als je het door hebt.’

Het Aapje heeft de ziekenhuisblues

Ik loop graag rond in werelden die niet de mijne zijn. Bijvoorbeeld de wereld van medische mensen. Ziekenhuizen, ik hou er zo van. Niet dat ik een morbide taste heb voor zieke mensen. Het gaat mij om iets anders: de klinische geur van een ziekenhuis. Dat zit sinds mijn kindertijd in het collectieve geheugen. Ik had met mijn longonsteking-bronchitisdingen namelijk een abonnement op het ziekenhuis in Amstelveen. Mijn eerste opname was vrij snel na mijn geboorte. In rap tempo droogde ik uit tot een rozijntje. Ik was zes jaar oud toen ik met een zware longonsteking op de quarantaine-afdeling belandde. En de laatste keer dat ik als kind de klapdeuren van een ziekenzaal aantikte was ik geloof ik acht. Na een logeerpartij van twee weken werd ik uitgezwaaid door de specialisten: ‘da-hagh Ramona, en nou niet meer terugkomen hè!’ Met lamme bovenbenen vol beurse plekken van de ontelbare penicilline-prikken, omringd door die sterke hospital-odeur, verliet ik het ziekenhuis voorgoed.

Tien dagen geleden was ik voor het eerst in het AMC in Amsterdam. Twaalf jaar geleden lag ik op de IC van het VUmc, dat andere grote academisch ziekenhuis op de Zuidas. Ik brak na een jaarclubkerstdiner mijn linkerdijbeen. Mijn bot als een dik potlood in tweeën geknakt na een vrije val van een binnentrap. Maar goed. Ik ging die vrijdag dus naar het AMC voor een werkafspraak. Vanaf metrostation Holendrecht zag ik een soort Berlijnse Muur opdoemen. Het AMC als een gruwelijkgrauwe betonnen kolos dat heftig naar een stuk of honderd hogedrukspuitsessies snakt. Of doe maar niet. Want de grauwigheid blends perfectly met de rest van Bijlmer Betondistrict.

Eenmaal binnen wachtte mij een enorme verrassing: een megagroot overdekt, lichtdoorlatend binnenplein. Dat plein gekoppeld aan een labyrinth met gangen naar de verschillende verpleegafdelingen en OK’s. Veel gezellige bedrijvigheid langs de plinten. Een AH To Go, een kapper, AKO, de Starbucks, een Rituals (omdat de patiënt anno nu je acuut gaat dissen als je durft aan te komen met zeepkettingen van de Action). Ik voelde hier de energie. Van herstellende mensen, van helende mensen. Van mensen die het niet gered hebben. Leven, dood, alles.

Maar ik vond vooral de mix van deze community intrigerend. Strompelende patiënten met infuus als statement-accessoire. Bezoekers met wallen tot aan hun middenrif. Zwijgend aan de koffie, herstellende van een nacht doorhalen. Hoopvol wakend over dierbaren die op morfineshots liggen te ijlen in hun IC-ledikanten. En vooral heel, heel veel witte jassen. Jongens en meisjes met co-schappenswag. Gearriveerde dames en heren-artsen en specialisten die vooral heel, heel knapzak zaten te zijn. Ik voelde me heel, heel happy als figurant op deze filmset van Grey’s Anatomy van de Lage Landen. Ik voelde me, tezamen met die o zo vertrouwde ziekenhuisgeur, 1000% thuis.

Negenduizend peeps werken er in het AMC. 24/7 draait dit academisch medisch centrum op mensen die stinkend hun best doen om mensen beter te maken. Om een beter leven te schenken èn te gunnen aan patiënten die zichzelf niet kunnen fixen. Ook werken hier mensen die al die hardwerkende medici een werkomgeving bieden, op zo’n manier dat ze hun werk goed kunnen doen. Dat zijn ook ongelofelijk veel mensen. Van schoonmakers, blije receptionisten, IT tot HR. Een machtig mooie organisatie die draaiende wordt gehouden aan de achterkant door allerlei complexe systemen. Zodat aan de voorkant, de specialisten, artsen en het verplegend personeel zorgeloos hun ding kunnen doen. Mensen beter maken. Of, van zieke mensen op zijn minst een betere variant maken op de hoopjes ellende die ze nu zijn. Oh oh AMC. Jij laat mijn oude 020-hart alsnog sneller kloppen. Wat tof om bij je geweest te zijn, ook al was ik niet ziek.

*Sinds donderdag 2 juni ben ik interim communicatieadviseur HR bij het AMC. Yeah!