Het Aapje Huilt

Ik was jarig afgelopen zaterdag. En pa belde niet. Het zorgde voor enige commotie in mijn hoofd. Kreeg afkickverschijnselen. Ik ontkende de realiteit. Pa zou bellen. Oh nee toch niet. Het o zo vanzelfsprekende verjaardagstelefoontje van pa. Hij stuurde traditiegetrouw een dag van tevoren een sms. Want goede voorpret is het halve werk. Een sms met het tijdstip wanneer hij zou bellen. En na het tijdstip, kwam altijd nadrukkelijk de mededeling ‘jouw tijd´, vanwege het tijdsverschil. Die sms kreeg ik vrijdag niet. En pa belde ook niet op mijn verjaardag.

Ik heb mijn verjaardag, sans papa, festlich ingeluid op de vrijdagavond. Een kunstige versie van feestelijk. Samen met mijn gbf en clubgenoot was ik bij de Kunsthal IFFR mash up: een exclusieve preview van Nocturnal Animals, een magistraal confronterende film van Tom Ford, daarna Peter Lindbergh’s supermodellenfototentoonstelling (tweede keer, lucky me). Met een afterparty als dessert. Ik bieberde letterlijk mijn verjaardag in met midddernachtelijke gin tonics. Geproost en gedronken op de eerste minuten van mijn verjaardag. Maar vooral om mijn buikpijn te camoufleren. Buikpijn omdat ik wist dat pa niet ging bellen.

Thuisgekomen (niet vragen hoe), las ik de familieverjaardagsappjes uit Indonesië, waar de zon al op was en mijn verjaardag al de ochtend was ingegaan. Ik moest huilen. Zusje appte dat als ik een briesje voelde vlakbij mijn oor, bij mijn handen of nek, dan was dat ´dad trying to say hello´. Ik traande en trilde bij dit berichtje. Maar weet niet of dat door een briesje kwam of door drank en ernstig slaapgebrek.

Ik was jarig afgelopen zaterdag en dat heb ik geweten ook. Pa belde namelijk niet. Daarentegen stroomde mijn sociale media vol met felicitaties. Nieuw dit jaar waren de troostende, bemoedigende woorden van familie en vrienden. Tussen taartpunten, vallende sterren, cocktails, unicorns en feestende aapjes, trof ik zinnetjes zoals ´you are such a blessing on planet earth’, ´ben megatrots op je´,´je bent sterk´, ‘alleen maar liefde’. Ik besefte dat pa dit ook had kunnen zeggen. En ook in die volgorde. Hij vond mij een blessing toen ik geboren werd. Was apetrots toen ik afstudeerde. En wenste me telefonisch (huilend) alle liefde, God’s gebeden en sterkte toe toen ik ooit mijn linkerdijbeen brak en geopereerd moest worden. Stijf van de morfine lag ik met oud en nieuw in het VUmc. In een zaal met links van mijn infuuspaal een oud besje dat continue op de alarmknop drukte en lag te bedplassen.

Gistermiddag lag ik op de massagetafel van Diederick, die met zijn toko op de Nieuwe Binnenweg is genomineerd in de categorie beste salon van Nederland 2016. Want nek en schouderbladen die bont en blauw voelen, verdienen de beste aanpak van de wereld. Rouwen is ongemerkt klappen incasseren. Geen flauw benul hoe lang het duurt en vooral niet wanneer het komt. Opeens is alles beurs. Diederick pakte mij kundig bij mijn nekvel beet. Ik, het droeve aapje dat gereanimeerd moest worden. Ik voelde enorme pijn en wilde huilen. Dit is geen fysieke pijn. Dit is zielenpijn omdat pa definitief geen onderdeel meer uitmaakt van mijn verjaardagsritueel.

Maar gaandeweg ontspande ik. Mijn gedachten gleden soepel naar de afterparty van vrijdag. Naar het lollige filmpje dat ik op mijn Facebooktijdlijn knalde in de nacht van 28 op 29 oktober. De nacht dat ik me realiseerde dat pa nooit meer zou bellen. Gbf en ik stonden op het punt om naar huis te gaan. We hadden de garderobe al afgevinkt toen de dj Drake´s ´Hotline bling´ erin gooide. Ik ga àltijd aan op deze track, dus ook deze keer. Jas, hup, weer uit. Foon in de handen van gbf geduwd, want ik mòest gefilmd worden. Ik dacht in a split second nog: ´jezus, stomme ijdeltuit die je bent, met jezelf filmen’.

Op de pijnbank bij Diederick dacht ik daaraan terug. Mooi als iemand in staat is om het droeve poppetje in mij eruit te kleien. Waardoor ik best ontspannen, fijne momenten zoals facebook the movie kon terughalen. Was me opeens ook heel bewust van dingen. Zo ook van de eerste paar regels van Drake´s liedje. Het liedje waar ik per se nog op wilde dansen.

You used to call me on my cell phone
Late night when you need my love
Call me on my cell phone

Klabam. Op mijn buik liggende, voelde ik mijn hart kneiterhard tekeer gaan. Dwars door de massagetafel heen. Blijkbaar legde ik nu pas de toevallige link tussen Drake’s track en pa.

Pa die mij nooit meer gaat bellen op mijn cell phone. Zielenpijn heb ik pa, zielenpijn. Maar wel wonderschone zielenpijn.

Everything is illuminated, and so are bananas

Jonathan Safran Foer. Zijn pièce de résistance, Everything is illuminated (half) gelezen en de boekverfilming ervan ooit gezien. Jonathan Safran Foer hoort onderdeel te zijn van je opvoeding afdeling Joods-Amerikaanse literatuureluur. Omdat Foer een tamelijk briljante, spitsvondige schrijver is. Omdat, als je zijn boek(en) hebt gelezen, spontaan het leven gaat samenvatten zonder in totale depressie te vallen. Omdat je, als je zijn boek uit hebt, langs de lijn van totale verlichting ontdekt, dat het leven toch vrij briljant in elkaar steekt. Daarom.

Thank you Ramona. Graag gedaan Jonathan.

Thank you Ramona. Graag gedaan Jonathan.

En als de grote (kleine) schrijver een bezoekje brengt aan de Maasstad (Arminius), in het kader van zijn tour voor zijn nieuwste boek Here I Am, dan zit Het Aapje uiteraard front row. Jonathan Saffran Foer werd op zaterdag 15 oktober jl. in Arminius geïnterviewd door schrijver Ernest van der Kwast. Het gaat ver om van der Kwast onze eigen Safran Foer te noemen, maar ze delen wel het soort wittiness in schrijfstijl. Slim bedacht van beide uitgevers dus. En de locatie werkte ook als een malle. Het debatcentrum dat van oorsprong een remonstrantse kerk is, is majestueus. Het teakhouten meubilair, het pitch pine grenen in de gewelven. Alsof je in een collegezaal op de Harvard-campus bent beland. Arminius oogt statig en preppy tegelijk.

Ga hier niet een spreekbeurt houden hoe de avond met de kleine man Foer chronologisch verliep, want dat interesseert hoegenaamd niemand een bal. Nou, vooruit, ik wil wel een béétje kwijt hoe het die avond ging. Op een groot scherm achter Foer en van der Kwast werden beelden geprojecteerd. Van Foer’s boekcovers, de skyline van Rotterdam (want onlangs door The Wallstreet Journal uitgeroepen tot coolste stad van Nederland ‘did you know that Jonathan?’), tot aan foto’s van Trump’s lelijke kop (ter illustratie bij de zeer actuele maar compleet uitgeholde vraag wat Foer van Trump vindt). Foer draaide bij elk nieuw beeld enigszins gespeeld geagiteerd zijn kleine torso een kwartslag richting projectiescherm. Vroeg zich meerdere malen af wie deze beelden had geselecteerd en waarom ‘he is being interrupted all the time by silly images’. Het was ongemakkelijk grappig tegelijk. Vooral hoe hij het bracht. Foer’s Upper Eastside-dictie is namelijk hilarisch droog, in combinatie met een heel fijne stem. Sexy bijna. Een sexy ass auteur die verschrikkelijk goed schrijft. Het was genieten van Foer in optima forma. Of het voor ons lezersplebs afzien was op de kneiterharde remonstrantse kerkbankjes? Niets gevoeld whatsoever.

En toen kwam het. Na een paar erg geestige monologen, waarin Foer zijn schrijversprofiel uitlegt als pretentieloos, als iets wat er gewoon is. Een boek schrijven, daar is niks verhevens aan. En wat er is geschreven dien je ook niet high brow tot je te nemen. Prima. En toen kwam het, het vragenrondje uit het publiek. Een rondje met de meest ranzige, clichématige vragen van hardcore Foe-fans en muurbloemboekenjunkies. Een van die fifi’s stelde deze evergreen: ‘Who was your inspiration as a writer?’ Waarop Foer een minutenlange monoloog hield hoe hij ooit kennismaakte met een pseudo pilot. Een piloot die nooit een vliegtuig zal besturen. Een pseudo pilot aka luchtverkeersleider in opleiding. Een geniaal non-onderwerp dat hij geraffineerd uitsmeerde tot de duur van een kwartier. Of de pseudo piloot zijn grote voorbeeld was, vroeg fifi nog tot overmaat van ramp. Ondertussen observeerde ik en sloeg ik dingen op in mijn apenkop. The Monkey was aan.

Want het drama was nog niet voorbij. Naast de vragen van het niveau Bruna top 10, heb je namelijk ook altijd de groep die wil promoveren op een bestseller. De microfoon stopte voor de volgende vraag (‘hierna nog één vraag’) bij een gebocheld dametje. Ver in de zeventig. Avantgardistisch platinablond kort kapsel. KLM-blauwe mantel om haar magere schouders gedrapeerd. Ze stelde een vraag waarin wij slechts krakend intellectueel gepeupel konden ontcijferen. Filosofisch gezever over een bepaalde passage uit zijn laatste, Here I am, waarin ‘the ethics and meaning [ ]’ haar niet helemaal duidelijk waren. En waarbij granny zich hardop afvroeg wat Foer hiermee bedoelde. Ik betrapte mezelf op een enorm triomfantelijke grijns. Foer had namelijk een halve nanoseconde geleden geroepen dat zijn schrijven non-extentialistisch uitgelegd moest worden. Met nog net dat greintje respect voor La Ouwe Knar, legde hij uit dat hij het uhm, net al had uitgelegd. ‘There is simply no answer.’

Ondertussen zweefde de microfoon met de gastvrouw door de zaal voor ‘echt de allerlaatste vraag van vanavond.’ De microfoon als pseudo pilot. Ik had intussen al drie keer mijn armpje omhoog gestoken (ik weiger, ondanks mijn geringe lengte een puntmuts of zwaailicht op mijn hoofd te planten). Maarrrr, driemaal is verdomde scheepsrecht heur. Ik had de microfoon eindelijk in handen. Ik stond op van mijn remonstrantse zitplaats; Foer veerde op zijn beurt zoveel mogelijk op van zijn fauteuil om te zien wie die kleine brilaap nou was.

“Hi mister Foer. Would you consider to write a book, let’s say within ten years from now. And would you consider incorporating this moment in your book. This very moment where you were being interviewed in the coolest city of Holland, by a silly Dutch writer and moreover, being interrupted by Trump in your back, all the time. Would you consider doing that, mister Foer?’

Het Arminius was voor even helemaal illuminated.

Dit Park. Punt.

Een deftige groenvoorziening
tussen de Gouden Driehoek Rotterdam
daar waar in lichamen gesneden wordt
waar studenten studiestress simuleren
waar voor negen euries Kate Moss op fotopapier nìet met je flirt

Genezen op z'n Rotterdams.

Genezen op z’n Rotterdams. Met bomen.

Een on point poepsjiek park
slechts catwalken kun je tussen scherpgesneden grasvelden
waar ik een diepe buiging maak voor vijverfontijnelegantie
loop ik hier statig te zijn met een verwachtingspatroon

Daar waar ik kapitaalkrachtige notabelen verwacht
waar ik afgedankte bankiers, met een doos obligaties diep weggestopt in hun vestzak, tussen rozenperken verwacht
zie ik in plaats daarvan Hamed, Sherilla en Wouter in heftige discussie over belbundeldrama’s. De parkbankjes als sinaasappelkistjes in de lage avondzon

Een deftige groenvoorziening waar aan blikjes prik met de pink omhoog genipt zou moeten worden
is in plaats daar van vrolijk bezet door trossen vol giegelgirls en belboys
die zonder ouderlijk toezicht keurig fluisteren over de Staat van Rotterdam
de scherpgeschoren grasmatten als picknickkleed voor Aldibier, skateboards, joints, roddels

Museumparkposse.

Museumparkposse.

truttig aangeharkte bloemenperken als helend uitzicht
voor hen die stoned van anesthesie het Erasmus MC bevolken
tickets voor zwoele fotokunst als escape voor inspiratieloze studenten die met lood in hun sneakers de Hogeschool van Rotterdam bevolken

Een on point poepsjiek park in de concrete jungle van Rotterdam is het
waar recalcitrantie plaatsmaakt voor beschaving zodra de avond valt

een deftige groenvoorziening in de concrete jungle van Rotterdam is het

Een Alice in Wonderland was ik.

ramonamaramis©2016

Het Aapje, Sjempie en Jekkertje

Ik wil jam kopen maar kan het (nog) niet. De laatste keer dat ik jam at, was op mijn mentorintroductieweekend tijdens een royaal hotelontbijt op de Veluwe, een maand geleden. Op mijn bord ligt dan meestal een intercontinental breakfast: croissants, vleeswaren, gekookt ei (of roerei), muffin en een glazen cupje met huisgemaakte jam voor bij die croissants, zwarte koffie. Heerluk. Maar zelf koop ik (nog) geen jam. Nee joh, heb beslist geen ingekooktevruchtenmetsuiker-fobie. Maar pa zei altijd ‘sjempie’ tegen een potje jam. Elke ochtend dekte pa de ontbijttafel als ik over was. De tafel was dan royaal voorzien van Amerikaanse pindakaas (Skippy peanutbutter), cheddar cheese, gebakken ei, volkoren brood van de Holland Bakery (ja ja), een schaal met Indonesische snackjes, vers van de markt gehaald; melk, sap, koffie en sjempie. Het potje jam altijd in de smaken ananas en/of aardbei. Ik durf nog geen jam te kopen omdat ik bang ben dat ik in huilen uitbarst bij het zien van sjempie bij het ontbijt. En toch moet ik glimlachen als ik denk aan hoe pa altijd heel schattig het potje aan mij aanreikte met die olijke blik van ‘je weet dat ik dit potje aan je ga geven en sjempie ga zeggen.’

Ik wil shinen in Nederland met pa’s mariniersjasjes die ik uit de boedel heb meegenomen. En dat heb ik inmiddels gedaan. Vorig weekend droeg ik zijn mariniersjasje met camouflageprint naar de Kunsthal. Zijn naam en initialen op het voorpand van het jasje geborduurd: F.B. Maramis. Gruwelijk stoer. Ik voelde me beschermd en kwetsbaar tegelijk. Iets dragen van iemand die er niet meer is. Bizar. Een vriendinnetje die mee was naar de Kunsthal, vond mij er weer eens zeer cool gestyled uitzien met dat jekkertje.

Jekkertje in de Kunsthal. Model: Het Aapje.

Jekkertje in de Kunsthal. Model: Het Aapje.

Toen ik vertelde dat het pa’s jasje was, keek ze me een paar tellen geëmotioneerd aan. En daarna naar het jasje dat nonchalant losjes om me heen hing. ‘Moet dat niet een strak jasje geweest zijn, ik bedoel mariniers waren toch allemaal afgetraind enzo?’, vroeg vriendinnetje. Ik moest direct denken aan pa’s bolle buikje (geërfd, helaas geërfd) en had op mijn beurt een paar seconden een fijn binnenpretje. Pa’s collectie veteranenuniformen was uitgebreid. Pa zat royaal in zijn plechtige kostuums. Dit jekkertje was er eentje van. Ik stel me zo voor dat veteranen zoals pa na een lange carrière heerlijk mogen uitbuiken in hun uniform. En daarna mogen veteranenkinderen zoals ik erin schuilen. Schuilen in pa’s jekkertje als ik verdrietig ben. Ermee glimmen van trots. Erin paraderen omdat ik een verschrikkelijk ijdele aap ben. Het jasje doet veel dingen tegelijk met mij. Misschien moet ik ‘m wel aantrekken naar de Appie. En dan heel fier de complete rij met sjempies, hup, in mijn karretje knallen. Ik denk dat ik dat wel aandurf, pa. #fransbernhardbedankt

Het Aapje Loert aflevering #4: Het tostipaleis

Vorige week woensdag was ik in Damsko voor een zakelijke afspraak. Omdat die afspraak letterlijk en figuurlijk soepel verliep, had ik plenty tijd over om te chillen in het laatste restje nazomerzon. Uit automatisme koos ik voor Het Paleis, achter de Dam. Typisch zo’n tent in de categorie ‘kun je geen buil aan vallen.’ Constant in kwaliteit, steady interieur, wars van hipster nieuwigheden. Hier gelukkig geen hangplanten in triangelvormige plantenbakken en afgebrokkelde bakstenen muren. ‘Tijdens de verbouwing ontdekten we dit onaangetaste stuk muur en vonden het helemaal leuk om het zo te laten.’ Lulkoek. Zulke bakstenen muurtjes worden gewoon met voorbedachte rade eruit gebikkeld. Bij Het Paleis doen ze niet aan dit soort flauwekulmakeovers. In de hopeloze strijd om toch maar sexy te blijven voor het publiek. Never change a winning team hangt nergens op een bordje. Hoeft ook niet want ze veranderen gewoon niets.

Het interieur van Het Paleis is dus, voor zover ik het kan beoordelen, al een aantal jaren hetzelfde gebleven. Bistroachtig met een robuuste leestafel in het midden, langwerpige hanglampen die net niet in je krant steken, de bar onopvallend links achterin de zaak. Alles in de kleuren wit met zwartgeschilderde accenten. Uitzondering is het gedeelte bij de toiletten. Daar zijn de wanden in stemmig rood geschilderd.

Een dame van middelbare leeftijd bedient de zaak vandaag. Het is niet loeidruk. Een paar bankjes buiten zijn bezet met voormalige terrasaanbidders die hun sunny outfit verruild hebben voor de tussenjas. Binnen hangt een grand cafésfeer. Lunchers die bedachtzaam door hun macbooks scrollen of een krantje lezen bij de koffie. De dame van de bediening, ik noem haar mama-ober, is een charmante verschijning; brunette met het haar in een hoog knotje. Een soort tangodansknotje. Ze heeft ook iets van latinobloed gok ik. Een temperamentvolle maar warme, benaderbare uitstraling. Op het knusse af. Ze kon iedereens moeder of tante zijn.

Op de kaart zie ik een paar broodjes staan. Iets met zalm, avocado en kiptruffel. Maar ik besluit de ultieme tostitest te doen. Als tosti-units niet op de kaart staan, vraag ik er juist meestal naar. En dan kijken hoe creatief ze zijn. Of constateren hoe zuur ze zijn als ze een kille ‘nee sorry tosti bestaat hier niet, wel rechtsdraaiende boerensandwiches’ verkopen. Op mijn tostivraag antwoordde de mama-ober met ‘we hebben geen ham, maar wel bacon. Is ook lekker. Zullen we dat gewoon proberen?’ She had me with bacon. De manier waarop ze het gebrek aan ham compenseerde met bacon als joker was hartverwarmend. Alsof een tante pannenkoekjes staat te bakken en erachter komt dat de stroop op is en direct de verwachtingsvolle neefjes en nichtjes (want willen pannenkoek met stroop) sust met het alternatief: ‘Ik heb nog een fles heerlijke zelfgedraaide ahornsiroop staan, Zullen we dat gewoon lekker doen?’

De tosti was huge. Dikke boterhammen goed geroosterd. De kaas royaal gesmolten en jawel, lekkere salty bacon ertussen. De tosti was zo groot, dat ik na drie hapjes opeens met een tosti-overschot zat. Ik vroeg aan mama-ober om mijn tosti in te pakken want ‘heerlijk maar wel enorm groot, haha.’ Deze verontschuldigende toelichting was volstrekt overbodig. Aan haar blik te zien begreep ze me volkomen. ‘Tuurlijk kind, komt helemaal goed dit.’ En het kwam goed. Want ik kreeg de tosti in een schokbestendige plastic doos waar gerust vier tosti’s in hadden gepast. Het deksel heb ik thuis weggegooid, het zwarte bakje is inmiddels een prima rommelbakje geworden. Alsof mama-ober wist dat ik thuis nog een handjevol verdwaalde dingen (paperclips, pasfoto’s, sleutelhangerpoppetjes, festivalmuntjes) had waarvoor ik nog geen bakje had. Ze zag dingen. Mijn tostivraag was gelaagd genoeg voor haar om mijn achterliggende wens voor opbergbakjes naar boven te kunnen toveren.

Ik kom snel terug naar Het Paleis. En maak direct rechtsomkeert als ik erachter kom dat mama-ober er niet is.