Mijn meisjes

Het is vrijdagavond 25 november 18u. Heb een opgezwollen bovenlip, opgesierd met wat bloedvegen hier en daar, een licht tintelend voorhoofd en het jaarclubdiner is nog niet eens begonnen. Watskebeurd vertel ik later. Maar het voorval valt (nog steeds) in het niet, vergeleken met het ziekenhuisavontuur in mijn corporale Groninger studententijd. Ik zat in de eerstejaarshoek van onze sociëteit Mutua Fides, op de stinkende houten banken, twee jaargenoten gade te slaan die heftig jasje-dasje aan het trekken waren. Helaas voor mij, vlogen de twee lamme gasten als twee versgebakken straaljagers in mijn richting. Ze knalden met hun volgetankte bierlichamen hard tegen mij aan, waardoor ik viel. Voor ik het wist lag ik onder hen, als een soort judomat. Ik werd afgevoerd naar het UMCG, waar een internist vroeg of ik even in zijn lampje wilde kijken. Waarop ik redelijk alert mompelde: ‘heb meer behoefte aan een bakje eigenlijk.’ Waarna ik het hele huiseten van een paar uur daarvoor, in één soepele peristaltische beweging in het kartonnen bakje kotste. De internist hoorde ik nog net ‘jongens, tis weer een student’ verzuchten. Ik mocht, mits onder strenge supervisie van een jaargenoot, naar huis.

Terug naar het clubdiner. Gelukkig heb ik dit event heel bewust meegemaakt (that is, tot een bepaald tijdstip van de avond). En het was mooi. Clubgenoot aka commissaris gastvrouw, had haar woonkeuken helemaal conform thema Duizend-en-één-nacht’ afgestyled met kleurrijke glanzende gordijnen, palmen, flikkerende lampjes en Marokkaans aardewerk op een met sfeerlichtjes bezaaide lange tafel. Mijn clubgenoten uit Den Haag hadden op de Haagse bazaar knap geborduurde gewaden inclusief hoofddoekje geregeld. Weer twee andere clubgenoten hadden burka’s in blije kleuren online (!) gefixt. Hier was even geen ruimte voor een geëngageerde discussie over multiculturaliteit en integratie-perikelen. Hier was enkel plaats voor voedsel, drank en confessions of the past. Nou vooruit, clubgenoot moest bekennen dat ze het lastig vond om die burkaspullen in te slaan op de markt onder het mom van een ordinair verkleedfeest. Dus had ze heel verhaal verzonnen dat ze binnenkort naar Iran zou vertrekken. Waarop die marktkoopman zei: “ooh burka hoeft niet nodig, Iran veilig wallah!” Uiteraard hebben we clubgenoot in kwestie snoeihard uitgelachen/toegelachen, met haar mislukte lullenpot.

Maar het was mooi. Vooral toen het clublied al vrij vroeg in de avond werd ingezet. Dat die dan zo mooi en melancholisch kon klinken zonder het kneiterlamme effect (lees: de vette snik), zegt wat over de kwaliteit van het liedje. Dat kon niet gezegd worden van het repertoire naarmate de avond vorderde. Geloof me, als er in een clublied ‘anders wordt mijn oester nat’ in het refrein zit, dan weet je dat het hoog tijd is voor de volgende batch wijn. Opdat het nog te volgen gebruikelijke lalrepertoire enigszins onverstaanbaar wordt, als een soort natuurlijke censuur.

Ondertussen werd mijn Kylie Jennerlip die steeds grotere proporties aannam, nog even gecheckt door de twee oud-geneeskundestudenten in de club. Tijdens het bliksemconsult werd ik volgestopt met paracetamol en heengestuurd met een bel wijn. Het was hoog tijd voor het diner. De borrelhapjes in de vorm van pitabrood met acht soorten zelf in elkaar gedraaide humus werden gevolgd door goddelijke hoofdgerechten. Deze kregen geheel in lijn met onze traditie, een hilarische inleiding van de chefkokclubgenoten van dienst. Moussaka (“schatjes, dat is Grieks, maakt niet uit”), kip met kokos (“hebben ze auch in Marokko”), tabouleh, en gehaktballetjes in saus waarvoor ze met liefde samen uren in de keuken hebben lopen ploeteren. Er volgde nog een indrukwekkende pavlova met aardbeien en slagroom (“sinds wanneer is dit Arabisch precies?”).

Niemand van de club haalde daarna nog de koffiegang met mijn Koekela-koekjes uit Rotterdam. Ook wist niemand meer wie jaargenoot Jetkse B. was. Maar wat boeide het ook. De grote sociëteitsquiz wordt gek genoeg ook altijd ingezet op het moment dat serieus niemand meer een helder moment heeft. “Hey hallo, wie zat er ook alweer in de almanakcie?”. “Met welke gast was jij ook alweer toen we met kerstdiner al die kerels in de liedjes tweakten?”. “Ik was sjaak afhaak toen en weet niet meer why.” “Huh”. Juist, wat was het weer mooi. Het was genietings met mijn meisjes. Met dezelfde meisjes die mij begin maart en begin mei van dit jaar in een enorme bak met liefde pleurden toen ik het nodig had, zwom ik nu samen met ze rond in een fust wijn vol reminiscensies onder de twinkelende lichtjes van Duizend-en-één-nacht.

PS: Kylie Jenner-bovenlip krijg je zonder botox, als je zoals ik heb gedaan, maar hard genoeg full face tegen een glazen deur aanknalt. Oh ja. Vervang alle zinnen met ‘zelfgemaakt/gekookt’ door ‘catering’.

Doos die je bent

Ik heb het eigenlijk nooit. Althans niet zo extreem als de laatste tijd. Ik heb een vermoeden waar het vandaan komt. Ik vergeet dingen omdat ik een tikkie van slag ben sinds mijn verjaardag. Ik vergeet geen dingen die ik heb gezegd. Intense gesprekken met vrienden sla ik op onder mijn hartklep. Belangrijke beleidsnota’s laat ik in mijn functie als communicatieadviseur HR bij het AMC niet liggen. Het vergeten zit ‘m niet in die dingen, maar meer in het alledaagse. Zoals het vergeten van een bloedsimpele plastic opbergbox van de Blokkert. Tijdje geleden kocht ik er een op Utrecht Centraal. Ik had net mijn CDA mentorklasje op de HU afgevinkt, en bedacht me opeens dat een opbergbox wel handig kon zijn. Bijvoorbeeld voor die imposante verzameling aan shampoo’s, douchegels en bodylotions in reisformaat. Voor als de Derde Wereldoorlog uitbreekt. En vooruit, ik kocht nog een kleinere opbergbox voor erbij. Voor die andere epische collectie. De berg lipsticks en nagellaks, voor elke dag een andere kleur. Zo fijn om 365 dagen per jaar geen keuzestress te hebben daarin. Een stevig plastic huisje voor deze knappies is wel zo handig.

Ik weet nog dat ik zo blij was met het vervoerbare formaat van de twee plastic boxen. De kleinere doos ging in de grote en die doos klemde op zijn beurt weer comfortabel tussen mijn arm en middel in. De verhoudingen waren in orde. Je dacht niet: daar loopt euh, een doos in plaats van iemand mèt een doos. Snapt u het nog? In de intercity richting Rotterdam schoof ik de plastic doos-in- doos onder mijn stoel. En daarna brak een ultiem treinchillmoment aan. Dat betekent bij mij evenzoveel als in slaap vallen met Beyoncé adlipsend in mijn oor. Uitgeslapen van de powernap XL, stapte ik een kleine drie kwartier later uit in Roffa. En kent U dat? Dat je het gevoel hebt dat er iets niet klopt aan datgene wat je op dat moment aan het doen bent? Het ‘iets’ dat geen topprioriteit blijkt voor je brein, hield bij mij aan tot het moment dat ik thuis was. Toen floepte de lichtschakelaar aan in mijn bovenkamer: ‘doos die je bent. Je bent euh je doos vergeten.’

Vorige week was het weer raak. Ik was op de Sprinter richting Rotterdam aan het wachten in het Holendrechtse glazen stationshok. Ik had twee tassen bij me. Mijn Marc Jacobs schoudertas die zo ijdel is, dat er alleen maar het hoognodige inpast. Die andere tas, een zwarte, stoffen tote bag met Mumford & Sons-opdruk, is de unit die alles opvangt wat nìet in die schoudertas past. In dit geval een paraplu, een flesje water en een mandarijntje. Lang verhaal kort: toen ik uitstapte in Rotterdam, merkte ik voor de verandering meteen dat ik minder bepakking bij me had dan bij aanvang van de trektocht van Holendrecht naar Rotterdam. Met een pruillipje twitterde ik NS_online, en somde ik met een zwaar gemoed mijn verloren spullen op en de vermoedelijke locatie van Mega VergeetMijLand. Ik had enorme mazzel dat mijn waardevolle spullen in de ijdele schoudertas zaten en niet in de tote bag die inmiddels als vermist was opgegeven.

Het opmerkelijke: er zat dus niets van waarde in de tote bag. Ik bedoel, een paraplu, een flesje water en een mandarijntje. En toch was ik er lichtelijk kapot van. Het idee dat iemand anders er vandoor was gegaan met deze simpele, doch o zo essentiële dingen in de leven. Het maakte me misselijk. Om te beginnen is dat flesje water om mijn allergie-aanvallen te blussen en de hysterie rond de geïrriteerde keel te dimmen. De plu is om mijzelf te pantseren tegen het lelijke regenachtige weer dat sinds deze maand NL teistert. Of, om elke lamme stationslul met kwaad in de zin, een soepele klap op z’n kop te kunnen verkopen. En het mandarijntje is troost. De geur, de zoetzuursappige sensatie van het vruchtvlees. De oranje vruchtlookalike van Ernie symboliseert de herfst. Het biedt troost wanneer mijn allergie-aanval achter de rug is. Het verzacht de pijn van het leed dat regenblues heet. De plu, het water en de mandarijn in die gruwelijke hippe tote bag. Het zijn #lifeessentials zoals dat in Instagramtaal heet. Die was ik nu kwijt. Die dozen, daar mag de gelukkige vinder een vlot van bouwen en de oceanen mee bedwingen. I don’t care long hair. Maar mijn tote bag, het water, mijn plu en de mandarijn. Dit valt in de categorie taai verwerkingsprocesje hoor.

Do Rome like Asian girls do

Een vriendin uit Jakarta vierde haar verjaardag afgelopen weekend in Rome en ik was daar bij. De vooraankondiging van deze birthdaybash op European soil, vond plaats op Bali dit voorjaar. In de laatste week van mijn twee maanden Indonesië, vertelde vriendin Shirley tijdens een strandchilldagje van haar feestelijke Romeplannen. Ze had mij meteen op de gastenlijst gezet als gast die vrij makkelijk ingevlogen kon worden vanuit Nederland.

Ik was het eigenlijk bijna weer vergeten toen Shirley half oktober een appje stuurde dat ze bezig was met haar visum. De aanvraagprocedure duurde Indisch-lang, dus knalde mijn foon eind oktober zowat uit elkaar van Shirley’s hysterische appjes vol screenshots van haar goedgekeurde visum. Vrij snel daarna ontstond een organisch wie-doet-wat qua slaapplek, bars en places to see. Ik chef (Ho)reca en Shirley chef Hotel. En ondanks dat het niet mijn portefeuille was, hintte ik vrij subtiel naar airbnb. Dat deed ik omdat Shirley, een succesvolle en goedverdienende businessbabe-ondernemer, nogal een luxepopje is. En ik niet wilde dat ons zuurverdiende vakantiegeld op werd gegeten door triple-A hoteloptrekjes met de Trevifontein als jacuzzi. Waarop Shirley spontaan al haar opties op tiensterren-hotels schrapte en de meest luxe Airbnb in het beste district van Rome (Piazza Barberini) boekte. Mijn best of both worlds-strategie was gelukt.

Mijn nep-Louis Vuittontrolley vulde ik alvast met de party-outfit die nachtelijk Rome op haar grondvesten moest laten schudden: overkneelaarzen, een miniglitterjurkje en een weelderige poederroze nepbontjas. Hier ligt een lichte ‘ga niet onderdoen voor’-component aan ten grondslag. Aziatische dames die in het weekend een drankje gaan doen staat namelijk gelijk aan een gala-avond met dresscode feestelijk en sexy. Aziatische dames die in het weekend gaan stappen en ook nog eens jarig zijn staat gelijk aan een gala-avond ter ere van het jubileum van de lokale burlesque vereniging. Shirley kennende, zou als een fonkelende Indische smaragd het Romeinse nachtleven binnentrippelen.

Kijk de feestfifi's gaan

Kijk de feestfifi’s gaan

Omdat ik de airbnb er blijkbaar zo soepel doorheen kon drukken, besloot ik nog een extra troefkaart uit te spelen. Naast een hele lijst met posh cocktaillounges, gooide ik een zogenaamde ‘diner met locals’ op de whatsapp. Een viergangen-diner bij Italianen thuis, authentieke gerechten met groenten uit eigen stadstuin. ‘Beter, goedkoper en vooral leuker dan al die toeristentroep bij het Colloseum en Trevi’ plugde ik nog eens extra. Ze stemde in. Zoiets was volgens La Shir in Indonesië namelijk onmogelijk. ‘Je loopt het risico bij gestoorde gekken te eten, seriously.’ Dus in deze context was ze juist nieuwsgierig geworden naar zoveel laagdrempeligheid en Italiaanse gastvrijheid. Ik was blij, maar had ook mijn bedenkingen bij haar irreële angst. Het gevaar dat je bij kokende landgenoten thuis in mootjes wordt gehakt lijkt me vrij klein. Anyway, met het fixen van airbnb en diner bij locals, pakte ik woensdag 9 november op Rotterdam airport het vliegtuig naar Fiumicino.

Tijdens de zaterdagmiddaglunch bij het Colloseum vertelde ik Shirley nog terloops dat onze local dinerhost, Claudia Chiabatti, vast niet voorbereid was op twee wandelende glitterpalen die vanavond bij haar en haar man zouden komen eten. Ik baseerde deze uitspraak op de foto’s van Claudia die ik bij haar local diner- en whatsappprofiel zag. Een make-uploze veertigerplusser met een brilletje en bruin haar in achterhaald bobmodel. Vriendelijk snoetje. Ik had nu al medelijden met Claudia. Shirley maakte zich vooral zorgen of haar tomaatrode tube dress niet zou knellen tijdens haar verjaardagsfeestdiner.

Claudia en haar man Gianni waren inderdaad precies zoals ik had ingeschat: twee heel eenvoudige, supervriendelijke mensen. Claudia een IT-consultant en Gianni, een ontslagen IT-teamleider die ter afleiding sinds een jaar de sterren van de hemel kookt. Voor toeristen van over de hele wereld. We aten in de kleine Casa Chiabatti. Een appartement met weinig ramen, zo’n 15 kilometer ten zuidwesten van downtown Rome. Een koddig appartement met kleine kamers en een nog kleinere keuken. In een interieur dat weigerde met woonstylinggrillen mee te veranderen sinds 1980.

Waar alles klein en eenvoudig aanvoelde, smaakte het diner groots en meeslepend. De primi pasta a la Gricia met slechts een paar stukjes uitgebakken wangspek voor de smaak, de verse pecorino, de subtiel aangemaakte pizzaiola, de verse bloemkool zonder opsmuk. De romigste tiramisu ooit geproefd. Alles smaakte naar de troostende woorden van moeders toen je als kind je knie openhaalde. Meanwhile hesen La Shir en ik vanaf onze binnenkomst tot aan de gangen tussendoor, angstvallig onze jurkdecolletés telkens omhoog naar acceptabele ooghoogte. En was mijn ‘normaal zien we er niet zo uit hoor, wij dragen meestal ook sweaters en sneakers net zoals jullie’, mijn meest krukkig-grappige openingszin ooit. Claudia en Gianni gaven namelijk geen krimp. Niet geveinsd, ze zonden gewoon oprecht geen ongemakkelijke vibes uit. Daarentegen vertelden ze ontspannen over hun leven als citizens of Rome. Hoe vaak ze langs de Tiber wandelden, dat Claudia saxofoon speelt op religieuze bijeenkomsten en dat Gianni drumt. Af en toe. Volgend jaar staat een fietsvakantie naar Nederland gepland en voor de rest spenderen ze hun tijd in de stadsmoestuin. Ze vertelden en vertelden, en chef kok Gianni maakte selfies met ons, zonder ook maar één keer te loeren naar onze laag uitgesneden kledingstukken en glimmende armen en benen.

Hopi lobi voor Claudia en Gianni

Hopi lobi voor Claudia en Gianni

Het was totale ontroering op een kleine oppervlakte. Ontroering vanwege het verbluffend simpele, doch liefdevol bereide voedsel. Ontroering vanwege de lieve karakters van deze mensen. Ontroerd was La Shir, want volgens haar was dit het beste verjaardagscadeau dat ze ooit mocht ontvangen. Ontroerd waren wij, omdat Claudia dwars door al het glittergeweld van onze outfits en divapresènce, een verliefde blik naar Gianni wist te postduiven. Haar blik, zijn blik. Het troostrijke eten. Het kleine appartement dat zo vertrouwd aanvoelde. Goud was het.

Het Aapje Loert. Aflevering #5: Treinstel 2956

‘Mijn lichaam ging doenk.’ De Sprinter stopt in Capelle Schollevaar. Drie stations gehad, nog zeven te gaan. Bij een vrouw met marktvrouwstem ging het licht uit. ’Doenk’ was het woord ter illustratie van haar medisch geïndiceerde knock-out. ‘Wat erg’, roept haar treinvriendin. Ze stappen uit. Een zucht van verlichting gaat door treinstel 2956 als de Sprinter met ritnummer 4022 weer optrekt. Een Sprinter vol slaapstandzombies die een poging doen de schijn van enige activiteit te simuleren. Ik zie laptophanden, krantenhanden, gevouwen, lege handen. Veel forenzen moesten in Rotterdam rennen voor deze trein, maar liever lurkten ze nu aan kioskenkoffie. De verslagenheid op de vale gezichten is groots.

In Woerden stapt een mevrouw in met een stuk roodkleurig gedrapeerde gordijn bij zich. Het blijkt haar rok te zijn. Mensen kleden zich serieus slecht in de ochtend. In de stoelenformatie schuin voor mij leest iemand al tien minuten pagina 3 van de Metro editie Rotterdam. De hele buitenste rij van de Sprinterstoelen in treinstel 2956 wordt bevolkt door jasje petje-gasten. Ze kijken doodop doods het gangpad in. Het zijn MTV EMA roadie-look alikes.

Ik wil de vrouw aantikken die nu al een kwartier bezig is met de Metro editie Rotterdam. Ik wil haar zo vreselijk graag vertellen dat de postbodetas die ze om heeft hangen, verboden zou moeten worden vanaf de dag dat ‘ie van de fabrieksband rolde. In plaats daarvan volgt een epische allergieattack vanwege de never nooit gereinigde stoffen Sprinterfauteuils. En zoek ik naarstig naar mijn drielaags-papieren zakdoekhulptroepen. De vrouw is gered van mijn vernietigende advies. En wij allebei van een ongemakkelijke treinreis. Een zeeblauwe leren portemonnee met mal bultjesreliëf steekt wulps uit een jaszak van een vrouw schuin rechts voor mij. De blauwe potvis is zeer geschikt om gestolen te worden door een zakkenroller uit het B-circuit. De vrouw heeft haar natte haar in een Spartaanse knot gedraaid. Binnenkort sterft haar haardos van knellende ellende. Wie een haarsadist is verdient gerold te worden.

De coupé is volledig in zwart gedompeld:
zwarte nylon rugzakken
zwarte suède pistol booties
zwarte 15 denier panties
zwarte cardigans
zwart brilmonturen
zwarte overjassen
zwarte mascara everywhere.

Ik raak de tel kwijt en ik weiger pertinent in deze mistroostige depressiekuil te vallen. De winter is schijnbaar één grote rouwperiode voor treinprovincialen. Behalve voor mij (en gordijn en potvis). Tevreden kijk ik naar mijn perzikrode Clarks. Voldaan bijna. Alsof ik net van een overdadig ontbijt met American pancakes, verse eitjes en pruttelende koffie vandaan kom, versus de rouwstoet die net een plak droge fabriekscake heeft moeten wegtijgeren met slootwaterkoffie.

Zwart broekie, blije Clarks.

Zwart broekie, blije Clarks.

Aan de voorbijschuivende grijsbruine viaductwanden te zien, naderen we station Abcoude. De Sprinter remt af. Ik hang mijn AMC-badge om met een overwinningsglimlach. Als we straks Abcoude verlaten, tik ik over precies drie minuten na nu, station Holendrecht aan. Blij dat ik geen gordijnen draag. Opgelucht dat ik geen postbodetas-fetisj heb. Ben ik fier op mijn blauwe mascara in de wetenschap dat er geen lelijke potvis in mijn kontzak steekt. Mijn haardos ademt frank en vrij sans elastiek, ondanks mijn hooikoorts.

Maar het allerbelangrijkste is dit: Holendrecht is in zicht, de eindsprint is gehaald. Het licht gaat bij mij nog lang niet uit.