Dat is niet raar, dat is alleen maar heel bijzonder

The Luizenmoederforce is strong. Ik móet wel iets uit de gelijknamige, en nu al legend megahitserie in mijn blog tweaken. De intens politiek-incorrecte Juf Ank-oneliners verdienen al een blog op zich, zo meesterlijk zijn ze. Maar misschien voor een andere keer.

Want guysgirls, ik zit sinds januari op training. En dat is ook best bijzonder. Een training geïnspireerd op de leer van managementgoeroe Stephen Covey: persoonlijke effectiviteit, dé cultklassieker onder de ontwikkelingstrainingen. En een training waarvan de naam overigens ongelofelijk in de jaren negentig is blijven hangen. Ik bedoel, wie wil in het overvolle agile – en mindfulnesstijdperk nog op een persoonlijke effectiviteits-heisessie kauwen? Ik wel hoor (al vind ik een banaan lekkerder om op te knagen, maar dat geheel terzijde). Als werkend aapje heb ik altijd genoeg te leren qua efficiency en effectiviteit en de onderliggende drijfveren waarom ik iets doet zoals ik doe. En waarom ik meestal niet doe wat eigenlijk wel moet. Of zoiets. Enfin, via het werk ben ik sinds januari officieel in training via opleidingsinstituut ICM. Met een knus compact groepje, bestaande uit drie andere verloren werkschapen komen we één keer per maand, gedurende vier maanden samen op de trainingslocatie in Utrecht Lunetten. Daar leren we onder leiding van een coach de fijne kneepjes van dat hele effectiviteitsdenken in relatie tot werk en ook privé. De tussenliggende weken maak je opdrachten en log je al je ontwikkelingsavonturen in een online diary.

Al sinds de eerste training gedraag ik me als een voorbeeldige leerling, hetzij in het begin met wat opstartproblemos. Ingesleten gewoontes ram je er niet zo maar uit (lees: episch uitstelgedrag). Maarrr, mijn to-do-lijst op het werk is sinds ruim twee weken aardig getransformeerd van slagveld vol eindeloze taken in iets wat lijkt op een intens strakke routeplanner van een commandant die elke dag een strategie voor het volgende oorlogsjaar moet uittekenen. Volgens de kwadranten van Eisenhower (vrij vertaald: Actie/Plannen/Delegeren/Onbelangrijk) vul ik braaf mijn projecten en acties in en, probeer ik ze ook met focus in die volgorde af te werken. Lastig wordt het als ik sommige taken die snel af kunnen, verwar met taken die echt NU moeten. Want wat is nu acute noodzaak en hoezo schuif ik een project waar ik eindverantwoordelijk voor ben voor me uit? Beter check ik als communicado hoe het met de wereld is gesteld volgens de realiteit van de sociale media. Heb ik ten minste koffie-automaatgelummelmateriaal op een beetje niveau.
IMG_20180129_175143_149
Gek eigenlijk. Ik ben stuur geweest van een Acht. Een roeiboot met acht bloedeigenwijze kerels waar ik in charge was om deze roeiploeg accuraat en zonder kleerscheuren, via langsvarende binnenvaartschepen over de finish te brullen. Daar moest ik ook met focus en alertheid de juiste, meest efficiënte stuurbeslissingen maken. Daar op de klotsende kanaalwateren van de Schie had ik ook de verantwoording voor de boot en de ploeg: één fout commando en ik zou in theorie de boot, mezelf én de boys knalhard tegen een brugpijler aan kunnen sauzen. Dus basically weet ik best wel wat er op een cruciaal moment gefixt moet worden en wat niet. Maar waarom doe ik het dan niet met alle dingen in de leven? Best bijzonder.

Ander dingetje: ik vind planningen maken op het werk het meest geestdodende wat je als kantoorklerk kan doen, ooit. Maar ik weet ook dat iets inplannen ervoor zorgt dat je dingen niet op het laatste moment nog ergens in moet knallen of fixen. Serieus, eindredactie doen voor een e-zine zonder planning is géén aanrader. Tenzij je het fashionable vindt om na de klus met een grijze coupe door het leven te gaan. Maar wel gek eigenlijk; want thuis ben ik dus wél een meesterplanner. Ik kan supergoed evenementen voor vrienden organiseren, fijne vrijgezellenfeesten in elkaar klussen, citytrips regelen; alles tot in belachelijke details en in de punten verzorgd. Zelfs mijn koffer klap ik een maand voor de vakantie open: elke keer als ik wat tegenkom wat mee moet, gooi ik erin. Met een tijdig knap ingepakte koffer als resultaat. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de oprichtingsgeschiedenis van mijn eigen firma Het Aapje. Van de visie, strategie, website; alles heb ik volgens plan en in een bepaalde volgorde van belangrijkheid, met voorbedachte rade opgebouwd en opgezet. Maar toch vind ik plannen gruwelijkstom en moodkiller eerste klas. Bijzonder nietwaar?

Dus vind ik het bijna ontroerend dat ik voor mijn corporate career het kwadrant van Eisenhower, de routine van taken indelen in een zelfgetekend modelletje, nodig heb terwijl ik voor de meeste andere zaken prima de planner kan uithangen. Hier moet ik even stoppen met ouwehoeren en een kanttekening plaatsen, en terug naar mijn eerdere vraag waarom ik soms wel en soms niet kan plannen. Volgens de MBTI-kleurentest (ooit bij Marketing & Communicatie-heisessie van EY gedaan), ben ik vooral geel, groen en een beetje paars. Geel klopt als een bus, want yellow people are the most creative ones. Voor de ideale werkbalans zou ik samen moeten werken met peoples die vooral blauw (gestructureerd) zijn. Dus, het feit dat ik op het werk niet zo goed ga op (bepaalde) structuren is eigenlijk gewoon heul logisch. Maar waarom doe ik deze hele persoonlijke effectiviteits-unit dan? Omdat dit type training verbazingwekkend uitstekend werkt voor het gele zonnetje dat ik ben. Ik leer namelijk dat iets systematisch aanpakken niet per definitie supersaai hoeft te zijn. Kwadranten tekenen aan het begin van mijn werkdag vind ik in elk geval een stuk chiller dan meteen rücksichtslos de dag doorrammen zonder plan. Maar de grootste les die ik nu al heb geleerd (en die ik allang wist, maar in zo’n training altijd fijn wordt bevestigd) is dit: dat ik uitstekende communicatieskills heb zowel corporate als creatief, maar dat mijn creatieve writingskills daar mijlenver bovenuit (op)stijgen.

Of zoals juf Ank inderdaad zou zeggen: ‘dat vinden wij niet raar, dat vinden wij alleen maar heel bijzonder.’ En zo is het.

Als je vintage tv-junkie bent (like me) maar de tv-serie Luizenmoeder (NPO 3) om welke merkwaardige redenen dan ook gemist hebt en er niet over kan meepraten, ga gauw je mond spoelen of bekijk hier de Juf Ank-anthem.

Gymmen bij Cobi van de zonnebank

Jongens, ik heb bij toeval mijn eigen buurtfitnesskroeg ontdekt en ben nu al verliefd. Maak kennis met mijn nieuwe crush: Recreatiecentrum Oostervant, zo’n drie koprollen van huis vandaan. Typisch zo´n buurtvoorziening geschikt voor het hele gezin: oma stal je met een pak bingokaarten in het Wereldrestaurant (´deze week ons wereldgerecht stamppot peentjes en verse worst voor maar 7,50 euro`), de kindjes knal je in het kinderbad, de neefjes kunnen zaalhockeyen, mama hangen we aan de bokszakken voor die felbegeerde instafithotbod en papa kan zijn verroeste bowlingbal weer eens uit de kast sleuren (of doe maar niet eigenlijk). Recreatiecentrum Oostervant. Van binnen ziet het er uit zoals het klinkt: Campy en compleet over datum. Het interieur doet zo verschikkelijk pijn aan de ogen, dat het gewoon hipster is. De roodbruine bakstenen muren, de bruine tegels met die typische terracotta overloop op de vloeren en sanitair; het is heel overweldigend en intens. Het gebouw schat ik minstens dertig lentes oud. Maar wat geldt voor de tempels van de oude Grieken geldt ook voor Oostervant. Het zijn bouwwerken van het type robuuste units die moeiteloos veldslagen, krakersrellen en de immer onvermoeibare vastgoedbouwsloopkogel overleven.
Picture_20180122_090340267
Als de atoombom een keer neerklettert, dan ben ik hier aan het schuilen, zoiets. Oostervant is oud, maar alles doet het nog, en wat functioneel is ís gewoon functioneel. Verlichting is om je weg te vinden in de ruimte waar je bent, van gedempt sfeerlicht hebben ze hier nognooitniemand gehoord. En vooral: automatisering heeft nog maar mondjesmaat zijn invloed gehad op dit stokoude sporthuis. Schattig vind ik dat. Zo kom je het centrum niet binnen via een flashy poortjesscanner. Nee, hier meld je jezelf nog netjes zoals het heurt bij Cobi aan de balie. Die vervolgens je pasje scant en je een bonnetje geeft voor de gym. Voor elke sportaanbieder in Oostervant krijg je een uitdraai die je afgeeft bij je trainer als bewijs van deelname. Maar het is natuurlijk vooral om de gigantische Miss MoneyPenny-administratie op orde te houden (lees: plastic ordners vol insteekhoesjes met ledeninfo). Volkomen hysterisch en hopeloos achterhaald. Maar het werkt wel.

De fitness is dus uitbesteed, aan een org met de zalige naam Buurtfitness SportLokaal. Toegegeven, deze naam hielp niet. Dus mijn verwachtingsmanagement had ik al ingesteld op -7. Ik gokte hoogstens op vier apparaten voor buik, armen, benen plus een cardio-unit waarop je kunt faken dat je de marathon net fluitend hebt afgevinkt. Maar, toen ik de gang doorliep, langs de sportzalen voor zaalhockeytoernooien en de entree van de buurtfitness binnenwandelde slikte ik die stereotype gedachten meteen weer in. De Buurtfitness blijkt een enorme sportruimte met aparte zalen voor crossfit, groepslessen en de hoofdzaal met prima apparatuur waar op de vide, nóg meer impressive apparatuur is uitgestald. ´Hier sporten vooral de boys (uit de hood), maar iedereen is welkom natuurlijk´ vertelde de blije fitnessinstructeur blij. Dat laat ik me natuurlijk geen twee keer vertellen want het zijn precies deze hardcore buikspiermartelapparaten waar ik de komende tijd dikke vriendjes mee ga worden.

Inmiddels heb ik al flink zitten apenkooien in de fitness en het zwembad (jaja) en heb ik ook al heerlijk gesoezeld onder de zonnebank. Die laatste staat in een ruimte die je zelf moet openen met een loodzware Cluedo schatkistsleutel, uitgereikt door Cobi herself. ‘Zonnebank aub zelf schoonmaken voor de volgende gast. Danku’, hangt er in legendarische Hyves-font op een geprinte A-vier aan de muur. Want het blijft natuurlijk wel het Rotterdamse Oostervant buurtcentrum hè mensen. Niet eindeloos lullen, maar meedogenloos sporten en na afloop zelluf poetsen. Recreatiecentrum Oostervant, nu al dé ontdekking van 2018.

Sterren&Bananen aflevering #2: Falafelbowlingballen en strafrechtravioli

Bij een versgebakken nieuw jaar hoort, nog in tamelijk brakke toestand, het afstruinen van horecatentjes die ernstig van de bucketlist moeten worden afgevinkt. Rotterdam is een dramastad daarvoor, want elke dag wordt er wel een tent vertimmerd waar je ‘beste koffie’ en ‘de lekkerste sandwiches’ kunt wegtijgeren. Nja. Het is hysterisch als je bedenkt dat het over koffie en brood gaat. Spullen waar niemand de wereld mee gaat redden.

Anyway. Lot&Daan, een lunchtent in de dode hoek van de Wijnhaven, vlak naast mijn alltime favorite cocktailbar Noah en tegenover hotel CitizenM, is er zo eentje. Net vorig jaar geopend en ever since jankt iedereen van happiness in Facebookreviews. Tijd voor een monkeyinterventie. Samen met twee eetgrage vriendjes Natasha en Erik bestelde ik afgelopen zaterdag hoopvol een tafel vol lekkere dingen. Een bol met kip voor E., een quinoabowl *sigh voor N., een falafelbol voor mij. En soms weet je, nog voor je je gebit in je voedsel hebt geparkeerd: kak, ik heb het verkeerde besteld, en mijn tafelgenoten het beste van de kaart. Op het moment dat de serveerster mijn witte bol met falafel-balletjes (vier stuks nog wel, hou op met me hoor!) voor mijn neus zette viel een van de falafel-units al als een soort gefossiliseerde gekrompen bowlingbal van het broodje af, en maakte het ding een ererondje op mijn bord. Dit was echt geen sappig falafelballetje mensen, I can tell you that. Het niet-verse broodje oogde ook wat schraal zo met die vier remi-falafels. Aan de donkere kleur kon ik ook al zien dat ze te lang onder de frituurzonnebank hadden gelegen. Niet sexy. Ik sneed zo’n midget bowlingbal open. Correctie: ik probéérde een balletje open te snijden maar die besloot met een lompe sprong van mijn mes weg te escapen. Zou ik ook doen als ik mislukt was. Na handmatig gepruts zag ik al waar ik bang voor was: een compleet drooggefrituurd balletje waar alle sappige blijheid uit was verschwunden. Ik huilde van binnen. En ik huilde nog harder toen ik zag dat de yoghurtsaus, jeweet, de romige friszure saus waarin falafel lekker kan borstcrawlen, hier slechts zo’n nasty culinair lepelstreekje op het brood was. Serieus, qua sausproportionering nog niet eens genoeg als dressing over de brokjes voor de cafékat die ze niet hebben.

Lot & Daan, wat doe je me aan. Ik geef je nul sterren en ook geeneens een banaan. Nou vooruit, twee voor de moeite en nog soort van tweede kans. Want zoals ik al zei, de bol met kip van Erik zag er goddelijk uit. Een royaal stuk kippenborst (?) in veel marinade. Niet geproefd maar ik zag aan Erik dat hij één werd met zijn chille bol met kip. Ik proefde vervolgens van Natasha’s quinoa-bowl en die was supersappig, met heerlijke toppings zoals ei en zalm. Hoera! En hoewel ik zelf al vet lang over die quinoaspelt-hysterie heen ben, wil ik deze de volgende keer best bestellen. Maar dan wel in een PLAT schaaltje en niet in van die onzinnig diepe drinkbakken voor chihuahua’s aka kommen waarin ze werkelijk álles serveerden. Of doen ze dat expres om die falafelknikkers op te kunnen vangen? Aight.

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Veel beter at ik de donderdag daarvoor op de Zuidas. Tussen die kantoorunits een goeie tent vinden is nogal een project. Of het is kneiterduur en niet per se lekker. Of het is average en gewoon niet lekker. Daarbij, gewoon ‘uit eten’ op de Zuidas doet geen culinaire sterveling. Voor een beetje fatsoenlijk eten in Damsko moet je eerst je postdoc halen op alle recensies van Hiske Versprille van het Parool, alvorens ergens in een fancy tent binnen de grachtengordelperiferie te belanden (en geen meter daarbuiten) omdat Hiske twintig sterren gaf voor de gepoftgelaktgesauteerde hertenfilet maar nul voor de beschimmelde amuses. Anyway, eten in Amsterdam kan prima, maar doe je niet voor je lol bij de kantoorklerkkantines op de Zuidas. Je zou bijna denken dat ze daar desserts met stukjes creditcard erover gesprenkeld serveren, zo slecht. Maar goed. Als je er werkt zoals ik en mijn collega’s, dan maak je van een nood een deugd en ga je research doen. Ik kwam uit bij Oliver’s, een restaurant/borrelhok in de plint van advocatenkantoor Baker&McKenzie. Daar loop ik sws altijd langs als ik naar the office ga, dus ik had ‘m al in mijn ooghoekjes geregistreerd. Oliver’s is een van de horecatenten op Le Zuidas die in vergelijking met de rest, aardig goed scoort in de reviews. En dat waren 100 % geen fake reviews beste mensen. Mijn tafelgenoot en ik hadden als inzet een bord eten (zij: ravioli met pastinaak, ik salade met eend en eendendumplings) en een glaasje of twee rode Portugese wijn pp. Dat werd uiteindelijk een tamelijk late avond waarbij de glazen samen goed waren voor een royale fles Vista Nova en leeggedineerde borden aan het eind. Alles klopt hier: de bediening supervlot en lief. De sfeer van het type zaliger dan zalig; een prettige hussel van brasserie en bruin café. En dan het voedsel: de eendenborstunits waren mals, de salade erbij (die vaak een soort zielige sidekickfunctie heeft) was supergoed aangemaakt en hoefde beslist geen onzeker saladeleven te leiden. Het gedoneerde hapje ravioli met pastinaak van tafelgenoot smaakte intens romig en smeuïg. Daar zou ik rustig nog een bordje van op kunnen (de volgende keer). Vijf klinkende bananen heeft deze tent verdiend. Plus twee nieuwe klantjes voor het leven.

Vorkje prikken?
De met Sterren&Bananen overladen Oliver’s.
Lot&Daan-goedvooreenbanaan. Zelfs le website is nog niet op orde. Ik zeg niks.

Maarre, wat zal ik de volgende keer voor jullie reviewen, apenkoppen?