Het Aapje wil graag iets zeggon

Het is that time of the year again. Allerlei verkiezingen komen eraan en regeringsleiders staan weer lekker in de mediaspotlights heen en weer te paraderen. Niet omdat ze het betreffende land of stad zo kundig bij elkaar houden (of juist helemaal niet), maar omdat ze zo lekker knus ‘dicht bij het volk staan’ en zo superintens doodgewoon zijn gebleven. De zittende populaire president van Indonesië, Jokowi, heeft bijvoorbeeld een complete fanbase van duizenden aanhangers. Hij schijnt een van de eerste Indonesische presidenten te zijn die echt heel vaak bezoekjes pleegt aan de arme peoples in de kampung en desa’s. Mijn Facebook timeline knalt sowieso al weken uit elkaar van filmpjes waarin Jokowi wijken in het land bezoekt, zich door een haag van mobiele foons en gillende hoofddoekjes moet zien te rammen like a rock star next level. Dichter bij huis komen onze regeringsleiders uiteraard altijd in het nieuws met dat eeuwig uitgekauwde fietsthema. Hoe bestaat het toch dat deze bewindspersonen met loodzware landsverantwoordelijkheid, weer en wind battelen, miljoenen aan waterschade aan hun verregende maatpak riskeren omdat ze gewoon op de fiets naar het Haagse parlement rijden. Huh? Niet in een zwaargepantserde Audi A8, hoedan? Nee, dan mijn eigen Rotterdamse burgemeester Appie Aboutaleb die al tien jaar king of the hill is van de brutaalste stad van NL. Overal hangt die gast rond. Van de rauwe Tarwewijk tot Noord, van berucht Delfshaven tot aan uptown Kralingen. En wat zijn Jokowi, Rutte, Abou en consorten ondanks het hoge piefengehalte, lekker gewoon gebleven hè. Ja klopt. En poepen op de wc doen ze ook allemaal. Waarmee ik wil zeggen dat peoples met bepaalde aanzien en functie die vaak het label ‘maar ze zijn zo gewoon gebleven’ op hun voorhoofden geplakt krijgen, inderdaad ook maar gewoon mens zijn.

Ik moet bij dit soort dingen vaak aan mijn vader denken. Hij is mijn supergrote voorbeeld. Als voorzitter van de veteranen van de provincie Noord-Sulawesi zag en sprak pa veel hoogwaardigheidsbekleders, ministers, generaals, belangrijkbelangrijkmensen, jeweettog. Tel daarbij zijn sociaalmaatschappelijke rol op in de stad waar hij woonde, voor onze familie, voor de kerkgemeenschap en de buurt. In al deze gewichtige en respectabele rollen bleef pa, inderdaad U komt er al lekker in, verschrikkelijk ‘gewoon’. Elke zaterdagochtend wandelde hij op zijn dooie gemakkie in t-shirt en celana kolor (korte broek) naar de markt voor verse vis en groenten. En lulde hij vervolgens zijn hele ochtend vol, gezellie samen met de marktlui en bekenden uit het dorp. Met exact dezelfde jovialiteit als waarmee hij met een willekeurige generaal sprak. Pa had sowieso de gave om met werkelijk íedereen te praten. Of die persoon nou twintig militaire ordes op zijn jasje had hangen of dat het een straatarme satéverkoper was. Voor iedereen had pa een bemoedigend woord, een verhaal (over voetbal) en meestal ook een dijk van een mopje over. Pa maakte geen onderscheid in rangen of standen. Want pa zag altijd de mens voor zich. Voor dorpsgenoten die het moeilijk hadden bad hij en vertelde hij opbeurende verhalen. Verwaande pipo’s met stropdas won pa altijd voor zich met zijn charme en met behulp van een geintje. Pa kon de sfeer opwarmen en ontdooien at the same time. Meesterlijk.

Ik dank God op my bare knees dat ik deze eigenschap van pa heb geërfd. Mijn karakter volgt hem hierin als twee druppels watert. En dan vooral bij de underdog in de samenleving. Bij bijna alle bedrijven waar ik heb gewerkt was ik altijd beste vriendjes met de afdelingssecretaresse. Waar andere collega’s alleen langs kwamen wanneer strikt noodzakelijk (‘heb je die afspraak al ingeboekt?’, ‘oh en waar liggen de pennen ook alweer?’), vroeg ik altijd naar andere dingen zoals hobbies en het gezin. Of ik maakte grapjes over de luidruchtige en totaal nutteloze papierversnipperaar die standaard bij het secretariaat stond weg te roesten. Maar het gaat me vooral om dit: ik heb respect voor elke managementassistente die als een vliegende keep al die stinkende kantoorafdelingen bij elkaar zit te houden. Hij of zij is niet alleen een vergaarbak van post-its en enveloppen, ben je helemaal gek geworden. Het zijn ook gewoon mensen. Net als Jokowi, Rutte en Abou. Met je paperclipvraag. Dat geldt ook voor onze schoonmaakster, de dame achter de balie bij mijn sportschool en de schoonmakers die de treinprullenbakken legen. Ze vallen nog net niet uit het treinstel als ik hun een ‘fijne werkdag!’ wens als ik de trein uitstap. Wat een armoede denk ik dan. Dat veel treinreizigers zich blijkbaar te goed voelen om maar één simpele zin uit hun mond te produceren. Die ene zin waarmee je een kneiterhardwerkende bevolkingslaag de dag van hun leven kunt bezorgen. Het gevoel geven dat ze gewaardeerd worden. Geldt ook voor de bouwvakker die laatst de gasleidingen voor het huis aan het fiksen was en in onze keukens de gasfornuizen dubbel moest checken. Glimmend van trots vertelde hij over zijn eigen aannemersbedrijf dat hij samen met zijn vader met bloedzweettranen uit de grond had gestampt. Dat verhaal kon hij bij mij kwijt, gewoon, omdat ik hem een vraag stelde. Uit interesse. Uit nieuwsgierigheid. Het is echt niet zo moeilijk hoor mensen. Gewoon een beetje lief zijn voor elkaar. Wees onbevreesd en kijk door maskers, directeurenpraat, brallende pipo’s met stropdas en bescheiden harde werkers heen. De premier zit op de wc, net zoals jij en ik. Net zoals de peoples die de (openbare) toiletten schoonmaken waar jij, ik zij en jullie op zitten. Ook die verdienen een ‘fijne werkdag!’ en een ‘goedenavond’. En misschien nog wel een tikkie meer van je aandacht, een bemoedigend schouderklopje als de situatie dat toelaat. Ja, we zijn allemaal mopperende belastingbetalers, alles kost duur, het Hollandse weer sucks, we zijn druk en janken hard als de kantoorpennen op zijn (bij wijze van, bij wijze van). Maar aandacht voor de ander hebben en houden, jezelf niet beter, maar ook beslist niet minder voelen dan je medemens, kost niets in deze maatschappij. Het kost je hooguit het kweken van meer
B.E.W.U.S.T.Z.I.J.N. Niet opzoeken in een woordenboek. Gewoon doen. Lobi, joe!

Oud West Thuis Best

Ik ben import-Rotterdammert. Mezelf geïmporteerd naar de stoffige straten van het Oude Westen. Mijn actieradius concentreert zich grofweg tussen het Weena/Beukelsdijk, West-Kruiskade en de Nieuwe Binnenweg. In die driehoek zit alles wat ik nodig heb: mijn favo fluffy pancaketent (Altijd in de Buurt), de buurtgym, de Chinatown voedselstrip over de gehele lengte van de West-Kruiskade tot aan de Eerste Middellandstraat. In theorie kun je jezelf letterlijk doodeten aan voedsel in al die eettentjes en je salaris stukslaan in de Asian supermarkets. Omdat het kan. En dan heb je mijn stokoude huisarts, dokter Oudemans op de ´s Gravendijkwal, die niet onder de indruk is van wat voor hysterische kwaal je dan ook naar de spreekkamer meebrengt. Deze man heeft in de roerige jaren ’80-’90, zware drugsverslaafden en crackhoertjes in zijn wachtkamer gehad. Dus hij lacht je uit hoor. Met je keelontsteking.

Het Oude Westen. Ik ben hier niet opgegroeid, maar moest als volwassene serieus opnieuw opgroeien als bewoner in een buurt met gebruiksaanwijzing. Deze hectische, luchtvervuilende brutale brulaap met een ingewikkeld verleden die het Oude Westen heet. Het doet iets met je. Slalommen tussen tüterende waggies en autoportieren die onaangekondigd openslaan en tegen je fiets en face aanknallen. Mijn middelvinger is inmiddels de meest getrainde vinger die ik heb. Jullie snappen mijn punt. Het Oude Westen. Het verkennen van deze roemruchte wijk doe je nooit alleen. Er wandelen altijd lekker neuriënde daklozen met je mee, die een muntje voor de nachtopvang aka jonko komen vragen. Ik zeg nooit get out of my air, een muntje geef ik altijd. Maar ze staan vaak nét iets te dicht op de huid. De West-Kruiskade zit sowíeso dicht op je huid. Overdag bubbly, ’s avonds een no go-area (irritant want het is de snelste weg van avondje binnenstad naar huis).

De West-Kruiskade flirt met je in de zomer wanneer je langs de bakabana- en schaafijskraampjes flaneert, samen met de buurtprinsessen met hun instagramgeboetseerde lichamen. Vriendelijk toegesproken door de coole boys van de fashionstores die altijd buiten voor hun etalages staan te shinen met hun gouden tanden. En vergeten dat ze binnen distressed jeans en shirts met v-halsjes moeten omzetten.

De West-Kruis irriteert, als je net lekker windowshopping doet in sloom Aziatisch tempo en opeens een blik white peoples vanuit je dode hoek, het nodig vindt om snel en lomp dwars door je heen te gaan lopen, hoedan. Sommige mensen zijn hier niet op hun plaats. Maar de West-Kruiskade vertedert ook. Vooral als er kleine Marokkaanse en Turkse kindjes met grote diepe ogen en lange wimpers zorgeloos uit de zijstraten komen huppelen. Straten met meestal een moeilijk heden en verleden vol inwoners met issues: de Bajonetstraat, Gouvernestraat, Johannes de Vouplein, het opgroeipleintje van doodgeschoten rapper Feis.

Daarover gesproken: yep mijn buurt het Oude Westen gedraagt zich een beetje als het Wilde Westen de laatste tijd. Fake cowboys, importlui met graftakkenfaces die met creepy souplesse en vooral nul geweten, hardvochtig en kil pistooltje trekken. Sommige mensen zijn hier gewoon niet op hun plaats.

De West-Kruis leeft dagelijks op de rand, over de rand om te overleven. De buurtbewoners zijn soms beetje doelloos, doelbewust, dwaas, dolend misschien. Maar het mixt allemaal goed en het lukt best om een beetje fatsoenlijk langs en met elkaar te bewegen en te viben. In Oud-West leven de mensen 24/7 op de rand om te leven, te overleven en soms om het juist níet te overleven.

Vandaag liep ik op de West-Kruis en zag ik bij koffietentje mr. Beans, een groepje hoodies waar geluid uit kwam. Een straatsoldaat is onlangs dan wel doodgeschoten, maar de nieuwe lichting is alweer opgestaan. Deze capuchonboys in broederschap zullen de buurtprinsessen van nu en straks willen beschermen, hier in hun Oude Westen.

Naar deze buurt heb ik mezelf geïmporteerd. En ik vind daar wat van. Sinds de schietpartijen, een buurtillusie armer maar wél een stukje wijktrots rijker. Want karakter hebben ze hier allemaal. Grote waffels, kleine hartkleppen, hard op je bek pleuren en hup, doorgaan. Ik ben hier niet opgegroeid maar boy, wat klopt het hart van het Oude Westen hard en luid en wat hoor ik die inmiddels goed mang, maar echt. Het Oude Westen, koning in het stapelen van verleden, heden, verdriet, verlies en vooruitgang. Uw import-Rotterdammert heeft gezien, gevoeld en gesproken.