Kip met tranen

Kak. Ik heb te maken met een nieuwe televisieverslaving. Op Spike tv kijk ik sinds een kleine maand vrij obsessief naar Ghost Adventures. Daarmee ben ik gelijk spuit elf want blijkbaar bestaat dit televisieprogramma al sinds 2008. Maar boeit niet. Het gaat erom dat ik inmiddels behoorlijk wat slaaptekort heb opgelopen omdat de serie pas rond middernacht begint. Wat dan wel weer toepasselijk is voor het hele programma dat draait om demonen en ronddolende geesten in gruwelijkziek vervallen kastelen en ziekenhuizen. Ik ga het Ghost Adventures-format verder niet uitleggen maar het draait om een groepje guys dat met behoorlijk geavanceerde apparatuur contact maakt met geesten. En hoe. Het is eigenlijk best eng om naar te kijken maar ik vind het dus helemaal fascinerend. Komt ook omdat ik best geloof dat er iets is tussen hemel en aarde. En geloof me, dat is er.

Ik heb een tijdje in Indonesië gewoond en daar kun je gewoon niet ongevoelig zijn voor paranormale verhalen die je daar best vaak hoort. Toen mijn oma kwam te overlijden, zagen mijn moeder, broertje en tante haar vaak verschijnen aan hun bed. Ik kan alleen maar ademloos naar dat soort verhalen luisteren. Want je zou denken dat gevoel hebben voor/met paranormale zaken dan meteen in je genen zit. Ik kan U vertellen: mij is zoiets nog nooit overkomen. Ik heb nooit geesten gezien of gevoeld. En toen een zakenrelatie die nogal spiritueel is ingesteld onlangs vroeg of ik het gevoel herken van plotselinge koude rillingen ‘want dan is je overleden vader dichtbij’, moest ik hem het antwoord helaas schuldig blijven. Misschien dat ik daarom dit soort programma’s juist heel entertaining vind. Ik ben zelf dan misschien niet het type waar geesten gezellig een bezoekje aan plegen, maar intrigerend vind ik het fenomeen wel. En ik geloof het. Toegegeven: ergens vind ik het jammer dat ik pa niet even van zijn wolkje af kan laten stappen. Een holo van papa die mij gedag komt zeggen, hoe chill is dat.

Of?
Een maandje terug besloot ik na een intense shopsessie met roomie eerder terug naar huis te lopen. Op de West-Kruiskade, home to tientallen Aziatische toko’s, restaurantjes en Turkse deli’s kreeg ik spontaan een intense snackattack. Een exotisch snackparadijs waar ik makkelijk lemper, empenada’s, sushirijst met paling of een kommetje dampende ramen achter elkaar naar binnen zou kunnen schuiven. Maar wat deed ik? Ik liep die hele Asian strip compleet voorbij en ging de Kentucky Fried Chicken in. Ja man. Binnen vijf minuten zat ik daar met een dienblad vol kippetjes in krokant jasje, friet en een Coke Zero een fastfoodbarbaar te zijn. Ik was zelf ook een beetje confuus van deze brute eetbeslissing. Maar na twee hapjes kip realiseerde ik me waarom ik hier zat. Heel gek dat ik die link niet eerder had gelegd, maar het kwam heel onverwachts snoeihard binnen.

Tijdens mijn highschooltijd in Jakarta sleurde ik papa altijd mee naar KFC als we ons maandelijkse uitje hadden. Als puber had ik blijkbaar een nogal eenzijdig smaakpalet. Of ik wilde gewoon afwisseling tussen rijsttafel en andersoortig voedsel. Naast het feit dat ik, confession, de ultieme frietjunkie ben. Anyway. Het moment dat ik de connectie zag tussen KFC, papa en mezelf, dat was hét moment dat ik genadeloos werd overvallen door emoties. Mijn oogjes liepen vol met tranen en ik liet me totaal meevoeren in een gigantische emotrip. Zat ik daar kip te eten en tranen te plengen tegelijk. Ik was totaal niet opgewassen tegen dit gevoel. Het gevoel dat papa daar naast me zat. Alsof we samen het verdriet deelden dat we elkaar zo vreselijk missen. De tastbare herinneringen die ik voelde. De quality time met pa, vergezeld door crispy stukjes kip. Het was echt een bizar en heel, heel intens gevoel. Ik kon simpelweg niet stoppen met droef zijn.

Zou dit dan mijn eerste soort van paranormale moment zijn geweest met papa? Ik zal het pa de volgende keer vragen als ik daar weer zit met een dienblad vol troostkip. Mijn eigen kip met traantjes.

Haters gonna hate

Ik was een achtjarige Pocahontas met lange paardenstaart toen ik met moeder en stiefpapa op rondreis door Spanje trok. In de la Santa Creu i Santa Eulàlia-kathedraal in Barcelona zochten we verkoeling in een van de nissen waar je even een momentje voor jezelf met een beschermheilige of Jezus zelf kon hebben. Ik herinner me dat mama me meenam naar zo’n nis waar een huge motherfucker Jezusbeeld (in kleur) aan de wand hing, bloedend en lijdend aan het kruis. Ik vond het supereng en dorste niet naar dat gevaarte aan de muur te kijken. Tot overmaat van ramp duwde mama mij een muntje in mijn hand zodat ik een donatie kon doen voor de kerk. Het donatiekistje hing – oh joy- pal naast de gespierde maar wel eng-bloedende voeten van dat Jezusbeeld. Zonder omhoog te kijken en in één rechte lijn liep ik op dat lijdende lijf af en stopte ik het muntje in de gleuf van het kistje. Met een diepe siddering door mijn hele lichaam liep ik, zonder om te kijken terug naar mama. Ik ging naast haar zitten op het houten contemplatiebankje recht tegenover zielige Jezus toen ik zag dat ze zichtbaar geëmotioneerd, lichtjes huilde. ‘Vergeet nooit dat Jezus voor ons aan het kruis is gestorven. Hij heeft voor ons geleden.’ Ik vergat mijn Jezus-fobie direct en was eigenlijk ook best onder de indruk van mama’s woorden. Tot op de dag van vandaag vind ik het Paasverhaal een indrukwekkend dingetje. Zo’n lieve gast die is gestorven voor ons allen. Tot zover mijn reli-adoratie. Een kerk zie ik verder vrij weinig van binnen.

Saillant detail is dat mijn moeder tijdens dat intense Barcelona-moment toen al getrouwd was met mijn stiefpapa, een Balinese man en dus hindu qua geloof. Mijn moeder is dus voor de liefde van geloof gehopt. Van hervormd naar het schitterende Balinese hindugeloof (wat een aangepaste religie is naar Indonesische gebruiken. Dus don’t worry: ze gooien in Bali geen peoples op de brandstapel als je van een lage kaste bent). Nu waren we binnen onze familie überhaupt al heel losjes en liberaal in onze protestants-christelijke geloofsovertuiging. Alleen mijn wijlen opa was wel redelijk godvrezend. Maar voor de rest ging niemand naar de kerk en luisterden we als familie alleen plichtsmatig en megaongeduldig naar opa’s ellenlange preken voordat we ein-de-lijk konden aanvallen op de epische familierijsttafels. Later, toen ik als brugklasser in Jakarta op een katholieke scholengemeenschap belandde, en een keer op retraite moest, zei mam: ‘laat je niet gek maken hè, je kiest zelf waar je in gelooft of niet. Dat mag je helemaal zelf bepalen.’ Die katholieke school met een norsige zuster als schooldirecteur klinkt misschien als vreemde keuze voor iemand die liberaal-christelijk is opgevoed. Maar het had meer te maken met de kwaliteit van onderwijs. Christelijke scholen hebben in de grote steden van Indonesië nou eenmaal een on point reputatie (vrij ironisch voor een moslem dominant society).

Anyway. Warum vertel ik dit op zich prachtig anekdotisch verhaaltje? Omdat het afgelopen zondag Moederdag was. Een dag waarop een gezin uit Surabaya, de tweede stad van Indonesië (vader, moeder, vier kindjes in de leeftijd van 8 t/m 14) besloot bomgordels aan hun lichamen en aan die van hun kinderen vast te klikken alsof het gezellige veiligheidsgordels voor in de auto waren. Om vervolgens met harten ramvol haat zichzelf te laten ontploffen bij drie kerken.

Op mijn katholieke middelbare school in Jakarta had ik ook moslimvriendjes en- vriendinnetjes in de klas. Liberale moslims die, als ze bij ons kwamen eten, lekker illegaal varkensvlees-vorkje zaten te prikken. Al giechelend. Omdat het kon.

Afgelopen zondag besloten radicale moslims, die blijkbaar al best een poosje in die woonwijk in Surabaya woonden, hun opgekropte haat om te zetten in bloedbommen.

Ik dank God (dus toch) op mijn blote knieën omdat ik weet dat deze wandelende haatbommen niet de meerderheid zijn. Dat ik deemoedige herinneringen heb aan moslimvriendjes die blijmoedig porky aten. En dat die vreedzame moslimgemeenschap gelukkig ook gewoon nog bestaat, hetzij in de schaduw van de radicaliserenden, the mad men.

Ik moet nu een beetje huilen. Net zoals mama toen in de kathedraal van Barcelona.

Jeremy Lam, gooi jezelf weg, pls

Stel. We voeren cultural appropiation* systematisch door. In alles wie we zijn en wat we doen. Hoe we zijn opgevoed en grootgebracht. Dan kan ik er serieus wel mee kappen. Stel je maar eens goed voor: ik heet Ramona en ben Indonesisch. Krijg ik dan de Spaanse Inquisitie achter me aan omdat ik een Spaanse naam draag? Eigenlijk zouden ze mijn ouders dan in mootjes moeten hakken. En de cultureel attaché van Scandinavië mag ook direct een soepje van mij trekken want mijn derde naam is Ingrid. Ingrid! Ja die van Henk en Ingrid. Brengt Wilders mij dan hoogstpersoonlijk in motie in de Tweede Kamer omdat ik als kroepoek een Arische naam heb? Ik zou dan namelijk naar ‘eigen cultureluur’ Dewi Sri Endang Maramis motten hete en nie anders. Daarnaast, als 100 procent Aziatische is het natuurlijk een gotspe dat ik óók nog eens ex-corpsmeisje ben, bier drink en af en toe op een zeilboot zit. Allemaal white peoples-dingen. Dus doe ik in feite aan cultural appropiation next level. Want ik adopteer gebruiken en riten van mensen die afstammen van feodale VOC-veldheren. Diezelfde gasten die onder andere Indonesië tempo doeloe hebben leeggeplunderd en uitgemoord, weet U nog wel.

Vorige week was ik woest. Ik deelde een Metro-artikel op Facebook waarin een of andere millennial-idioot met Chinese roots en arrogante kop, Jeremy Lam (zijn voornaam, oh irony), compleet los ging op de Twitters omdat een All American gurl haar schattige galafoto’s had getweet. Het meisje, Keziah is haar naam, droeg een Shanghai-dress op de foto. Zo’n kokerjurk van satijn in Chinese traditionele stijl met dat typerende hooggesloten kraagje. Ik heb zelf ook zo’n Shanghaidress aangehad op een gala. En vele clubgenoten, freundinnen en vrouwkennissen met mij. It’s just a frikkin dress. Maar deze guy vond dat Keziah die jurk, met een ‘beladen geschiedenis van vrouwelijke onderdrukking’ (wat trouwens helemaal niet waar blijkt te zijn), niet mocht dragen. Niet zij. Niet een witte vrouw. Help!

Vorige week had ik een intens rollende ogen-momentje omdat er in NL pleisters op de markt komen in verschillende huidskleuren. Hoe handig! Lekker matching met je culturele identiteit. Eindelijk geen cultural appropiation meer op het gebied van Hansaplast. Weg met blanke pleisters op zwarte wondjes, hoezee! Dat laatste gedeelte verzin ik natuurlijk maar fuck them all. Het is even om aan te geven dat deze cultural appropiation-hysterie levensgevaarlijk is. En onmiddelijk moet stoppen. Want wat gebeurt er als ik die gezellige statement zwartkleurige pleisters op mijn schaafwond plak? Krijg ik dan de hooligans van Sylvana Simons op mijn Indonesische dakpan? En oh ja. IKEA heeft al die tijd zitten cultural appropiaten met hun Zweedse gehaktballetjes. Oh oh wat een boeven. Want de originele receptuur van die ballen blijkt Turks te zijn. Joh.

Hebben de enge sekteleden van de Stichting Cultural Appropiation überhaupt de zinnen ‘ik ben geïnteresseerd in andere culturen’, ‘het is juist mooi als bepaalde cultuurgebonden dingen, gebruiken etc worden geapprecieerd door anderen?’ en ‘culturen en gebruiken assimileren omdat mensen ze overnemen in hun reizen en doorgeven aan generaties’ in hun (scheld)woordenboekje staan? Ok, dit is wel een sterk staaltje amateur-culturele antropologie maar jullie snappen mijn punt.

Terug naar Jeremy Lam. Zijn antwoord op Keziah’s tweet was letterlijk: ‘my culture is NOT your goddamn dress.’ De verstikkende bitterheid en arrogantie in de reply van Lam vind ik onthutsend en giftig. Waarom? Omdat dit soort sicko’s de sociale mediawereld een gitzwart randje meegeven. Een wereld waarin mensen elkaar vanaf hun foons en laptops laf betichten, beschimpen, veroordelen, haten en hokjesduwendoen alsof hun nutteloze leven er vanaf hangt. De heftigheid. Maar vooral met het soort gemak, flair, souplesse en plezier waar ik oprecht koud van word. Deze mensen hebben voorgoed het geciviliseerde deel van hun hersens verloren waardoor debat en fatsoen op sociale media gewoon dood zijn gegaan. Noem mij naïef en somber. Soit en dikke vinger. Met je mijn cultuur is niet jouw jurk. Jouw persoonlijkheid is werkelijk níemands cultuur, wat dacht je daarvan Jeremy Lamlul. Gooi jezelf weg Jeremy. Is echt beter voor de mensheid en sociale media. En voor de Chinese cultuur. En voor de liefde. For Christ sakes.

PS: nieuwsgierig naar het Shanghaigate-artikel? Hiero. Oh ja. Het is een artikel uit de Metro dus niet huilen als je opeens een dode link treft.

* Google maar en je kunt prima afstuderen op dit onderwerp.

Een onsje verse longen alstublieft!

Ik ga morgen naar het Erasmus MC, om vervolgens door te lopen naar de donorkoelvitrine op zoek naar nieuwe versgebakken longen (ik realiseer me dat ik hier een nogal gevoelig thema -donoren- te pakken heb, maar ik bedoel het goed). Meanwhile heb ik ook een loeiknappe chirurg gefixt die mijn hoestlongen in de ziekenhuiskliko gooit en de nieuwe units erin plakt.

Sinds ik terug ben van Indo hoest ik. En dat is nu ruim drie weken geleden en ik heb er inmiddels een dikke sik van. En dan zullen jullie denken: hoesten? Lekker boeiend? Ja mensen, het is ook totally niet boeiend. Wat het wél is: hinderlijk tot in mijn diepste DNA-vezels. Ik hoest dagelijks een heel divers repertoire bijelkaar. Van droge hoest tot hoest met slijm erin waardoor ik als een Rotterdamse havenwerker klink die al tachtig jaar aan de zware shag zit. Twee weken geleden was die hoestprikkel nog zo intens en hardnekkig, dat ik een tijdje met een emmertje naast het bed moest tukken. En voor de zekerheid plastic zakjes meenam in mijn tas als ik de deur uitging. Bang dat een hoest- slash overgeefsessie mij als een brutale kakkerlak zou overvallen. Nou heb ik al mijn hele leven lang een tamelijk hysterisch luchtwegensysteem, maar het is nou niet bepaald een God given aandoening waar ik trots mee kan shinen. Ik heb nu pilletjes tegen de hoestprikkel die je slaperig maken. Ik eet die dingen als snoepjes waardoor ik elke tien minuten van de dag een slaap lekkermoment heb. Alles voor Bassie.

Op Bali had ik uiteraard nergens last van. De luchtvochtigheid daar was sky fakking high en in de groene uitgestrekte natuureluur van de Minahasa deden mijn longen hoogstwaarschijnlijk een vet vreugdedansje. Maar hier met die malle Hollandse zomer wel warm-niet warm, heb je toch te maken met doorgaans droge binnenruimtes door verwarming die dan weer aanslaat of gewoon slechte ventilatie. En ik wijs de superdroge lucht in het vliegtuig vanaf Dubai als hoofdverdachte aan. Nou vlieg ik natuurlijk wel vaker, maar de kans is groot dat precies op deze ene vlucht die gortdroge cabinelucht flink gemixt was met keelneusvirusjes van andere passagiers.

Een bezoekje aan de huisarts wordt overigens wel steeds urgenter gezien de hits die ik krijg in Google op ‘eindeloos hoesten’. Na drie weken zelfdokteren mag je namelijk gezellig verder klagen en rochelen bij een échte dokter, jeuj. Die van mij is op vakantie tot 4 mei. Dan ben ik precies een maand aan het blaffen. En omdat ik geen carrière ambieer als hondenblaf-imitator, eis ik volgende week van de dokter een wonderpil waarmee ik binnen 1 uur volledig hoestvrij ben. Dan maar geen knappie chirurg die nieuwe longen komt implanteren.

Een huis vol schitterende zooi

Ouders worden..oud. Het woord zelf zegt het al en je doet er helemaal niets tegen. Zolang ze maar gezond verschrompelen tot rozijntjes, dan vind ik het allemaal prima. Mijn ma en stiefvader zijn anno 2018 gezond, gelukkig. Maar dat dus, ze worden ouder. Dat kan ik vooral zien aan de binnenkant van het huis in Jakarta. De hoeveelheid spullen die ze in de afgelopen jaren hebben verzameld. Bewust onbewust. Je wordt oud en je vergeet gisteren dat je vandaag die handtas bovenop de kast hebt gepositioneerd. Naast tig andere zaken die gewoon niet op die kast horen te staan. Dat werk. Het is er echt ingeslopen. Mijn ex-schoonmoeder zei altijd: ‘Geld hebben we niet maar spúllen?!’ Waarvan akte. Op de trolley bij de plasma-tv op de tweede verdieping staat een indrukwekkende verzameling dvd’s (!) en fotoboeken. Met als absolute show pony een kartonnen dvd-box in de vorm van een huis. In de raampjes (ja echt) portretten van de cast van ‘Everybody loves Raymond’. De badkamer van moeders en stiefpa is ook een soort toonkamer vol spullen die daar in principe niet helemaal horen. Een soort walk in closet en  jacuzzi in 1. Nou vooruit, handig is het wel. Douchen, aankleden en gaan met die bakbanaan.

Op de begane grond staan gelukkig geen dozen, wel veel meubels. Maar dat is niet hinderlijk, eerder functioneel. In de voor- en achterkamer, eetkamer en hal samen, kun je rustig een stoelendans-event voor 100 man plus houden. Dus je kunt hier wel wat zithoeken kwijt. Het valt me dan wel opeens weer op hoe ecclectisch de interieursmaak van moeders is. Tegen de muur tussen voor- en achterkamer, een witgeschilderde houten spiegeltafel met iets te weelderig uitgesneden krullen rondom de spiegellijst. Op het marmeren blad staan witte keramieken vogels te shinen (ik noem dit de Frans Bauertafel). Gelukkig wordt dit stukje woonwagenstyling op tijd gebroken door de rest van de meubels in Victoriaanse stijl en mahoniehouten vitrinekasten vol stijlvolle Wedgewood. Hier doe je aan Indonesische high tea met je pink omhoog, for sure.

Ik check of mijn piano het nog doet en hoor dat ‘ie net zo oud en kraai klinkt als mijn ouwelui (nee grapje, dat ding klinkt nog superhelder tot mijn grote verbazing). Ik ga meteen op zoek naar een souveniertje, een nachtblauwkleurige keramieken mini-tajine, ooit van mijn Marokko-reis meegenomen. En omdat moeders vrij vaak haar interieur omgooit, doe ik altijd Inspector Gadget na om te checken waar die tajine nu weer uithangt. Ik vond de unit uiteindelijk op het dressoir in de eetkamer (locatie nummer zes). Ik tilde nieuwsgierig het dekseltje op. Het tajine-bakje puilde uit van zilveren ringen en andere troepjes. Ik moest even lachen. Als de plastic bakken op zijn, dan zijn er blijkbaar genoeg andere opbergwegen naar Rome. Ouwe mensen en dingen. Als ze maar gezond oud worden tussen al die herinneringen en historische meuk.

Tajine jeweetog.

Tajine jeweetog.

PS: kon het toch niet laten om mijn moeder te pinpointen op die plastic containers in huis en de vet vage ‘mama weet ook niet meer wat er allemaal in zit’- inhoud daarvan. Ze beloofde plechtig een garage sale te organiseren met een van haar vriendinnen. You Go Mom. Ik kom snel checken of je dat ook gelukt is.

 

In God, Willem, Fabiola & Marieke we trust

Nu pa since 2016 onder de groene zoden ligt, doe ik aan een soort liefdadigheidsritueel waarvan ik weet dat pa dat enorm waardeert als ik in hometown Manado ben: een zondagsdienst afvinken in pa’s kerk en keihard liedjes zingen. Dit keer was extra bijzonder want vriendinnetje Natasha was mee. In het kader van de Manado hometown experience vind ik het uitzitten van een kerkdienst persoonlijk wel bucketlistdingetje. Zo’n zondagsdienst is dan meer een evenement en ‘ik doe dit ter ere van pa’ dan dat ik er persoonlijk iets uithaal. Want ik zie normaalgesproken nooit een kerk van binnen. Ja, als er een boeiende expositie is. Of bij een bruiloft. Enfin. Tas en ik trippelden dus gisteren de Gereja Riedel Wawalintouan binnen in strakke jurkjes en op stilletto’s. Menadonese chicks gaan hier namelijk altijd naar de kerk alsof ze daarna een borrel inclusief chille after hebben. Of naar een fancy fissa in een flitsende club. Dus zien we vooral glimmende, opengewerkte satijnen tubedresses, sandalen met spannende bandjes en veel bling. En al die mooie meisjes paraderen dan achter elkaar voorbij de kansel tijdens het collectemoment. De reli-catwalk noem ik dat. Ik vergeet dan gewoon de psalmen mee te zingen omdat ik jurkjes zit te keuren. Tas vond het allemaal prachtig, en was blij dat ze op het laatste moment stiefmoeders’ stilletto’s mocht lenen (fyi: stiefmoeder is een bossy zeventigplusser die zich graag laat escorteren door een fancy aangeklede entourage).

Tas en ik waren overigens lucky bastards want de dienst stond in het teken van Pasen en er was cathechisatie van een groepje prachtig uitgedoste godsvrezende jongeren. De namen van die jonge dudes en dudettes werden één voor één opgenoemd. En dát beste mensen, is wat ik zo waardeer in mijn Manadonese homies. Dat ze de vibe van het koloniale verleden zo lekker mixen met superordinaire kitsch namen van nu. Zo kan het gebeuren dat de ouders van Cornelie Pinq (!); Willem en Aneke (met 1 n), wordt gevraagd naar voren te komen. Gevolgd door nog een dozijn felicitaties voor o.a. Grashella Vabiolla en Gleydis Eklesia (fonetische spelling went wrong) en niet te vergeten voor Manchester Beckham Fujiko (ok).

Maar het allermooiste werd bewaard tot na afloop van de dienst. Toen we op slippers en hakken onder de armen via de dorpsmarkt naar huis slenterden, en een fruitverkoper keihard ‘ey Marieke!’ naar Natasha riep. Zou hij ook ‘heuj Hans!’ brullen als ik jongen en blond was geweest?

Het Aapje, Jackie Chan en de demons van Bali

Ein-de-lijk. Na een stuk of vijftig keer naar Bali te zijn geweest, en dan nét niet op het accurate Balinese fissaschema, ga ik Nyepi, het Balinese nieuwjaar, meemaken. Tijdens Nyepi worden de boze geesten volgens de Balinese mythologie volgens de Balinese kalender 24 uur intens gefopt. Door het openbare leven volledig dicht te gooien (o.a. het lamleggen van het vliegverkeer). Door binnen te blijven en de lichten uit te laten en geen vuurtjes te stoken. Op deze manier vliegen de nasty demons zo het eiland over en voorbij omdat Bali dan ‘onzichtbaar’ is. De dag ervoor is het juist bal, dan wordt er enorm veel lawaai gemaakt en zijn er carnavalachtige parades van metershoge papiermaché poppen in de vorm van superenge demonen die dwars door de Balinese dorpen zwieren.

Nichtje Nonna en ik maken het mee. Op het centrale kruispunt bij Ubud Palace en Monkey forestroad proberen we een frontrow seat te regelen. Wat niet helemaal lukt want het is festivaldruk. Maar ergens halverwege, en strategisch bij een driepoot waar vier lampen aan hangen, hebben we redelijk zicht (lees: ik moet daarvoor een paar keer ellenbogen en op mijn balletspitzen staan die ik niet heb). Het is een hypnotiserend schouwspel die Ogoh-Ogoh-parade zoals het officieel heet. Er klinkt ritmische gamelan, je ruikt wierook, je ogen prikken van de rookkanonnen en je ziet sierlijke danseressen die complete delen uit het Hindoe-epos, de Mahabarata, naspelen. Met als show ponies de Ogoh-Ogoh’s. De megagrote poppen, gemonteerd op bamboe draagschilden, getild door twintig tot dertig coole boys uit omliggende dorpen op Vans en New Balances. Maanden hebben ze aan deze units gewerkt, vergelijkbaar met die Hollandsche carnavalpraalwagens waar hele fanfaregezelschappen wekenlang aan zitten te klussen.

Het lekkere mystieke sfeertje bij Ubud Palace ging op gegeven moment wel beetje stuk tho omdat een superblije Koreaan links van mij aan mijn nichtje ongevraagd en vooral onaangekondings, het hele Wikipedia-verhaal achter Nyepi en Ogoh-Ogoh ging uitleggen. Praten Koreaanse toeristen altijd heel hard tijdens intens bijzondere momenten zoals Balinees nieuwjaar? Deze Jackie Chan made in Korea iig wel. Korea-orakel vroeg of ik ook interesse had voor zijn TEDtalk maar ik rolde al de hele tijd met de eyes, dus taaide hij op gegeven moment wel af.

Anyway, na afloop van de magische parade en onder luid applaus vulden de omliggende straatjes zich rond 23u snel weer met het paradepubliek die op zoek ging naar voedsel. Locals, toeristen onder wie de gebruikelijke jaarclubs en Coachellameisjes met poepbruine-blote-rug-jurkjes, nichtje en ik. Als de usual kuddediertjes slenterden we gemuttlich door de straten, trappend op verdwaalde bekertjes en resten Ogoh-materiaal. We aten nasi campur, dronken papayajuices en Bintang en kwamen onderweg nog een megachille ijssalon tegen met lemon merengue en cheesecake-ijs straight from heaven. Het leek wel Koningsdag. Maar dan zonder Max en Willie op Luckytv.

Hey millennial, kom hier met je boerka!

Goeie goden. Volgens mij was ik hier vorig jaar nog, maar binnen een jaar zijn ze in Indo behoorlijk in de rankings omhoog geschoten als het gaat om lesjes assertiviteit. Toen ik na veertien uur vliegen beetje versufd in de damestoiletten van Jakarta airport in de rij stond, werd ik bruut uit mijn sluimermodus getrokken door een tamelijk harde damesstem uit de rij. Vrij kordaat beet deze Indonesische dame met een bos haar op de tanden een boerka toe dat ‘híer de rij begint en dus niet dáár.’ Er kwam ook een paar heftig rollende ogen bij waar de boerka onmogelijk onderuit kon komen. De toiletjuf, duidelijk nog geen ontwikkeling doorgemaakt qua proactiviteit slash assertiviteit, probeerde de boel nog wat te sussen met ‘we doen gewoon om en om’ met die typische Indonesische gastvrijheidsglimlach. Maar het hielp niet. Kordate mevrouw legde het graag nog één keer haarfijn uit, nu aan serieus iedereen die in de rij stond: ‘luister, we staan allemaal netjes in de rij, níemand heeft het recht om voor te dringen toch? Dus deze mevrouw ook niet; dáár aansluiten dus.’ You go girl, dacht ik met een schaapachtig glimlachje op mijn gezicht. Deze pittige landgenote model tante Coby zou het prima doen op een festival-toilet hier in Holland, vol kneiterlamme bezoekers die schijt (pun intended) hebben aan plee-regels.

Van de ene verbazing direct in de andere. Thuis probeerde ik mijn jetlag weg te poetsen door een bord rijst met ayam goreng weg te tijgeren en tegelijkertijd doelloos random keukentelevisie te kijken. In mei zijn hier de provinciale verkiezingen en alle locale politici zijn druk campagne aan het voeren met onder andere televisiedebatten. Hoor ik op gegeven moment zo’n politicus met moslimkeppeltje tegen de journalist zeggen: “daar heeft u een punt. De millennials moeten op een heel andere manier benaderd worden, het penetratiepercentage in de dorpen is nog laag. Maar daar gaat mijn enthousiaste campagneteam zeker iets mee doen qua sociale media.’ Ik verslikte me in kip en een rijstkorrel. Zei die ouwe nou millennial? Na Toiletgate en dit televisieoptreden ben ik eruit. Het gaat helemaal goed komen met Indonesië. Als een vrouw een boerka op haar nummer weet te zetten, en een ouwe moslimpoliticus zijn campagnestrategie in de fine tune gaat gooien voor millennials, dan heb je me hoor.

PS:ik heb Wie is de Mol teruggekeken op Dubai International Airport en ik heb op hèt moment van onthulling iemand die naast me zat compleet doofgeschreeuwd en kapotgeknepen. Geniaal.

Het Aapje vliegt ‘m erin

Amsterdam, Oudezijds Achterburgwal zaterdagavond, 19.45u.

Dineren en drankjes doen met vier skydivegekkies. Dan ben jij als buitenstaander opeens de daredevil hoor. Iets met hol van de leeuw en kijken of je je verbaal staande kunt houden in het Chute Assis en Heads down-geweld.

Dat twee chickies uit Utrecht en twee andere chicas uit Damsko komen, en ik dus als enige vertegenwoordiger uit de Havenstad, maakte het er niet makkelijker op. ‘Ze woont in Rotterdam maar ze is wel leuk hoor.’ Nja.

Ik had in elk geval geregeld dat de fles Pinot Noir strategisch in de buurt was in de hoop dat ik, wanneer ik al wat lammer was en soepeler qua tong, opeens ook zinnig in het skydive-debat kon stiften. Of, dat ik verstopt achter de fles(sen) wijn, nog even rap op mijn foon Mashable kon afstropen op ‘Five things you desperately need to know about skydivers’.

Maar was het nodig, deze irreële angst? De angst om als enige lullenpot te moeten doen over mijn werk als redacteurcopywriter of over mijn tamelijk succesvolle fitnessregime van de afgelopen weken, nadat deze vier vliegende dudettes al een uur over the World Skydive Summit hebben zitten ouwehoeren? En je je dus realiseert hoe niet-spannend je writing career wel niet is?

Welnee joh. Skydivegekkies zijn ook maar gewone peoples. En verschrikkelijk leuk en lief ook nog. Want het ging eigenlijk 80-20 over hun passie (ugh, mag dit woord weg uit het Nederlandse vocabulaire pls). Echt waar. Tachtig procent ging over een epische verbouwing van een woning (skydivegekkie 1), over het supertoffe jurkje (van skydivegekkie 2), over de hottie tinderdate (van jarige skydivegekkie 3) en over de nieuwe baan als Transaviapiloot van skydivegekkie 4 (want wanneer je vrijwillig in de lucht figuurtjes zit te maken, dan is een kist van A naar B vliegen een fluitje van een cent natulek). Met andere woorden: het was een zalige avond.

PS: jongons, don’t worry. Ich habe keine irreële angsten. Schrijver zijn is de allermooiste baan van de hele wereld. En daarna ergens in de verte pas komt skydiven (voor beginners). Kus!

Mag ik uw aandacht voor hamburgers en friet?

Ik ben nu een kleine maand onderweg met heel uitsloverig sporten (gemiddeld vier keer per week) en het uitbannen van gezellige doordeweekse drankjes waarbij ik in het weekend (lees: een donderdag schuurt ook tegen het weekend aan duss) af en toe een cheat day mag hebben. Afgelopen donderdag voelde dus als een mooie dag om los te gaan op mijn eeuwige liefde voor friet en snacks. Het was toevallig zo’n avond na werk waarin niet-rijdende treinen vanaf Amsterdam-Zuid een hoofdrol speelden. Mijn beste escape is dan altijd om via Schiphol naar Roffa te reizen. Werkt altijd vet prima. En recht zo die gaat, liep ik van de roltrap direct door naar de Burger King. Met een frietje mayo en crispy kipnuggets ging ik met een intens gelukkige glimlach aan een tafeltje zitten. Dit dienblad vol diepgefrituurde snacks voelde niet slecht maar juist als beste besluit van de dag. Een andere beslissing die vrij rap kwam was om mijn foon een keertje onaangeroerd te laten. Want aandachtig en rustig eten past in een gezond en verantwoorde manier van consumeren. Je raakt gewoon verstandiger verzadigd i.p.v het standaard snel wegroeren van snacks (om een uur later gewoon weer trek te hebben, maar dat geheel terzijde). Enfin. Met mijn foon diep in mijn tas geduwd genoot ik van elk frietje en van elk hapje nugget. Het niet doelloos naar schermpje staren leverde ook gewoon een soort mindfulness-moment op. Wat heerlijk om een keer gewoon je omgeving te observeren. Of gewoon de tijd nemen om je knapperige nugget te bestuderen: de goudgele korst, het sappige kippenvlees (really, Ramona).

Ook was ik even vergeten hoe chill de Burger King is om mensen te observeren. En erachter komen dat de meesten toch corresponderen met het doel van Burger King: fastfood verkopen aan mensen die nul boodschap hebben aan mindfulness, aandachtig eten en rust. Welnee. Ik heb nog nooit zo veel mensen zo hard whoppers, friet en nuggets naar binnen zien werken. En die telefoons hè. Die belanden nog net niet in den slokdarm der mensheid. Naast mij zat natuurlijk zo´n paradijsvogel. Een soort theelepelvrouwtje met te grote jas en te lelijk haar. Lelijke bril ook. Ze praatte tegen haar foon. Doe ik misschien ook weleens, maar dan thuis uit het zicht van het volk. Het klonk een beetje Willy Wartaal-ish. Ze had ook een speakertje bij zich. Net gekocht, want ze frutselde het ding uit een kartonnen doosje, waarna het een prominente plek kreeg tussen de friet en haar hamburger. Tegen deze opstelling begon ze opnieuw te pruttelen. Af en toe belde ze ook (niemand). Ik kreeg een beetje een brok in mijn keel. Normaal gesproken omdat ik te gulzig een hamburger weg probeer te kauwen en nu om het hoopje sneu naast me. Is er dan niemand die dit vrouwtje opvangt of iemand die voor haar zorgt? Of misschien maakte ik me te druk en is het gewoon helemaal prima met haar en is ze met al haar beperkingen juist knap zelfstandig dat ze erop uit is en haar eigen mindfulnessmoment bij de Burger King heeft.

Wie ben ik om daarover te oordelen?