Bananen&Sterren #aflevering: Het Aapje drinkt Espresso Martini in West en eet ikan in Capelle

Ik ben een sucker voor horecatentjes waar precies één koprol voor nodig is om er te komen. Tandoor16 is net een week open en ligt op, nou ok, vijf koprollen van huis vandaan. Googlemapstechnisch op de Middellandstraat grens West-Kruiskade. Naast mr. Beans, de koffietent van de komische jongens van de BorrelnootjeZ. Sexy locatie dus. Wat ik aan ‘grand opening’-berichten in mijn Facebook timeline voorbij zag komen klonk ook veelbelovend. Dus afgelopen weekend deze new kid on the block afgevinkt. Ik kan lang lullen over ons bezoekje aan Tandoor16 maar ik kan ook kort doen:
– Malse Tandoori chicken, naanbrood als side was droog
– Extra naanbrood met dips besteld waarvan het brood vers was maar de dips niet superspannend
– Tweede bestelling naanbrood: brood was droog
– Bediening nog chaotisch: verkeerde wijnen geserveerd en bier werd omgegooid (we kregen wel nieuwe dat dan weer wel)
– Cocktails waren dramatisch slecht: de Smokey Espresso Martini kwam in een koffiekop (!) van de kringloop. Denk ik. Ik heb een theorie: melk drink je uit een beker en niet uit een theekopje want smaakt gross. Dus een Martini Espresso in een koffiekop is een regelrechte mindfuck, snap jij snap ik. Oh ja, de Del Maquey mezcal en Cubaanse koffielikeur hadden ze voor het gemak uit de cocktail gelaten, bruuuh. Dan de Peniccilin-cocktail. Die had nét de verkeerde balans tussen whiskey en Angostura bitter. Waardoor mijn tafelgenoot serieus dacht een antibiotica-shot op doktersrecept naar binnen te hebben gewerkt. Mindfuck went wrong. Niet de bedoeling toch?

De avond werd gered door dj Rupert die voor drie aardappelen en een paardenkop lekkere zwoelie plaatjes draaide. Beter staat ´ie gewoon op Superdisco of Vunzige Deuntjes, maar lief dat ie hier was. Ik weet, ik weet, elke nieuwe tent, dus ook Tandoor16, moet gewoon een beetje slack krijgen en een paar sympathieke klopjes op de schouder zodat ze helemaal trots en zelfverzekerd lekker verder kunnen bouwen aan hun nieuwe Indiase eetparel.

Maar toch blijf ik streng: cocktails moeten meteen boom shakalala on point zijn. Ter illustratie: twee weken eerder zat ik cockies te slempen bij George op de Lijnbaan boven Scharrels & Schuim. Ik vertelde de barboy dat ik van zoet en fris houd. Ik kreeg iets met matcha en rum. Het was G.O.D.D.E.L.IJ.K, ik zeg het je. En dat terwijl George zelf qua sfeer nou niet meteen een frikkin amazing smash in de face is. Eigenlijk best voorspelbaar, je weet wel zo´n ruimte met bakstenen muren voor de ´urban vibe´. Maar heee als de cocktails goed zijn, dan heb je me hoor. Conclusie: Tandoor16 moet echt nog heel veel finetunen. En op cursus bij mijn favo cocktailboys van Noah. Maar dat geheel terzijde.

Score: 1 ster en nul bananen.

Afgelopen week was ik in Capelle a/d IJssel bij oom en tante Lekransy. Oom Lekransy heeft met mijn moeder in de klas gezeten in Nieuw-Guinea en ik groeide in Groningen op met de familie Supit, de familie van tante. Behalve een avond vol mooie anekdotes en herinneringen uit Hollandia, Waai, Jakarta en Tondano, was daar natuurlijk ook eten. Sayur, babi kecap, ikan en zelfgemaakte sambal. Ik at met ontroering. Ontroerd, omdat dit eten voor mij vertrouwd voelt en heimwee tegelijk is.

Soms moet je nieuwe horeca-ontwikkelingen in de stad gewoon links laten liggen en jezelf omringen door de huiselijke warmte van superlieve peoples, samengebracht in een bordje liefdevol klaargemaakt eten. Daar kan geen fancy of foutgeproduceerde cocktail tegenop.

*Uit principe geef ik geen ratings aan familie-eten. Het is te heilig en beyond alles om sterren en bananen aan te geven. Maar dat snappen jullie wel toch?

Oh, Oh Rotterdamt de mooiste stad achter alle duinen

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Ik merk dat elke keer als ik de Westelijke tunnel van Amsterdam Centraal uitwandel, en de hoofdstedelijke lucht inadem. Die typische lichtranzige walm waar ik altijd zo goed op ging, hypnotiseert niet meer. Het is voor mij het herkenbare parfum van grachtenwater, wiet, roestende fietsen. duivenpoep en Febo-friet, maar die niet langer meer in mijn feels zit. Oh hallo Amsterdam-achterban: rustag maar. Ik zal mijn Amstelveense afkomst nooit verloochenen. Ook al kom ik daar eigenlijk nooit meer, maar ik weet waar mijn (oude) huis woont. Respect.

Maarrrr, Rotterdam begint na een dikke twee jaar serieus in mijn ziel te sluipen. Geleidelijk maar gestaag en heel doelgericht. Dat ik als een kind zo blij ben als ik weer in de trein terug zit van Damsko naar 010. Als na 40 minuten Intercity Direct snoozen, vanaf de noordzijde van het Rotterdamse spoor de zwoelie rode neonletters van mijn favo nachtclub Annabel soepel in mijn blikveld vallen. Rotterdam dat zo lekker in mijn actieradius ligt wat betreft de inwoners met grote muil en mini-hartje, de intense architectuur-eyecandy, de vrije opmars van allerlei toffe horecaconcepten en clubs. Ok, ok, ik moet kanttekening doen. De heftige discussie rondom de huidige clubscène-situation hiero, parkeren we even. De gloednieuwe club Reverse aan de Schiekade moet/gaat Roffa als nachtvlinderstad weer op de kaart brengen. Dus chill out iedereen.

Alle nachtvlinders en vlinders in de buik nog an toe en toch en toch en toch moest ik moeite doen voor deze stad. En alles waar ik moeite voor moet doen heeft direct mijn aandacht en laat ik moeilijk los. Ik lijk wat dat betreft net een guy. Als er niets meer te jagen valt dan verdwijnt de interesse rap. Amsterdam is de pretty girl die zichzelf, op het afzichtelijke af, makkelijk presenteert. Roffa? Neeuuh. Ga eerst maar even tien keer op je bek in dat rare NYC-avenue stratenpatroon. Alles rechtdoor zo die gaat en nergens van die organisch-schattige fietsbochtjes te bekennen zoals in Damsko. Nee, dan al die hinderlijke gangsta-waggies waar Roffa zo berucht om is. En als je eindelijk dat stratenpatroon doorhebt, dán ontvouwt zich ook nog eens de concrete jungle waarin je je voedsel moet gaan zoeken. Om te overleven. Koffie en eettentjes zitten, alsof ze het erom doen, vaak kneitergoed dichtgemetseld in de betonnen periferie. Verstopt als geduldige parels om ontdekt en voor eens en voor altijd omarmd en gedragen te worden. Eenmaal gevonden, dan is de gruwelijke koffie en goddelijk voedsel ook je eeuwige overwinningsbeloning. Dát is Roffa. Zoek het eerst maar ff lekker uit, genieten en de held uithangen kan altijd nog.

Och och och, wat heb ik al belachelijk vaak mijn liefde voor Roffa geuit. In mijn blogs, in mijn spoken word, in mijn amateur-instapics. In 2016 nog aarzelend en verlegen, want toen nog helemaal onder de indruk van die grote brulaap. Daarna begon de liefde geleidelijk te groeien. Niet zo moeilijk als je dan ook nog eens verliefd wordt op een geboren Rotterdammert met inderdaad een brutaal bekkie maar met een hart so so sweet.

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Maar dat ik zo verliefd ben geworden op deze stad is ironisch genoeg altijd het meest voelbaar wanneer ik pendel tussen ‘oude liefde’ Amsterdam en Rotterdamt. Nee mensen, het ís geen verraad naar dat ijdele ADE-prinsesje op haar Prinsengrachtbed (niet huilen, plagen mag). Het is gewoon een proces. Een kwestie van groeien en iets ontgroeien. Groeien naar iets nieuws. Jezelf ontwikkelen, blijven bewegen en nieuwe dingen ontdekken.

Amsterdam is where I come from. Dat gaat nooitnie weg. Maar als je vraagt wie mijn grote liefde is: ik ga nog net geen Lee Towers zingen en twintig rondjes Hofpleinfontein zwemmen. Dat laatste heb ik in 2017 overigens echt gedaan toen Feyenoord landskampioen werd. Maar dat geheel terzijde.

Ja joh, nieuwe liefdes gaan diep. Heel diep. De Monkey heeft het er maar druk mee.

Het Aapje is een woordenhosselaar met slaapgebrek

Er is een keerzijde aan die God’s Gift of Heaven van mij. Tuuuuulek is het superchill dat ik op dagelijks basis vrij soepel een stukkie tekst op papier kan fiksen, terwijl de gemiddelde landgenoot jankt als een baby bij het moeten schrijven van een sinterklaasgedicht van twintig woorden only.

Elke schrijver herkent het: het niet vantevoren te voorspellen moment dat je in de ultieme schrijfbubbel valt en gegrepen wordt door die frikkin lekkere schrijfflow waar geen einde aan lijkt te komen. En dát lieve apenkoppen, is de keerzijde. Want van die schrijfbubbel word ik junkerig. Ik raak overprikkeld en gretig door bijna alles wat ik hoor. Een zinnetje uit de Libelle (WIE LEEST DIT NOG MENSEN) kan zomaar een geniaal begin zijn voor een spoken word. Iemand die met me praat onderbreek ik opeens, omdat net dat ene zinnetje mij triggert. Alles moet meteen opgeslagen op mijn foon, in mijn hoofd. Mijn tas en thuis liggen vol opschrijfboekjes want alles wat ik hoor kan een begin zijn van alweer een intens gedicht, die minitsunami van woorden en zinnenhussels in mijn hoofd. Het is druk in die bovenkamer van me. Voorbeeld: ik hoorde Eva Jinek laatst in haar talkshow iets zeggen met ‘koekje van eigen deeg’. Niet echt een superspannende uitdrukking toch? Iedereen kent ‘m. Maar in mijn hoofd gingen koekje en eigen deeg helemaal los én een eigen leven leiden. Want wat is er mis met koekje van andermans deeg? Precies. En zo vormt zich dan een compleet nieuwe woordenwaarheid in mijn apenkop. The works. Het is rijkdom geef ik toe, dat mijn hoofd woorden weet te processen tot nieuwe dingen. Maar tis ook best vermoeiend. De hyperness ervan, snap jij snap ik.

Het is de ultieme keerzijde van mijn skills: ik slaap onrustig omdat ik tot laat in de avond door zit te schrijven en ook nog eens hardop oefen om de woorden om te zetten in een loeistrakke spoken word performance, die andere liefde die ik weer heb opgepakt. Het is ook een soort bedrijfsrisico want de schrijfbubbel is eigenlijk één grote sexy verleider; ik vergeet andere dingen sneller, negeer verplichtingen die ik heb, ik laat me gewoon als een konijn in koplampen in deze schrijfbubbel zuigen. Het is maniakaal bijna, het is intens.

Het is de reden waarom ik twee maandagen MonkeyMondayBlogs heb geskipt. Want te moe vanwege doorhaalavondenschrijfuitbarstingendingen. Boy, wat moet ik aan de slag met concealer om die insomnia-wallen weg te poetsen. Alles voor Bassie. Ik beloof u plechtig dat deze gaten in mijn blogroutine iets gaan opleveren. Om te beginnen sta ik woensdag 10 april a.s. in de voorrondes van Poetry Slam Rotterdam (KOMT ALLEN, I NEED MY FANS OUT THERE!).

Precies, deze monkey is on a mission. Dus, laat haar lekker in die schrijfbubbel. Laat haar pruttelen in haar zelfgetrokken woordensoepje. Er komen mooie dingen van. Promise.
 

Het Aapje wil graag iets zeggon

Het is that time of the year again. Allerlei verkiezingen komen eraan en regeringsleiders staan weer lekker in de mediaspotlights heen en weer te paraderen. Niet omdat ze het betreffende land of stad zo kundig bij elkaar houden (of juist helemaal niet), maar omdat ze zo lekker knus ‘dicht bij het volk staan’ en zo superintens doodgewoon zijn gebleven. De zittende populaire president van Indonesië, Jokowi, heeft bijvoorbeeld een complete fanbase van duizenden aanhangers. Hij schijnt een van de eerste Indonesische presidenten te zijn die echt heel vaak bezoekjes pleegt aan de arme peoples in de kampung en desa’s. Mijn Facebook timeline knalt sowieso al weken uit elkaar van filmpjes waarin Jokowi wijken in het land bezoekt, zich door een haag van mobiele foons en gillende hoofddoekjes moet zien te rammen like a rock star next level. Dichter bij huis komen onze regeringsleiders uiteraard altijd in het nieuws met dat eeuwig uitgekauwde fietsthema. Hoe bestaat het toch dat deze bewindspersonen met loodzware landsverantwoordelijkheid, weer en wind battelen, miljoenen aan waterschade aan hun verregende maatpak riskeren omdat ze gewoon op de fiets naar het Haagse parlement rijden. Huh? Niet in een zwaargepantserde Audi A8, hoedan? Nee, dan mijn eigen Rotterdamse burgemeester Appie Aboutaleb die al tien jaar king of the hill is van de brutaalste stad van NL. Overal hangt die gast rond. Van de rauwe Tarwewijk tot Noord, van berucht Delfshaven tot aan uptown Kralingen. En wat zijn Jokowi, Rutte, Abou en consorten ondanks het hoge piefengehalte, lekker gewoon gebleven hè. Ja klopt. En poepen op de wc doen ze ook allemaal. Waarmee ik wil zeggen dat peoples met bepaalde aanzien en functie die vaak het label ‘maar ze zijn zo gewoon gebleven’ op hun voorhoofden geplakt krijgen, inderdaad ook maar gewoon mens zijn.

Ik moet bij dit soort dingen vaak aan mijn vader denken. Hij is mijn supergrote voorbeeld. Als voorzitter van de veteranen van de provincie Noord-Sulawesi zag en sprak pa veel hoogwaardigheidsbekleders, ministers, generaals, belangrijkbelangrijkmensen, jeweettog. Tel daarbij zijn sociaalmaatschappelijke rol op in de stad waar hij woonde, voor onze familie, voor de kerkgemeenschap en de buurt. In al deze gewichtige en respectabele rollen bleef pa, inderdaad U komt er al lekker in, verschrikkelijk ‘gewoon’. Elke zaterdagochtend wandelde hij op zijn dooie gemakkie in t-shirt en celana kolor (korte broek) naar de markt voor verse vis en groenten. En lulde hij vervolgens zijn hele ochtend vol, gezellie samen met de marktlui en bekenden uit het dorp. Met exact dezelfde jovialiteit als waarmee hij met een willekeurige generaal sprak. Pa had sowieso de gave om met werkelijk íedereen te praten. Of die persoon nou twintig militaire ordes op zijn jasje had hangen of dat het een straatarme satéverkoper was. Voor iedereen had pa een bemoedigend woord, een verhaal (over voetbal) en meestal ook een dijk van een mopje over. Pa maakte geen onderscheid in rangen of standen. Want pa zag altijd de mens voor zich. Voor dorpsgenoten die het moeilijk hadden bad hij en vertelde hij opbeurende verhalen. Verwaande pipo’s met stropdas won pa altijd voor zich met zijn charme en met behulp van een geintje. Pa kon de sfeer opwarmen en ontdooien at the same time. Meesterlijk.

Ik dank God op my bare knees dat ik deze eigenschap van pa heb geërfd. Mijn karakter volgt hem hierin als twee druppels watert. En dan vooral bij de underdog in de samenleving. Bij bijna alle bedrijven waar ik heb gewerkt was ik altijd beste vriendjes met de afdelingssecretaresse. Waar andere collega’s alleen langs kwamen wanneer strikt noodzakelijk (‘heb je die afspraak al ingeboekt?’, ‘oh en waar liggen de pennen ook alweer?’), vroeg ik altijd naar andere dingen zoals hobbies en het gezin. Of ik maakte grapjes over de luidruchtige en totaal nutteloze papierversnipperaar die standaard bij het secretariaat stond weg te roesten. Maar het gaat me vooral om dit: ik heb respect voor elke managementassistente die als een vliegende keep al die stinkende kantoorafdelingen bij elkaar zit te houden. Hij of zij is niet alleen een vergaarbak van post-its en enveloppen, ben je helemaal gek geworden. Het zijn ook gewoon mensen. Net als Jokowi, Rutte en Abou. Met je paperclipvraag. Dat geldt ook voor onze schoonmaakster, de dame achter de balie bij mijn sportschool en de schoonmakers die de treinprullenbakken legen. Ze vallen nog net niet uit het treinstel als ik hun een ‘fijne werkdag!’ wens als ik de trein uitstap. Wat een armoede denk ik dan. Dat veel treinreizigers zich blijkbaar te goed voelen om maar één simpele zin uit hun mond te produceren. Die ene zin waarmee je een kneiterhardwerkende bevolkingslaag de dag van hun leven kunt bezorgen. Het gevoel geven dat ze gewaardeerd worden. Geldt ook voor de bouwvakker die laatst de gasleidingen voor het huis aan het fiksen was en in onze keukens de gasfornuizen dubbel moest checken. Glimmend van trots vertelde hij over zijn eigen aannemersbedrijf dat hij samen met zijn vader met bloedzweettranen uit de grond had gestampt. Dat verhaal kon hij bij mij kwijt, gewoon, omdat ik hem een vraag stelde. Uit interesse. Uit nieuwsgierigheid. Het is echt niet zo moeilijk hoor mensen. Gewoon een beetje lief zijn voor elkaar. Wees onbevreesd en kijk door maskers, directeurenpraat, brallende pipo’s met stropdas en bescheiden harde werkers heen. De premier zit op de wc, net zoals jij en ik. Net zoals de peoples die de (openbare) toiletten schoonmaken waar jij, ik zij en jullie op zitten. Ook die verdienen een ‘fijne werkdag!’ en een ‘goedenavond’. En misschien nog wel een tikkie meer van je aandacht, een bemoedigend schouderklopje als de situatie dat toelaat. Ja, we zijn allemaal mopperende belastingbetalers, alles kost duur, het Hollandse weer sucks, we zijn druk en janken hard als de kantoorpennen op zijn (bij wijze van, bij wijze van). Maar aandacht voor de ander hebben en houden, jezelf niet beter, maar ook beslist niet minder voelen dan je medemens, kost niets in deze maatschappij. Het kost je hooguit het kweken van meer
B.E.W.U.S.T.Z.I.J.N. Niet opzoeken in een woordenboek. Gewoon doen. Lobi, joe!

Oud West Thuis Best

Ik ben import-Rotterdammert. Mezelf geïmporteerd naar de stoffige straten van het Oude Westen. Mijn actieradius concentreert zich grofweg tussen het Weena/Beukelsdijk, West-Kruiskade en de Nieuwe Binnenweg. In die driehoek zit alles wat ik nodig heb: mijn favo fluffy pancaketent (Altijd in de Buurt), de buurtgym, de Chinatown voedselstrip over de gehele lengte van de West-Kruiskade tot aan de Eerste Middellandstraat. In theorie kun je jezelf letterlijk doodeten aan voedsel in al die eettentjes en je salaris stukslaan in de Asian supermarkets. Omdat het kan. En dan heb je mijn stokoude huisarts, dokter Oudemans op de ´s Gravendijkwal, die niet onder de indruk is van wat voor hysterische kwaal je dan ook naar de spreekkamer meebrengt. Deze man heeft in de roerige jaren ’80-’90, zware drugsverslaafden en crackhoertjes in zijn wachtkamer gehad. Dus hij lacht je uit hoor. Met je keelontsteking.

Het Oude Westen. Ik ben hier niet opgegroeid, maar moest als volwassene serieus opnieuw opgroeien als bewoner in een buurt met gebruiksaanwijzing. Deze hectische, luchtvervuilende brutale brulaap met een ingewikkeld verleden die het Oude Westen heet. Het doet iets met je. Slalommen tussen tüterende waggies en autoportieren die onaangekondigd openslaan en tegen je fiets en face aanknallen. Mijn middelvinger is inmiddels de meest getrainde vinger die ik heb. Jullie snappen mijn punt. Het Oude Westen. Het verkennen van deze roemruchte wijk doe je nooit alleen. Er wandelen altijd lekker neuriënde daklozen met je mee, die een muntje voor de nachtopvang aka jonko komen vragen. Ik zeg nooit get out of my air, een muntje geef ik altijd. Maar ze staan vaak nét iets te dicht op de huid. De West-Kruiskade zit sowíeso dicht op je huid. Overdag bubbly, ’s avonds een no go-area (irritant want het is de snelste weg van avondje binnenstad naar huis).

De West-Kruiskade flirt met je in de zomer wanneer je langs de bakabana- en schaafijskraampjes flaneert, samen met de buurtprinsessen met hun instagramgeboetseerde lichamen. Vriendelijk toegesproken door de coole boys van de fashionstores die altijd buiten voor hun etalages staan te shinen met hun gouden tanden. En vergeten dat ze binnen distressed jeans en shirts met v-halsjes moeten omzetten.

De West-Kruis irriteert, als je net lekker windowshopping doet in sloom Aziatisch tempo en opeens een blik white peoples vanuit je dode hoek, het nodig vindt om snel en lomp dwars door je heen te gaan lopen, hoedan. Sommige mensen zijn hier niet op hun plaats. Maar de West-Kruiskade vertedert ook. Vooral als er kleine Marokkaanse en Turkse kindjes met grote diepe ogen en lange wimpers zorgeloos uit de zijstraten komen huppelen. Straten met meestal een moeilijk heden en verleden vol inwoners met issues: de Bajonetstraat, Gouvernestraat, Johannes de Vouplein, het opgroeipleintje van doodgeschoten rapper Feis.

Daarover gesproken: yep mijn buurt het Oude Westen gedraagt zich een beetje als het Wilde Westen de laatste tijd. Fake cowboys, importlui met graftakkenfaces die met creepy souplesse en vooral nul geweten, hardvochtig en kil pistooltje trekken. Sommige mensen zijn hier gewoon niet op hun plaats.

De West-Kruis leeft dagelijks op de rand, over de rand om te overleven. De buurtbewoners zijn soms beetje doelloos, doelbewust, dwaas, dolend misschien. Maar het mixt allemaal goed en het lukt best om een beetje fatsoenlijk langs en met elkaar te bewegen en te viben. In Oud-West leven de mensen 24/7 op de rand om te leven, te overleven en soms om het juist níet te overleven.

Vandaag liep ik op de West-Kruis en zag ik bij koffietentje mr. Beans, een groepje hoodies waar geluid uit kwam. Een straatsoldaat is onlangs dan wel doodgeschoten, maar de nieuwe lichting is alweer opgestaan. Deze capuchonboys in broederschap zullen de buurtprinsessen van nu en straks willen beschermen, hier in hun Oude Westen.

Naar deze buurt heb ik mezelf geïmporteerd. En ik vind daar wat van. Sinds de schietpartijen, een buurtillusie armer maar wél een stukje wijktrots rijker. Want karakter hebben ze hier allemaal. Grote waffels, kleine hartkleppen, hard op je bek pleuren en hup, doorgaan. Ik ben hier niet opgegroeid maar boy, wat klopt het hart van het Oude Westen hard en luid en wat hoor ik die inmiddels goed mang, maar echt. Het Oude Westen, koning in het stapelen van verleden, heden, verdriet, verlies en vooruitgang. Uw import-Rotterdammert heeft gezien, gevoeld en gesproken.

De Top Tien Broodje Aap-blogs 2018

Hallo fans van overal ter wereld. Hier issie dan, mijn eigen top 10 aan lulverhalen. Een fijne selectie aan apenkool, van al die andere aapverhalen die jullie allemaal verplicht moesten lezon in 2018. Kom op, vooral op 1 januari is het zaak om die lamgezopen hersens vol te stoppen met intelligentie. Go!

1. Het Aapje kan heel goed plannen #not
2. Het Aapje is verliefd op de buurtgym
3. Het Aapje loert naar peoples in het zwembad
4. Het Aapje gaat los op Balinese fissa
5. Het Aapje huilt bij de KFC
6. Het Aapje is een taalopschepper
7. Het Aapje weet alles eigenlijk al
8. Het Aapje en moedermonkey
9. Het Aapje enters the start up-wereld
10. Het Aapje eet bananen, geen rapportages, snap dat nou eens.

Bonustrack: Wat de monki betreft de mooiste van 2018: Het Aapje en de uil van de Minahasa.

Kus, banaan en tot snel in 2019!

Het Aapje en de uil van de Minahasa

Het is een proces. Mijn eerste belandde op mijn rechterrib. Ik wilde het klein en privé houden, ik hoefde hiermee niet per se naar de buitenwereld te flexen. Je zou het alleen zien als je met mij naar het strand zou gaan of samen met mij onder de douche zou stoeien. Heul privé dus. Het idee voor mijn eerste ontstond op Bali, nadat ik mijn vader op 4 Maart 2016 had begraven in Tondano. ‘Anak spanggal’ noemde Maramis senior mij altijd. Het betekent ‘enige kind’ in Menadonees dialect. Ik wilde papa niet random herdenken met een ketting of een steen met zijn naam erin. Het werd ‘anak spanggal’ als kleine, intieme tattoo op mijn rechterzij, op een stukje ribbenkast om voor altijd bij me te dragen. Na pa’s overlijden dook ik in het voorjaar van 2016 the Interwebs op, verder en verder op zoek naar mijn roots. Op de Minahasa-site las ik meer over het wapen van de Minahasa. Samen met de verhalen van mijn Menadonese familie, groeide mijn patriotistische eilandgevoel. Dat groeiproces voelde als niet uit te leggen-zo-speciaal, I can tell you that allright.

Een kleine toelichting tussendoor want het kan confusing zijn als je topografie sucks en je bovendien denkt dat Noord-Sulawesi op de Noordpool ligt: Noord-Sulawesi (aka Noord-Celebes voor de ouwe kolonialen onder ons), is een van de 34 provincies van Indonesië. De hoofdstad van Noord-Sulawesi is Manado en daarom noemen we onszelf Menadonezen. De regio/streek op Noord-Sulawesi waar mijn ouders vandaan komen heet de Minahasa, dus noemen we onszelf ook wel ‘orang Minahasa’. Tondano, dat ook in de Minahasa ligt, is het geboortedorp van pa. Capisce?

Anyway. Dat groeiproces over mijn roots zette lekker door. Drie jaar later, in november van dit jaar, is de tweede gekomen. Het was een proces. Met een van mijn meest dierbare personen deelde ik deze zomer het verhaal van mijn vader, waar ik vandaan kom, mijn cultuur. We praatten over tattoos next level, over symboliek en speciale betekenissen. Over zijn cultuur, over mijn cultuur, mijn adat, zijn adat. Over rituelen vertaald naar eilandsymbolen die veel en veel verder gaan dan een blije dolfijn op je schouder. Ik dook volledig geïnspireerd door onze persoonlijke verhalen, weer in mijn eigen Minahasa-roots. Opnieuw zocht ik naar het wapen van de Minahasa op de site. Een burung manguni (wijze uil) gedragen op de krijgersleus van de Minahasa ‘I jayat usanti’ (ferm & krachtig). Gebiologeerd sloeg ik het wapen met een groots gevoel van trots en eerbiedigheid als plaatje op in mijn hoofd.

Man, wat raakte mij dit. Deze pinda die na het overlijden van haar pa, bij wijze van rouwverwerking, steeds verder onderzoekt naar wie ze is en waar ze vandaan komt. Een pattriotistisch proces dat groeide en groeide. Ik begon te denken aan een nieuwe, tweede tattoo, drie jaar na de eerste. Superkieskeurig als ik ben, vind ik maar een paar locaties op het lichaam sexy en waardig voor een permanent plaatje. Een sexywaardige plek voor een indrukwekkend plaatje met betekenis. Een plaatje dat alles zegt over mijn dna, mijn roots. Ik ging diep met het nadenkproces. Een enorm persoonlijk proces dat, drie jaar na de eerste, werkelijkheid is geworden.

Het wapen van de Minahasa, de regio waar ik, mijn ouders en voorouders vandaan komen, pronkt nu sinds een maand op de binnenkant van mijn rechteronderarm. Anderhalf uur had Amsterdamse tattookoning Fabian Manuputty nodig om ‘m te zetten. Een tijd waarin hij normaalgesproken een complete Maorisleeve rondom een biceps tattoëert. Om aan te geven hoe gedetailleerd en precies Fabian de burung manguni naar het origineel op mijn arm moest fiksen. Het is dan ook geen dolfijntje hè. Terwijl Fabian een partij inkt en naalden door mijn lederhuid ramde, vertelde hij over zijn opa die overleed toen Fabian 18 jaar oud was. Hét moment voor hem om in zijn Molukse roots te duiken. Het was mooi om verhalen over onze roots te delen. Net zoals ik al eerder in de zomer mijn verhaal had gedeeld met dierbare. Het proces klopte.
tattoo s

Nu kijk ik dagelijks naar mijn wijze uil, mijn burung manguni. Dit keer wél op een plek for everybody to see. Zodat, elke keer als iemand ernaar vraagt, ik met gepaste pattriotistische trots kan vertellen dat ik Minahasa-meisje ben. Glunderend en ‘bangga’ (= trots in het Indonesisch) loer ik nu dagelijks naar mijn fasung -Menadonees dialect voor iets dat mooi of knap is- tattoo. Ok, ok, hij is zo verschrikkelijk pretty dat ik er nu wél vaak mee flex (lees: met korte mouwen op kantoor lopen shinen al is het freaking winter) en heb ik natuurlijk allang gezorgd voor een paar vette Instadrips. All for the likes, all for the likes. Ik ben per slot van rekening een ijdel aapje, duh.

Mijn burung manguni is geland op mijn arm. Geland om voor altijd te blijven. I jayat usanti, I jayat usanti.

Voor C.

Het Aapje loert aflevering #IntercityOma’s

Tegenover mij in coupé 20242 nemen twee dames plaats. Twee dames op beheurlijke leeftijd in de vertraagde Intercity Direct richting Damsko. De ene oude bes die recht tegenover mij zit naast het raam, heeft een compleet naturel gezicht alias een kale dorre vlakte is het. Haar zou ik zonder geriatrische toestemming meteen door een 60plus make-up tutorial willen rammen. Kledingtechnisch is ze ook drama. Een donkerblauwe veelste grote jas die ze uit een kringloopboedel heeft getrokken. Denk ik. Haar reisgenote, oude bes numéro 2, uhm zullen we het daar eens over hebben: een grande dame diva next level is ze. Totaal the opposite van haar reisgenote naturel. Gehuld in een lange camelkleurige overjas met lange revers inclusief, sorry peoples, een bontkraagje. Ze is behangen met gouden juwelen en haar mond draagt fuchsia lipstick. Deze vrouw is een badass. Ze praat deftig over de aankomende ski-vakantie. Over Charlotte die meekomt. Maar Quinten en Tobias waarschijnlijk weer niet. En de dochters, die trouwens ook niet (ik tel in mijn hoofd: er blijft niemand over). La Diva praat verder: dat ze natuhhuuuuurlijk niet in Duitsland skiën. ‘want daar zijn de bergen niet hoog genoeg heurrr want we zijn natuurlijk wel ervaren skiërs. We zijn overigens wel al te laat voor de sky Thalys dus we gaan met de auto, ook wel comfortabel.’

Al die tijd heeft Mieke Make-uploos aka oude bes nummer 1, gezwegen en volslagen ongeïnteresseerd geluisterd. Wat zeg ik. Ze luisterde überhaupt niet en keek uit het raam naar langszoevende vinexwijken. Natuurlijk een stuk interessanter dan het geblaat over de wintersporrrrrt. Maar dan gebeurt het. Mieke Makeuploos takes over en begint opeens over haar familiesinterklaas. De gedichten die nu al in de maak zijn ‘wat rijmt er nu op maat 43 want dat is nu precies de schoenmaat van Hans wist je dat ie nog steeds op de wachtlijst van een nieuwe heup staat? en de caravan van de buren is ook stuk.’ La Diva trekt bleek weg achter het keurig geverfde gezicht op leeftijd. Wat moet ik met deze totaal vinexleed-achtige kapotkneuterige onderwerpen terwijl ik net mijn 50-plus goldcard heb stukgeslagen op mijn skiholiday in Quote-sferen? Je ziet haar denken. La Diva kijkt even verstoord, maar niet op een vervelende manier, naar mij. Waarschijnlijk omdat ik net die schaapachtige licht brutale ‘ik hoor alles maar doe net alsof dat niet zo is’-monkeyface op heb gezet.

Dit mensen, is goud. Ik de treinforens. De observator. De oplettende monkey. De storyteller. Ik geef jullie dit cadeau. #geendank

You do the math, I go fix bananas

Het is maandag 19 november en ik leef nog. Daar was ik vorige week niet zo zeker van toen ik de maandrapportage voor een van onze klanten moest maken. Why en hoedan schoten als hysterische neonletters door mijn hoofd. Ik probeerde nog mijn beste amateurtoneelskills erin te knallen en bij partner Gijsbregt mijn meest theatrale wanhopige alfa-gezicht op te zetten. Maar G was onverbiddelijk: ‘als je content wilt managen moet je er cijfertechnisch ook iets zinnigs over kunnen melden.’ Bruuuur ik haat U. Ook omdat ‘ie gelijk had en heeft.

Het is niet dat ik die cijfers er niet in kan kloppen. I learned the hard way (lees: versies niet of fout opslaan, bug in oude rapportage waardoor het als unreadable doc werd opgeslagen, all drama). Dus toen op gegeven moment mijn Alfatranen waren opgedroogd, vond ik het zelfs wel lachen om die grafiekjes te zien stijgen. En daar dan iets opbouwends over te melden. In wervelende tekst welteverstaan, geheel verzorgd door woordenhosselaar, Het Aapje. Echt, ik snap heus de zin wel van rapportages. Alleen ben ik het aan mijn Alfastand verplicht om daar heel hysterisch over te doen. En so I did.

Ik lach hier nog.

Ik lach hier nog.

Nee even serieus: waar ik compleet gek van word, is O.P.M.A.A.K. Dáár word ik echt een mean monkey van. Dat alles verspringt wanneer jij net alle data superstrak in een schema hebt zitten slicen. Dat letters opeens in een witte sneeuwvlakte verdwijnen op je scherm omdat je in het copy pastaproces apparently stomme codering hebt meegesleept in je ellendige non existant-opmaakskills. Dat, lieve apenkoppen, is de grootste energy drain in mijn hele leven. De opmaak. Het liefst kopieer ik dan ook complete next level dichtgetimmerd-opgemaakte en ready to re-use-plannen van anderen. Anyway, als dáár dus de boel alsnog verspringt, dan spring ik op mijn dikke beurt van een brug. In mijn hoofd dan hè. Wisten jullie trouwens dat zelfs de meest simpele opmaak in Canva verspringt? In Canva mensen!

Maar goed. Ik heb het overleefd. Ondanks het feit dat ik die bewuste dag van alle stress heb zitten survivallen op slechts 1 mini-Twix. Waarvan ik de caramelvulling gebruikt heb om mijn stukjes uit elkaar gespatte breindelen, weer aan elkaar te plakken.

Eens een hysterische Alfa, altijd een true Alfa.

PS: voor de peoples die zichzelf stuk piekeren wat ik bedoel met Alfa: dat zijn de mensen van wie het talige brein bovenmatig is ontwikkeld. Precies, dit is de bevolkingsgroep die niet kan rekenen want daar heb je die dikke nerds voor. Juist, de Bêta’s. Capisce?

Het Aapje en de Toekan 2.0

Elegante lange tafels gedekt met linnen en glaswerk. De grote hoge zaal, door de intens grote raampartijen, badend in het licht van de late novemberzon. Families van heinde en verre vorkjes prikkend en toostend op de jarige en/of jubilerende medemens. Ik kon een gevoel van behagelijke ‘gezelligheid met een classy twist’ niet onderdrukken. Goed gedaan hoor Toekan, mijn eerste indruk is een ingelijste glimlach voor boven de open haard forever. Afgelopen zondag was familie Tiwow-dag aka verrassingafscheidsdiner voor mijn mama. Locatie: van der Valk in sexy Almere. Ik geloof dat mijn laatste van der Valk-experience een kantoorseminar was van honderd jaar geleden.

Anyway, mijn tweede indruk anno 2018 deelde ik met mijn eetgrage nichtjes. Onze ogen rolden er namelijk bijna uit toen we het buffet achterin de zaal zagen. In een roes liep ik ernaartoe. Ik hoorde de oh’s en ah’s van mijn nichtjes als gedempte stemmen ver weg in mijn oorschelpen. Wat wij zagen waren langwerpige Jan des Bouvrie-ish loungeblokken waarop allerlei voedsel was gedrapeerd. Van carpaccio, biefstuk, zalmtartaar, pasteitjes, verse croissants, American pancakes, gemarineerde kip tot aan friet met kroket retteketet toe. De keuze en gevariëerdheid was intens en overviel ons allemaal een beetje. Totale anarchie overviel mij vooral. Ging ik eerst voor de zoete dingen of toch beginnen met iets warms. Of allebei tegelijk? Herinneringen aan mijn wijlen keukenkoningin aka oma Tiwow, kwamen spontaan weer naar boven: haar aanrecht in Groningen stond ook altijd permanent vol met rolkoek, kip, koekjes ‘kue biji’ en dampende rijst in de hussel. Al het eten stalde ze vervolgens in de voorraadkast. Als kind verstopte ik me daar altijd. Mijn eigen EetWonderland. Back to de Valkjes. Met grote borden tegen de borst gedrukt liepen we langs alle voedselblokken in onze eigen gekozen volgorde. Als een soort Inspectiedienst met proefbevoegdheid schepten we behendig op: zalm check, friet check, gewokte kip check. En zoals te doen gebruikelijk ging ik bloedfanatiek van start: buikje open en vullen maar. Ok, ok. De hele familie Tiwow doet dat. Eten als madmen.

Maar na bord drie werd ik overvallen door een soort gek gevoel van melancholie. Dit magische eetmoment met familie. Tuurlijk, eten met de familie is een vaste waarde, een familieritueel dat de afgelopen jaren ontelbaar vaak de revue is gepasseerd (en voor het eerst dus in een van der Valk), maar toch. Ik voelde ook een raar soort maatschappelijk besef. Er zijn te veel families op de wereld die dit níet hebben: De rijkdom van samenzijn. De warmte van de voorspelbare grapjes en de vertrouwde, al duizend keer gehoorde anekdotes, om je heen. Het uitbuikmoment, de slok champagne, de limonade. Deze enorm mooie Van der Valkzaal. Als een gevulde pastei vol mensen. Die elkaar lief vinden, elkaar waarderen en koesteren. Ook al is een familie onderhouden soms taai. Of pijnlijk of allebei tegelijk. Je houdt (alsnog) van elkaar, al vorkjeprikkend. Voor het eerst in mijn leven vond ik dit niet kapotburgerlijk, eerder ontroerend.

Allemachtig wat was dit ontroerend.