Het Aapje loert aflevering #8: apenkooien waterkooien

Zaterdagmiddag 12 uur, H&M badpakje is aan en het is weer tijd om chloorwaterlucht te snuiven. Ik heb inmiddels op verschillende dagen gezwommen en ik begin gezichten te herkennen. Gezichten die ik regelmatig tegenkom in de langzame baan. Uiteraard heb ik aan de leden van dit illustere groepje namen gegeven. ‘De kale’, een krasse kleine zestiger, een beetje chubby. De Bollyman, een Hindoestaanse gast die gezien zijn leeftijd de Spelen nooit meer gaat halen, maar wel ongeveer dezelfde ambities heeft gezien zijn zwemdrift. Mooi om te zien. Er zwemmen ook een paar vrouwen op leeftijd; sommige diepgerimpeld, sommige met overgewicht. Maar zwemmen zullen ze. Ontspannen een paar baantjes, en als het hart het niet meer trekt, dan schuifelen ze even door naar het kinderbadje met bubbels voor de rust. Ik vergeet bijna ‘Marco de stamgast’. Een veertiger met een buikje die iedereen vrolijk gedag zegt en zo ongeveer iedereen voorrang geeft bij de bochten. Hij is zo sociaal dat hij tijdens het zwemmen achterom kijkt, even checken of het met iedereen wel goed gaat. Hij roept/vraagt dan ook gewoon dingen. Dit soms tot irritatie van de rest. Geniaal.

Novotel Manado Golf Resort 2016

Novotel Manado Golf Resort 2016

Ik zie deze zaterdag een nieuw iemand aan de rand van het zwembad. Een badmutsmeisje met grote mediterraanse ogen. Ze kijkt gespannen en uitgelaten tegelijk. Gefocust inspecteert ze het water en de zwemgasten die onverbetelijk hun baantjes afvinken. Ik zie dat ze op het moment wacht dat ze ‘in kan springen’, net als bij touwtjespringen. Ze stift op gegeven moment moedig in en nadert mij aan de overkant. ‘Gaat u maar voor hoor’ roept ze bijna buiten adem. ‘Zwem je hier vaker?’ vraag ik. ‘Nou, ik heb net hiervoor zwemles gehad dus ik ga nog even door. Ik kon vroeger wel zwemmen maar heb het al heel lang niet gedaan, vandaar.’ Er klinkt veni vidi vici in haar stem door en ik geef haar een vet compliment daarvoor. ‘Dankje’ klinkt het dankbaar en blij. En hup daar gaat ze.

In de snelle baan hangt een even zo snelle boy aan de rand van het water. De snelle boy is gok ik een mid-twintiger met een gemixte achtergrond. Nederlands-Surinaams denk ik. Het levert hem in elk geval een Memphis Depay-uiterlijk en features op, maar dan zonder tats. Hij draagt een zwarte zwembroek tot de knie met daaronder een opzettelijk zichtbare Calvin Klein-dupe onderbroek. Met de wetenschap dat ie knappie is, flirt en grapt hij gul met twee vriendinnen die daar ook in het hoekje van de snelle baan chillen. Een van die chicks is – surprise surprise- een Kylie Jenner lookalike. Haar valse wimpies spot je van een kilometer afstand, zo nep. En verder lijkt ze eigenlijk helemaal niet op Kylie want ze ontbeert de dikke lippen, boobs en billen. Haar vriendin is een struise Rotterdamse; en is in het bezit van wat in de modewereld van nu in is, namelijk curvy rondingen. Ze zwemmen wat, chillen wat en maken grapjes over de rode hartvormige ballonnen en Valentijnsposters die overal in het zwembad zijn opgehangen door het management. Als de dames richting minibubbelbad vertrekken, zegt nep-Kylie tegen Depay: ‘kom je niet gezellig bubbelen dan?’ Het klonk serieus als openingszin van een sluwe verleidster uit Temptation Island.

Het is tien over half een en ik heb toch zeker een paar keer in de file gestaan dan wel een paar inhaalmanoeuvres moeten uithalen in deze langzame baan. Het chloor prikt intussen in mijn neus, het is tijd om te gaan. Tot de volgende keer Kale, Bollyman, Kylie en Memphis!

Waar zit dit zwembad vol paradijsvogels dan. Nou, hiero.

Wat heb ik in mijn Pocahontas-tas

Nog een beetje wazig bestudeerde ik vanochtend in de Intercity Direct mijn Louis Vuittonnetje qua inventaris. En opeens zag ik daar poëzie in. Zoals schrijvers, dichters dat in het algemeen doen. Dingen droogobserveren totdat die talige bovenkamer gaat werken, om het vervolgens tot een onwaarschijnlijke woordenwaterval te roeren. Oh, wat zit er dan in die Vuitton-tas Ramona, dat je bovenkamer ging steigeren? Nou gewoon, alledaagse ik-neem-mee-naar-kantoor-dingen. En toen ik ze zo schijnbaar achteloos aan het ontleden was in de Intercity Direct, ontstegen ze vanzelf hun randomness als volgt (zoek trouwens zelf even de onderwerpen van gesprek in de foto op):

Magnetronbakje met couscous, broccoli, feta en Italiaanse worst. Hier heb ik afgelopen weekend een grote pan van gemaakt en onderverdeeld in to-go-bakjes. Met mijn Spartaanse fitnessregime sinds januari is dit gewoon het beste wat me kan overkomen doordeweeks: ruim voordat ik ga trainen, gezond snaaien uit, wat ik noem, bakjes voor de blokjes (op mijn buik). Brood van de Dirk gesneden in hun fancy broodmachine, uit de diepvries in de tas gepleurd: ik ontbijt meestal wel, maar de laatste tijd probeer ik iets meer efficiency in het ochtendritueel te knallen. Want ik haat haasten in de ochtend. Dus skip ik ontbijt en smeer ik pas een bammetje als ik op the office ben. Daardoor kan ik in de ochtend iets relaxter een gezichtje tekenen met mascara, poeder en oogschaduw while drinking een vers getapt bakkie uit de Bialetti-cafetière. Oh zo luxe. Op de foto ook een bakje selleriesalade van de Dirk (die ik eigenlijk niet zo lekker vindt, die van de Appie smaakt smeuïger. Yep. Blijkbaar kan daar dus kwaliteitsverschil in zitten, in een bak dressing waar getjopte sellerie doorheen is geroerd).

Mijn allergiedildo. Ja jongens, hij lijkt daar toch op qua vorm? Deze inhalator is zelfs in de winter my best friend, en dat is niet raar maar alleen maar heel bijzonder. Want wie heeft nou last van pollen in een seizoen waar alle bloemetjes tijdelijk zijn uitgeroeid door koelkasttemperaturen? Ik. I kid you not. Chloé eau de parfum. Complete chickpopulaties op deze aardbol lopen met deze geur op. Mainstream tot op het bot maar dat boeit mij in zijn geheel niet. Feit is dat dit een machtigsexy geurtje is dat zo intens naar honing ruikt terwijl dat er niet in zit. Heerlijk, ik hou van dat ongrijpbare (want dat ben ik ook, zeggen intimi). AquaFresh Intense Clean tandpasta. Dubbelfristandpasta noem ik het. Dikke onzin natuurlijk dat 24/7-frisverhaal maar eigenlijk ook weer niet. Want na het poetsen met dit goedje voelt het alsof ik drie pakjes SportLife tegelijk weg heb zitten tijgeren. Echt meesterlijk spul.
tas

GEVONDEN! Mijn camelkleurige leren handschoenen van de H&M. Ooit ingeslagen toen de kleur camel heel de fashionwereld voor het eerst terroriseerde en daarna voorgoed alle fashionista’s in de hip-greep hield. Inmiddels compleet doorleefd maar daardoor zijn het mooi wel handschoenen met karakter. En waar ben je met je handen tegenwoordig zonder onderscheidend vermogen. Precies. Mijn ABN e-dentifier. Afgelopen maand was het bal met de bank. Internetbankieren was stuk. Niemand kon bij zijn zwaarvergaarde kapitaal. En ik kon niet online shoppen. Blah. Deze e-dentifier heb ik niet altijd bij me, maar soms moet je je geld even tussendoor kunnen witwassen. En dan kunnen de grote jongensbedragen echt niet getransfered worden zonder extra controle en dus niet zonder e-dentifier. Snap jij snap ik.

PS: Pocahontas-tas is een oud grapje van mijn jaarclub toen ik een keer met een hysterisch-kleurige rugzak naar college wilde.

Dat is niet raar, dat is alleen maar heel bijzonder

The Luizenmoederforce is strong. Ik móet wel iets uit de gelijknamige, en nu al legend megahitserie in mijn blog tweaken. De intens politiek-incorrecte Juf Ank-oneliners verdienen al een blog op zich, zo meesterlijk zijn ze. Maar misschien voor een andere keer.

Want guysgirls, ik zit sinds januari op training. En dat is ook best bijzonder. Een training geïnspireerd op de leer van managementgoeroe Stephen Covey: persoonlijke effectiviteit, dé cultklassieker onder de ontwikkelingstrainingen. En een training waarvan de naam overigens ongelofelijk in de jaren negentig is blijven hangen. Ik bedoel, wie wil in het overvolle agile – en mindfulnesstijdperk nog op een persoonlijke effectiviteits-heisessie kauwen? Ik wel hoor (al vind ik een banaan lekkerder om op te knagen, maar dat geheel terzijde). Als werkend aapje heb ik altijd genoeg te leren qua efficiency en effectiviteit en de onderliggende drijfveren waarom ik iets doet zoals ik doe. En waarom ik meestal niet doe wat eigenlijk wel moet. Of zoiets. Enfin, via het werk ben ik sinds januari officieel in training via opleidingsinstituut ICM. Met een knus compact groepje, bestaande uit drie andere verloren werkschapen komen we één keer per maand, gedurende vier maanden samen op de trainingslocatie in Utrecht Lunetten. Daar leren we onder leiding van een coach de fijne kneepjes van dat hele effectiviteitsdenken in relatie tot werk en ook privé. De tussenliggende weken maak je opdrachten en log je al je ontwikkelingsavonturen in een online diary.

Al sinds de eerste training gedraag ik me als een voorbeeldige leerling, hetzij in het begin met wat opstartproblemos. Ingesleten gewoontes ram je er niet zo maar uit (lees: episch uitstelgedrag). Maarrr, mijn to-do-lijst op het werk is sinds ruim twee weken aardig getransformeerd van slagveld vol eindeloze taken in iets wat lijkt op een intens strakke routeplanner van een commandant die elke dag een strategie voor het volgende oorlogsjaar moet uittekenen. Volgens de kwadranten van Eisenhower (vrij vertaald: Actie/Plannen/Delegeren/Onbelangrijk) vul ik braaf mijn projecten en acties in en, probeer ik ze ook met focus in die volgorde af te werken. Lastig wordt het als ik sommige taken die snel af kunnen, verwar met taken die echt NU moeten. Want wat is nu acute noodzaak en hoezo schuif ik een project waar ik eindverantwoordelijk voor ben voor me uit? Beter check ik als communicado hoe het met de wereld is gesteld volgens de realiteit van de sociale media. Heb ik ten minste koffie-automaatgelummelmateriaal op een beetje niveau.
IMG_20180129_175143_149
Gek eigenlijk. Ik ben stuur geweest van een Acht. Een roeiboot met acht bloedeigenwijze kerels waar ik in charge was om deze roeiploeg accuraat en zonder kleerscheuren, via langsvarende binnenvaartschepen over de finish te brullen. Daar moest ik ook met focus en alertheid de juiste, meest efficiënte stuurbeslissingen maken. Daar op de klotsende kanaalwateren van de Schie had ik ook de verantwoording voor de boot en de ploeg: één fout commando en ik zou in theorie de boot, mezelf én de boys knalhard tegen een brugpijler aan kunnen sauzen. Dus basically weet ik best wel wat er op een cruciaal moment gefixt moet worden en wat niet. Maar waarom doe ik het dan niet met alle dingen in de leven? Best bijzonder.

Ander dingetje: ik vind planningen maken op het werk het meest geestdodende wat je als kantoorklerk kan doen, ooit. Maar ik weet ook dat iets inplannen ervoor zorgt dat je dingen niet op het laatste moment nog ergens in moet knallen of fixen. Serieus, eindredactie doen voor een e-zine zonder planning is géén aanrader. Tenzij je het fashionable vindt om na de klus met een grijze coupe door het leven te gaan. Maar wel gek eigenlijk; want thuis ben ik dus wél een meesterplanner. Ik kan supergoed evenementen voor vrienden organiseren, fijne vrijgezellenfeesten in elkaar klussen, citytrips regelen; alles tot in belachelijke details en in de punten verzorgd. Zelfs mijn koffer klap ik een maand voor de vakantie open: elke keer als ik wat tegenkom wat mee moet, gooi ik erin. Met een tijdig knap ingepakte koffer als resultaat. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de oprichtingsgeschiedenis van mijn eigen firma Het Aapje. Van de visie, strategie, website; alles heb ik volgens plan en in een bepaalde volgorde van belangrijkheid, met voorbedachte rade opgebouwd en opgezet. Maar toch vind ik plannen gruwelijkstom en moodkiller eerste klas. Bijzonder nietwaar?

Dus vind ik het bijna ontroerend dat ik voor mijn corporate career het kwadrant van Eisenhower, de routine van taken indelen in een zelfgetekend modelletje, nodig heb terwijl ik voor de meeste andere zaken prima de planner kan uithangen. Hier moet ik even stoppen met ouwehoeren en een kanttekening plaatsen, en terug naar mijn eerdere vraag waarom ik soms wel en soms niet kan plannen. Volgens de MBTI-kleurentest (ooit bij Marketing & Communicatie-heisessie van EY gedaan), ben ik vooral geel, groen en een beetje paars. Geel klopt als een bus, want yellow people are the most creative ones. Voor de ideale werkbalans zou ik samen moeten werken met peoples die vooral blauw (gestructureerd) zijn. Dus, het feit dat ik op het werk niet zo goed ga op (bepaalde) structuren is eigenlijk gewoon heul logisch. Maar waarom doe ik deze hele persoonlijke effectiviteits-unit dan? Omdat dit type training verbazingwekkend uitstekend werkt voor het gele zonnetje dat ik ben. Ik leer namelijk dat iets systematisch aanpakken niet per definitie supersaai hoeft te zijn. Kwadranten tekenen aan het begin van mijn werkdag vind ik in elk geval een stuk chiller dan meteen rücksichtslos de dag doorrammen zonder plan. Maar de grootste les die ik nu al heb geleerd (en die ik allang wist, maar in zo’n training altijd fijn wordt bevestigd) is dit: dat ik uitstekende communicatieskills heb zowel corporate als creatief, maar dat mijn creatieve writingskills daar mijlenver bovenuit (op)stijgen.

Of zoals juf Ank inderdaad zou zeggen: ‘dat vinden wij niet raar, dat vinden wij alleen maar heel bijzonder.’ En zo is het.

Als je vintage tv-junkie bent (like me) maar de tv-serie Luizenmoeder (NPO 3) om welke merkwaardige redenen dan ook gemist hebt en er niet over kan meepraten, ga gauw je mond spoelen of bekijk hier de Juf Ank-anthem.

Gymmen bij Cobi van de zonnebank

Jongens, ik heb bij toeval mijn eigen buurtfitnesskroeg ontdekt en ben nu al verliefd. Maak kennis met mijn nieuwe crush: Recreatiecentrum Oostervant, zo’n drie koprollen van huis vandaan. Typisch zo´n buurtvoorziening geschikt voor het hele gezin: oma stal je met een pak bingokaarten in het Wereldrestaurant (´deze week ons wereldgerecht stamppot peentjes en verse worst voor maar 7,50 euro`), de kindjes knal je in het kinderbad, de neefjes kunnen zaalhockeyen, mama hangen we aan de bokszakken voor die felbegeerde instafithotbod en papa kan zijn verroeste bowlingbal weer eens uit de kast sleuren (of doe maar niet eigenlijk). Recreatiecentrum Oostervant. Van binnen ziet het er uit zoals het klinkt: Campy en compleet over datum. Het interieur doet zo verschikkelijk pijn aan de ogen, dat het gewoon hipster is. De roodbruine bakstenen muren, de bruine tegels met die typische terracotta overloop op de vloeren en sanitair; het is heel overweldigend en intens. Het gebouw schat ik minstens dertig lentes oud. Maar wat geldt voor de tempels van de oude Grieken geldt ook voor Oostervant. Het zijn bouwwerken van het type robuuste units die moeiteloos veldslagen, krakersrellen en de immer onvermoeibare vastgoedbouwsloopkogel overleven.
Picture_20180122_090340267
Als de atoombom een keer neerklettert, dan ben ik hier aan het schuilen, zoiets. Oostervant is oud, maar alles doet het nog, en wat functioneel is ís gewoon functioneel. Verlichting is om je weg te vinden in de ruimte waar je bent, van gedempt sfeerlicht hebben ze hier nognooitniemand gehoord. En vooral: automatisering heeft nog maar mondjesmaat zijn invloed gehad op dit stokoude sporthuis. Schattig vind ik dat. Zo kom je het centrum niet binnen via een flashy poortjesscanner. Nee, hier meld je jezelf nog netjes zoals het heurt bij Cobi aan de balie. Die vervolgens je pasje scant en je een bonnetje geeft voor de gym. Voor elke sportaanbieder in Oostervant krijg je een uitdraai die je afgeeft bij je trainer als bewijs van deelname. Maar het is natuurlijk vooral om de gigantische Miss MoneyPenny-administratie op orde te houden (lees: plastic ordners vol insteekhoesjes met ledeninfo). Volkomen hysterisch en hopeloos achterhaald. Maar het werkt wel.

De fitness is dus uitbesteed, aan een org met de zalige naam Buurtfitness SportLokaal. Toegegeven, deze naam hielp niet. Dus mijn verwachtingsmanagement had ik al ingesteld op -7. Ik gokte hoogstens op vier apparaten voor buik, armen, benen plus een cardio-unit waarop je kunt faken dat je de marathon net fluitend hebt afgevinkt. Maar, toen ik de gang doorliep, langs de sportzalen voor zaalhockeytoernooien en de entree van de buurtfitness binnenwandelde slikte ik die stereotype gedachten meteen weer in. De Buurtfitness blijkt een enorme sportruimte met aparte zalen voor crossfit, groepslessen en de hoofdzaal met prima apparatuur waar op de vide, nóg meer impressive apparatuur is uitgestald. ´Hier sporten vooral de boys (uit de hood), maar iedereen is welkom natuurlijk´ vertelde de blije fitnessinstructeur blij. Dat laat ik me natuurlijk geen twee keer vertellen want het zijn precies deze hardcore buikspiermartelapparaten waar ik de komende tijd dikke vriendjes mee ga worden.

Inmiddels heb ik al flink zitten apenkooien in de fitness en het zwembad (jaja) en heb ik ook al heerlijk gesoezeld onder de zonnebank. Die laatste staat in een ruimte die je zelf moet openen met een loodzware Cluedo schatkistsleutel, uitgereikt door Cobi herself. ‘Zonnebank aub zelf schoonmaken voor de volgende gast. Danku’, hangt er in legendarische Hyves-font op een geprinte A-vier aan de muur. Want het blijft natuurlijk wel het Rotterdamse Oostervant buurtcentrum hè mensen. Niet eindeloos lullen, maar meedogenloos sporten en na afloop zelluf poetsen. Recreatiecentrum Oostervant, nu al dé ontdekking van 2018.

Sterren&Bananen aflevering #2: Falafelbowlingballen en strafrechtravioli

Bij een versgebakken nieuw jaar hoort, nog in tamelijk brakke toestand, het afstruinen van horecatentjes die ernstig van de bucketlist moeten worden afgevinkt. Rotterdam is een dramastad daarvoor, want elke dag wordt er wel een tent vertimmerd waar je ‘beste koffie’ en ‘de lekkerste sandwiches’ kunt wegtijgeren. Nja. Het is hysterisch als je bedenkt dat het over koffie en brood gaat. Spullen waar niemand de wereld mee gaat redden.

Anyway. Lot&Daan, een lunchtent in de dode hoek van de Wijnhaven, vlak naast mijn alltime favorite cocktailbar Noah en tegenover hotel CitizenM, is er zo eentje. Net vorig jaar geopend en ever since jankt iedereen van happiness in Facebookreviews. Tijd voor een monkeyinterventie. Samen met twee eetgrage vriendjes Natasha en Erik bestelde ik afgelopen zaterdag hoopvol een tafel vol lekkere dingen. Een bol met kip voor E., een quinoabowl *sigh voor N., een falafelbol voor mij. En soms weet je, nog voor je je gebit in je voedsel hebt geparkeerd: kak, ik heb het verkeerde besteld, en mijn tafelgenoten het beste van de kaart. Op het moment dat de serveerster mijn witte bol met falafel-balletjes (vier stuks nog wel, hou op met me hoor!) voor mijn neus zette viel een van de falafel-units al als een soort gefossiliseerde gekrompen bowlingbal van het broodje af, en maakte het ding een ererondje op mijn bord. Dit was echt geen sappig falafelballetje mensen, I can tell you that. Het niet-verse broodje oogde ook wat schraal zo met die vier remi-falafels. Aan de donkere kleur kon ik ook al zien dat ze te lang onder de frituurzonnebank hadden gelegen. Niet sexy. Ik sneed zo’n midget bowlingbal open. Correctie: ik probéérde een balletje open te snijden maar die besloot met een lompe sprong van mijn mes weg te escapen. Zou ik ook doen als ik mislukt was. Na handmatig gepruts zag ik al waar ik bang voor was: een compleet drooggefrituurd balletje waar alle sappige blijheid uit was verschwunden. Ik huilde van binnen. En ik huilde nog harder toen ik zag dat de yoghurtsaus, jeweet, de romige friszure saus waarin falafel lekker kan borstcrawlen, hier slechts zo’n nasty culinair lepelstreekje op het brood was. Serieus, qua sausproportionering nog niet eens genoeg als dressing over de brokjes voor de cafékat die ze niet hebben.

Lot & Daan, wat doe je me aan. Ik geef je nul sterren en ook geeneens een banaan. Nou vooruit, twee voor de moeite en nog soort van tweede kans. Want zoals ik al zei, de bol met kip van Erik zag er goddelijk uit. Een royaal stuk kippenborst (?) in veel marinade. Niet geproefd maar ik zag aan Erik dat hij één werd met zijn chille bol met kip. Ik proefde vervolgens van Natasha’s quinoa-bowl en die was supersappig, met heerlijke toppings zoals ei en zalm. Hoera! En hoewel ik zelf al vet lang over die quinoaspelt-hysterie heen ben, wil ik deze de volgende keer best bestellen. Maar dan wel in een PLAT schaaltje en niet in van die onzinnig diepe drinkbakken voor chihuahua’s aka kommen waarin ze werkelijk álles serveerden. Of doen ze dat expres om die falafelknikkers op te kunnen vangen? Aight.

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Veel beter at ik de donderdag daarvoor op de Zuidas. Tussen die kantoorunits een goeie tent vinden is nogal een project. Of het is kneiterduur en niet per se lekker. Of het is average en gewoon niet lekker. Daarbij, gewoon ‘uit eten’ op de Zuidas doet geen culinaire sterveling. Voor een beetje fatsoenlijk eten in Damsko moet je eerst je postdoc halen op alle recensies van Hiske Versprille van het Parool, alvorens ergens in een fancy tent binnen de grachtengordelperiferie te belanden (en geen meter daarbuiten) omdat Hiske twintig sterren gaf voor de gepoftgelaktgesauteerde hertenfilet maar nul voor de beschimmelde amuses. Anyway, eten in Amsterdam kan prima, maar doe je niet voor je lol bij de kantoorklerkkantines op de Zuidas. Je zou bijna denken dat ze daar desserts met stukjes creditcard erover gesprenkeld serveren, zo slecht. Maar goed. Als je er werkt zoals ik en mijn collega’s, dan maak je van een nood een deugd en ga je research doen. Ik kwam uit bij Oliver’s, een restaurant/borrelhok in de plint van advocatenkantoor Baker&McKenzie. Daar loop ik sws altijd langs als ik naar the office ga, dus ik had ‘m al in mijn ooghoekjes geregistreerd. Oliver’s is een van de horecatenten op Le Zuidas die in vergelijking met de rest, aardig goed scoort in de reviews. En dat waren 100 % geen fake reviews beste mensen. Mijn tafelgenoot en ik hadden als inzet een bord eten (zij: ravioli met pastinaak, ik salade met eend en eendendumplings) en een glaasje of twee rode Portugese wijn pp. Dat werd uiteindelijk een tamelijk late avond waarbij de glazen samen goed waren voor een royale fles Vista Nova en leeggedineerde borden aan het eind. Alles klopt hier: de bediening supervlot en lief. De sfeer van het type zaliger dan zalig; een prettige hussel van brasserie en bruin café. En dan het voedsel: de eendenborstunits waren mals, de salade erbij (die vaak een soort zielige sidekickfunctie heeft) was supergoed aangemaakt en hoefde beslist geen onzeker saladeleven te leiden. Het gedoneerde hapje ravioli met pastinaak van tafelgenoot smaakte intens romig en smeuïg. Daar zou ik rustig nog een bordje van op kunnen (de volgende keer). Vijf klinkende bananen heeft deze tent verdiend. Plus twee nieuwe klantjes voor het leven.

Vorkje prikken?
De met Sterren&Bananen overladen Oliver’s.
Lot&Daan-goedvooreenbanaan. Zelfs le website is nog niet op orde. Ik zeg niks.

Maarre, wat zal ik de volgende keer voor jullie reviewen, apenkoppen?

Kerst, kaas en nepwimpers

Mijn diva-vriendinnetje uit Jakarta heeft het net uitgemaakt met haar Italian boyfriend en wil op rebound-kerst in Europa. En ze wil kaas, appt ze nog snel. Daarom stond ze vier dagen geleden bij ons op de stoep, met een knalroze Samsonite-trolleykoffer waar met gemak vier Chineze bootvluchtelingen in passen.

Ik wijs met rollende ogen naar haar roze container-unit, “ja luister, ik móest deze Zara-winterjassen (drie stuks!) inslaan, ik run twee bedrijven in Jakarta en heb personeel, en wil hier dus niet doodvriezen, dat snap je toch wel?’

Nadat ik haar heb gevoerd met stroopwafels en wijn, ontdooit ze. En gaan we vet goed op heerlijke onderwerpen zoals de gierende corruptie in Indonesië (‘over 200 jaar is het uitgeroeid’), over het fenomeen wasmachine (‘en hoeveel betaal ik jullie schoonmaakster om mijn was te doen?’) en over de liefde. Op het laatste onderwerp lach ik haar standaard snoeihard uit. Want wie guys beoordeelt op basis van horoscoop en reportages uit de Cosmopolitan kan ik gewoon echt niet serieus nemen.

Op kerstavond is het frêle knappe poppetje opeens stil en ontwaar ik een paar traantjes. Ik zeg dat het niet erg is om een beetje de kerstblues te hebben, maar volgens haar komt het door de verkeerde wimperlijm van haar nepwimpers. Ook goed schat, wat jij wil. Het kan overigens óók gewoon slaapgebrek zijn aangezien we de avond daarvoor om 06.00 uit de Suïcide Club zijn gegooid. Wie nachtelijk Rotterdam wil beleven, krijgt het dan ook van mij. Op een presenteerblaadje vol shots en cocktails. Het werd een epische avond.

In preparation op het familiekerstdiner in Molenschot, schuiven we chill door het huis in onze kerstpyjama’s, kook ik antikater-voedsel met omelet en Hollands gehaktprutje, en vertelt la Diva meanwhile verder over haar intense leven in Jakarta. Over een van haar vriendinnen die haar droomleven leidt. Op mijn vraag wat ze precies bedoelt met droomleven, krijg ik ‘rijke man, dik huis en een Hèrmes-tas’ als antwoord. I rest my fucking case. Ook schijnt Jakarta inmiddels een gevaarlijke thug city te zijn voor chicks zoals zij. Om die reden heeft ze geblindeerde ramen in haar SUV ‘anders kom ik echt nergens’. Dit zijn van die momenten waarop ik oprecht blij ben dat ik in Nederland woon. Zo lekker normaal gebleven ook. Je hele leven op de fiets, zwierend van de Appie naar vrimibo en buurtcocktailbar, dat werk.

Aan de andere kant is het juist van een ontroerende schoonheid hoe zij vol bewondering geniet van dat kneuterigekleine hier, ver weg van die ordinaire Indonesische del die Jakarta heet. Een dappere en teringhardwerkende chick die over twee jaar haar IT-bedrijf gaat verkopen voor 2,5 miljoen dollar. Ja u leest het goed. Deze wandelende premium goldcard-monniemachine kiest ervoor om de plane te nemen naar Europa. Ze kiest Holland boven kaviaarcocktails in Jakarta skybars. Ze kiest ons little frogcountry om af te kicken van de liefde in sexy Roffa en om kerstkaas te kunnen eten bij mijn familia in het Brabantse Molenschot.

Bam, some kerstverhaaltje of niet dan apenkoppen?!

Het Aapje, confetti en de maanmannetjes

De dag waarvan je weet dat die gaat komen. En waarvan je zou willen dat die in een groot gapend Star Wars-niemandsgat was gevallen. Of nou ja, je wilt het niet maar sommige dingen vallen nou eenmaal in de categorie ‘suck it up’. Zoals het vervangen van suskasten; de sexy ventilatiekasten die in de erkers boven de raampartijen naar buiten steken.

En daarom staat Jurgen in de kamer. Een wat – je verwacht het niet- chubby kale Surinamer zonder nek. Met die o zo dwingende, streng maar rechtvaardige Creoolse ‘ik weet waar je huis woont’-stem. ‘Ik ben Jurgen en ik kom deze suskast monteren, aangenaam om met u kennis te maken.’ Aandachtig kijkt hij rond op zoek naar een strategische plek om zijn klusspullen en de nieuwe suskast tijdelijk te stallen. Er ligt nog overal confetti op het tapijt van mijn verjaardag van anderhalve maand geleden. Jurgen heeft ze inmiddels gespot en kijkt triomfantelijk: ‘zo zo, het was een feestje wel zeker’, en met dik accent: ‘wat is gebeurd op een feesje blijft op het feesje zeggen ze altijd toch.’ Ik knik instemmend. Jurgen begrijpt dingen.

Er zijn inmiddels meerdere suskastmannen in la casa gearriveerd, voor elke kamer met een oude suskast eentje. Ouwe eruut, nieuwe erin. Het lijkt wel een reorganisatie. Het aannemersbedrijf heeft duidelijk geïnvesteerd in een uniforme uitstraling van haar werknemers. De mannen dragen allemaal een marsmannetje-pak van robuust donkerblauw kunststof met overal handige klepzakken om klusmateriaal in te stallen. Maar het is vooral geassembleerd als buitenspeelpakje wanneer het tien graden vriest. Want binnen worstelen ze zichtbaar met de veelste dik gewatteerde maanpakken. Het zit ze in de weg. Een van de mannen, ik noem hem De Stille, loopt zelfs zijdelings op zijn tenen de kamers in omdat ie anders niet past. Als een Ollie in een porseleinkast.

De Stille is zo’n type bouwvakker die zich bij voorbaat al schuldig voelt vanwege de teringzooi die hij en zijn klusgappies standaard aanrichten. Onhandig en bezwaard veegt hij stof en stukken debree op, die als verbrande pepernoten op de vensterbank zijn gevallen. Wat trekt zo’n oude suskast ook een kilometer aangekoekte stof met zich mee zeg, niet normaal. De Stille stopt even met vegen en kijkt vertwijfeld naar de vloer: ‘moeten die dingen ook weggeveegd mevrouw?’ Met dingen doelt hij op mijn nu al legendarische confetti-spoor, waar Jurgen ook al zo lyrisch over was. ‘Mag blijven liggen, vind ik gezellig’, maar al gauw gooi ik ‘maar als je het opveegt ook prima’ erachteraan. De beste man kon ik simpelweg niet als een soort Assepoester de confetti laten scheiden van de dikke stofplukken. Dat zou oprecht superfeodaal zijn.

Het Aapje met bouwlaarzen. Loensend naar bouwvakkers in de Delftse spoortunnelbak in aanbouw.@privéarchief 2012

Het Aapje met bouwlaarzen. Loensend naar bouwvakkers in de Delftse spoortunnelbak in aanbouw.@privéarchief 2012

Vervolgens hoor ik Jurgen en suskastklusser 1e verdieping, Richard, reutelen over het aankomende weekend dat voor de deur staat te rammen. Richard gaat een weekendje naar Stockholm. Stockholm? Deze jongens gaan toch meestal naar Torremolinos voor een weekendje bier en wijven? Die ordinaire combi vind je niet in Stockholm heur. ‘Is in Zweden toch jeweet’, vat Jurgen topografisch nog even strak samen. Ik wilde eigenlijk vragen of Ries misschien nog naar een fancy museum gaat. In Zweden. Maar ik realiseer me dat hij ook recht heeft op bouwvakkersprivacy. Ik laat hem en zijn maten rustig de nieuwe suskasten in de raamkozijnen monteren. Wat overigens best in rap tempo wordt uitgevoerd. Ik ben er helemaal beduusd van. De hele ellendige cyclus van ‘mevrouw wij komen langs’ tot het voorspelbare ‘oh nee wij komen tóch niet morgen maar we weten voorlopig ook niet wanneer wel want de helft is ziek en we hebben te veel werk en genoeg geld dus daarom boeit het ons niet dat u nu pissig bent’, maakt meestal een stuk of tweehonderd pallets aan stresshormonen in dit kleine lichaam vrij. En dat is funest voor de wereldvrede.

Ik zwaai de maanmannen vanwege deze snelle bouwvakkersactie, nadat alles is gefixt en netjes is achtergelaten, ongekend vrolijk de deur uit. ‘Ja ff gas erop gezet want wij willen ook weekend mevrouw’ roept de Stille opeens als hij zijdelings langs me de deur uit loopt, compleet met pretbekkie. Ach ja jezus, what was I thinking ook. Deze guys willen natuurlijk ook gewoon vet weekend vieren. In Zweden. Met bier, blonde wijven en knäckebröd. What happens in Stockholm stays in Stockholm, ja toch.

Het Aapje Loert aflevering #8: Metro 51 & Lucy Zilverfolie

Alleen als het donderstraalt en regent. En alleen als de wind mij tegen de glazen kantoorplinten op de Zuidas kapotzweept, pas dán neem ik metro 51 naar de Boelelaan. Vanaf station Amsterdam Zuid is dat namelijk slechts een beschamend klein stukje metroboemelen. Een paar keer ademen en tops tien keer knipperen met de ogen en dan schuiven de deuren al open op perron Boelelaan. Maar liever schaamteloos in de metro chillen dan acht minuten lopend gemarteld worden door poepsjagrijnige weergoden.

Het is 9.45 uur als ik royaal buiten de spits in een zalig-lege metro 51 richting Westwijk stap. Ik blijf in het halletje staan dichtbij de deur die straks aan de andere kant opent op de Boelelaan. Ik heb dan al één keer ingeademd en twee keer met mijn ogen geknipperd. Totdat ik Lucy Ball zie. Althans, een exacte kopie van de belachelijk succesvolle Amerikaanse comédienne uit de jaren ’50. Met diezelfde loeigrote ogen en tuitende pin-up-mond, die Ball zo geweldig flex open kon trekken als ze weer eens in een hilarische scene was verwikkeld. Met het verschil dat deze Hollandse dubbelgangster in een scootmobiel zit. Het zwarte karretje is helemaal omwikkeld met aluminiumfolie. Het stuur, de armleuningen, alles stevig verpakt in zilverpapier. Daaromheen nog plastic folie, tegen de regen gok ik. Dat zilverpapier begrijp ik niet en daarom vind ik het dus boeiend. Een koosnaampje is meteen geboren: Lucy Z. aka Lucy Zilverfolie.

Ondertussen staart Lucy Z. strak voor zich uit, met haar gezicht richting de deur. Mijn deur die straks openschuift op de Boelelaan. En al zie ik haar markante gezicht slechts en profiel, ik voel de melancholie. Ogen die naar het niets staren. Dat had Lucy Ball ook weleens in haar schaars-serieuze momenten. Ik raak niet uitgeloerd. Niet alleen het scootmobiele kunstwerk van zilverpapier waarin Lucy Z. apathisch voor zich uit staart, maar haar hele voorkomen is het levende voorbeeld van stil verdriet en eenzaamheid. Haar baksteenrode (nep?)coupe is een eigenaardige mix van kroeskrullen en een suikerspin. Of het zijn plukken haar die te lang geen borstel hebben gezien. Op die verstikkende klittenberg pronken vijf schuifspeldjes met strass-steentjes die af en toe oplichten in het vale licht van metro 51. Een ekster had haar tot bloedens toe aangevallen. De vogel zou haar kapsel voor glitterende discobal hebben aangezien. Over het suikerspinkapsel is een kanten haarnetje gespannen dat meer weg heeft van een stuk antieke bruidssluier uit Lucy Z.’s weduwe-inboedel. Haar outfit is verder van het type droevig. Een vaalblauw regenjack, een grijsbruine sjaal uit de kringloopwinkel, haar donkerblauwe katoenen broek onder de vlekken. Daaronder gewatteerde skilaarsjes die ze waarschijnlijk thuis ook niet uitdoet vanwege onbetaalde elektriciteitsrekeningen. Lucy Z. begint te mompelen. De vorm van haar mond verraadt een wulpszoenend verleden. Ze zou nog best willen, gezien de hysterische vegen budgetroze lippenstift vlak naast haar mond en op de appeltjes van haar ingevallen wangen.

In het mandje dat aan haar stuur hangt zie ik alleen wat verkreukelde Metro-krantjes. Ik ga een beetje op mijn tenen staan om te koekeloeren of er misschien niet iets markants in dat mandje ligt. Maar tevergeefs. Het is verder leeg. Net zo leeg als haar blik. Lucy Z. mompelt nog steeds. Of misschien lipsynct ze wel een zoet jukeboxliedje, nog uit de tijd dat ze een jong blomske was. Nog twee seconden en dan trekt de metro na het stoplicht op, om vervolgens de Boelelaan aan te tikken. Ik werp nog een allerlaatste blik op de achterkant van Lucy’s scootmobiel, en dan zie ik het opeens. Aan het tassenhaakje bungelt moederziel alleen een wit fietslampje, als een eenzame kerstengel. Diep van binnen moet ik huilen. Ik huil om Lucy Zilverfolie. En mijn dag moet nog beginnen.

Lucy wie? Check het hierrr.

Sterren&Bananen aflevering #1: mascara & inktvis

Mascara is viagra voor wimpers. Vooral voor Aziatische wimpers die van zichzelf een soort immer gerade aus-model hebben: recht, kil en niet wulps krullend. De perfecte mascara vinden is topsport. Vooral om een budget-unit te vinden (lees: mascara onder de vijf euro) die mijn rechte wimpies omtovert tot sexy ass volle units die hoog de hemel in kroelen. Het is niet erg, of beter gezegd, ík vind het niet erg om hier cheap monnie aan te verspillen. Ik koop een paar van die dingen en test ze uit. Zijn ze ruk, dan leidt mijn beursgenoteerde onderneming geen verlies, doen ze het goed, dan verdienen ze eeuwige beautyroem en een gebruikersintensiteit van heb ik jou daar. Maar goed, mascara dus. Je hebt er slechte tussen zitten, niet-normaal. Ik vraag me oprecht af hoe zo’n mascaraborstel-ontwerpafdeling werkt. Ik denk dat ze testen op orks met wimpers van teflon. De Separation&Volume van Etos is zo’n mascara, waarbij de borstelvorm zo intens lomp is, dat het behalve mijn wimpies ook mijn hele oogbal dreigde te kielhalen. Gelukkig heeft de HEMA al dit wimperleed royaal goedgemaakt met hun volumemascara (4 ekkies per stuk). Een mooi en hanteerbaar fijn borsteltje dat goed separeert, verlengt en zelfs lekker vet volume geeft. Dus tien bananen voor de HEMA en nul voor Etos.
Picture_20171201_145431792

In de categorie Horeca testte ik via Foodora een bezorgmaaltijd van Street Foodies. Mijn oog viel namelijk direct op het gerecht ‘Sea foodies calamaris’ aka inktvis gevuld met varken of kip’. Bij het woordje inktvis op elke willekeurige menukaart ga ik sowieso al kwijlen, laat staan als ik lees dat octopussy gevuld is met mijn andere favoriete dier: varken of kip. En ik ga gewoon goed op onverwachte smaakcombinaties. Ik had al op ‘bestellen’ geklikt en iDeal afgevinkt, toen ergens in de verte binnen het meest verstandige deel van mijn brein, een lampje alarmerend begon te flikkeren. Gevulde inktvis en dan thuisbezorgd. Je moet wel heel superzelfverzekerd over je kookskills zijn wil je inktvis uit je koekenpan in de deliverybox laten glijden, zonder het risico dat de klant zijn gebit verliest vanwege inktvis turned into rubber. En dan gevuld ook nog. Ik vond het gerecht opeens heel ambitieus chefkokkerig klinken voor een bezorgmaaltijd, maar goed. De sea foodies calamares-bestelling was nu al onderweg en vet na aan het garen op de bagagedrager van mijn Foodora-fietsbroeder.

Uitgepakt trof ik, eerlijk is eerlijk, een very instagrammie inktvis aan. Maar ergens ook een beetje horror. De roomwitkleurige octopus zag er namelijk uit alsof kokkie een albino kakkerlak op de grill had geknald. Anyway. Ik was klaar voor de proefsessie. Wat even zoveel betekende als zorgen dat mijn voortandjes niet achterbleven in de octopus, want holy whale, wat was dit voedsel taai zeg. Geen doorkomen aan. En het allerergste: de inktvis smaakte niet (meer) naar inktvis, maar had een merkwaardige, non-descripte smaak. De vulling was ook al om te janken. Een beetje zoetig; terwijl ik juist naar die smeuïg-zoutige, iets vettige varkenssmaak verlangde, als tegenhanger van die inktvissmaak (die dus ontbrak). Wat een wanstaltig gerecht was dit zeg. Nergons mee te vergelijken, hoeft ook niet, want ik bestel sowieso nooit meer bij Street Foodies. Even serieus, voor echte inktvis moet je gewoon naar Zuidoost-Azië. Only them peoples know how to cook octopus on point and accurately. Hoeveel bananen dan voor dit gerecht? Wat denk je zelf? Ja twee stuks, voor de instagram-proof uitstraling, minus twee omdat het gerecht zo intens slecht was. Dus uiteindelijk gewoon nul.

Kakkerlak in disguise.

Kakkerlak in disguise.

Wat willen jullie dat ik de volgende keer ga testen apenkoppen van me?

‘Landgenoten, hier spreekt Het Aapje’

Dinsdag 30 oktober, the day after my silent discobirthday. Ik werk de laatste keelontstekingstuipjes weg achter La Laptop.
17.30: een Facebook-DM van Relus Breeuwsma, voorzitter CDA Zuid-Holland. Of ik zaterdag wat te doen heb. ‘Dan hoop ik aan het einde van mijn keelonsteking te zitten Relus’, typ ik kuchend terug. Relus had blijkbaar mijn laryngitis-blog gelezen want stuurt rap vijf berichtjes:
‘neem Berenburg’
‘een longdrinkglas vol’
‘in een keer’
‘ga je wel knock-out’
‘maar het helpt’
Na mijn haha-emoji komt prompt de volgende vraag: ‘Ruth (Peetoom, partijvoorzitter CDA) zoekt nog naar iemand voor het meditatief moment tijdens het congres’. Ik schreeuw het uit van vri-vra-vreugde maar dan met het geluid op mute. Ik antwoord Relus dat als ik dit doe, ik het wel op míjn manier, de monkeyway, doe. Relus snapt het meteen want ik doel op een CDA-millenialborrel waarvoor ik in opdracht een gedicht schreef en voordroeg. Een gedicht met vette knipoog waarin het talmende dertigerspubliek zich totally in herkende. Daarnaast was Ruth afgelopen zomer aanwezig bij mijn mentorspeech voor de CDA Talentacademie lichting 2016-2017, waar zij de diploma’s uitreikte. Juist. Zo speel je jezelf dus in de partijkijkert.

Donderdag 2 november, 17.14: Ruth belt me om voor te bespreken en refereert direct naar mijn mentorspeech: ‘dus ik dacht dat jij dat zaterdag prima kunt doen.’ Hands down hét telefoonmoment van het jaar. Niet alleen het verzoek was een eer, maar vooral omdat Ruth mij volledige carte blanche gaf als het ging om de inhoud. Ik hoefde alleen iets te verwerken over de diversiteit aan partijgenoten en dat we samen één zijn. Ik mocht er een persoonlijk verhaal van maken, of vertellen vanuit mijn ervaring als mentor bij de Talentacademie. Prima. Ik besloot alleen aan het eerste verzoek te voldoen. Van een persoonlijk verhaal en ervaringen als mentor ben ik ver weggebleven. Een persoonlijk betoog kan de juiste snaar raken, maar het blijft linke materie. Als het niet een verhaal is van het kaliber dat het hele electoraat in de zaal ‘m voelt, of erger, een verhaal dat zorgt voor plaatsvervangende schaamte (‘ik weet nog dat mijn moeder ooit vertelde’), dan ben je serieus in de monkey gelogeerd. En ik had nog maar anderhalve dag te gaan. Ik hinkte voor het ultieme beslismoment voortdurend op twee gedachten. Of het werd een persoonlijk (mentor)verhaal óf ik ging voor de performance, een speech waar de hele zaal zich in kon vinden, minstens. Het werd het laatste.

De Monkey & de Staatssecretaris.

De Monkey & de Staatssecretaris.

En zo ontstond de speech zoals het in mijn bovenkamer altijd gaat. Vrij associëren, van een afstand naar de materie kijken en hier en daar de boel abstraheren. Dat klinkt net zo abstract als het klinkt, maar zo werkt mijn dichtende brein nou eenmaal. Sowieso ga ik altijd op zoek naar de onverwachte wending aka de witz. Tijdens mijn ontgroening bij Vindicat geleerd. Op commando, onder druk en terwijl je door de ontgroeningscie honderd keer hinderlijk onderbroken wordt, een superorigineel verhaal houden. Want inderdaad dames en heren, u leest het toch echt goed: in die kapotverwerpelijke besloten corpsballenbunker vol bier en bangalijstjes heb ik zeer zekers wat geleerd ja. Anyhow. In één middag stond de speech op papier, en na twee eindredactierondes was het af. Een speech zo breed en divers als het CDA zelf is. Met al die verschillende partijgenoten in de hoofdrol, met een grapje hier (minister Grapperhaus de columnist) en een gebbetje (Hugo’s chille schoenen) daar. In het schrijfproces ging ik al lekker op de pre-adrenaline van het aanstaande podiummoment. Die energie, die vibe combineert altijd zalig met dat dolle woordenbacchanaal in mijn hoofd.

Zaterdag 3 november, Het Concertgebouw in Nijmegen,10.00: ik vink nog wat rituelen af voorafgaand aan de speech. Ik inspecteer de zaal, check het podium en proef sfeer. Minimaal een half uur van tevoren sla ik alle social talks af en stap ik in mijn concentratie-ei. Eerder bij de podiumcheck zag ik al dat ik niet boven het kateder uitstak. Dus regelde de floormanager een kistje waar ik op kon staan. Waar anderen van zo’n last minute-ding accuut dood zouden gaan, had ik juist vet voorpret. Dit zou een supergeestige binnenkomer worden.

Grote Zaal, plenaire sessie 12.00: Ruth kondigt mij aan en nodigt mij uit het podium op te komen. De hilariteit was voelbaar in de zaal toen ik na een paar keer schuiven eindelijk op de koffer ging staan: ‘het is belangrijk dat jullie mij kunnen zien, maar belangrijker nog dat jullie mij kunnen horen’. En zo geschiedde.

No comment.

Make midgets great again.

Het is mooi als je schrijverij iets doet met het publiek. De haag aan complimenten na afloop, maar vooral dat partijgenoten zich volledig herkenden in een ‘heel helder en fris verhaal’. Als oude nestor Eelco Brinkman je vet veel schouderklopjes geeft (‘wat deze dame dus zegt’) en Mona Keijzer mijn speech technisch knap in elkaar vond steken, dan heb je me hoor. Ik voel me dankbaar dat ik mocht shinen met goed doordachte en creatieve apenkool op zo’n machtig moment. Oftewel ‘speechen in het centrum van de macht’ zoals een van mijn beste vriendjes daags na het congres appte.

Helemaal zo slecht nog niet voor een kleine apenkop, toch?

Het millenialgedicht vind je hiero. De bewuste speech vind je hieronder.