Het Aapje wil graag iets zeggon

Het is that time of the year again. Allerlei verkiezingen komen eraan en regeringsleiders staan weer lekker in de mediaspotlights heen en weer te paraderen. Niet omdat ze het betreffende land of stad zo kundig bij elkaar houden (of juist helemaal niet), maar omdat ze zo lekker knus ‘dicht bij het volk staan’ en zo superintens doodgewoon zijn gebleven. De zittende populaire president van Indonesië, Jokowi, heeft bijvoorbeeld een complete fanbase van duizenden aanhangers. Hij schijnt een van de eerste Indonesische presidenten te zijn die echt heel vaak bezoekjes pleegt aan de arme peoples in de kampung en desa’s. Mijn Facebook timeline knalt sowieso al weken uit elkaar van filmpjes waarin Jokowi wijken in het land bezoekt, zich door een haag van mobiele foons en gillende hoofddoekjes moet zien te rammen like a rock star next level. Dichter bij huis komen onze regeringsleiders uiteraard altijd in het nieuws met dat eeuwig uitgekauwde fietsthema. Hoe bestaat het toch dat deze bewindspersonen met loodzware landsverantwoordelijkheid, weer en wind battelen, miljoenen aan waterschade aan hun verregende maatpak riskeren omdat ze gewoon op de fiets naar het Haagse parlement rijden. Huh? Niet in een zwaargepantserde Audi A8, hoedan? Nee, dan mijn eigen Rotterdamse burgemeester Appie Aboutaleb die al tien jaar king of the hill is van de brutaalste stad van NL. Overal hangt die gast rond. Van de rauwe Tarwewijk tot Noord, van berucht Delfshaven tot aan uptown Kralingen. En wat zijn Jokowi, Rutte, Abou en consorten ondanks het hoge piefengehalte, lekker gewoon gebleven hè. Ja klopt. En poepen op de wc doen ze ook allemaal. Waarmee ik wil zeggen dat peoples met bepaalde aanzien en functie die vaak het label ‘maar ze zijn zo gewoon gebleven’ op hun voorhoofden geplakt krijgen, inderdaad ook maar gewoon mens zijn.

Ik moet bij dit soort dingen vaak aan mijn vader denken. Hij is mijn supergrote voorbeeld. Als voorzitter van de veteranen van de provincie Noord-Sulawesi zag en sprak pa veel hoogwaardigheidsbekleders, ministers, generaals, belangrijkbelangrijkmensen, jeweettog. Tel daarbij zijn sociaalmaatschappelijke rol op in de stad waar hij woonde, voor onze familie, voor de kerkgemeenschap en de buurt. In al deze gewichtige en respectabele rollen bleef pa, inderdaad U komt er al lekker in, verschrikkelijk ‘gewoon’. Elke zaterdagochtend wandelde hij op zijn dooie gemakkie in t-shirt en celana kolor (korte broek) naar de markt voor verse vis en groenten. En lulde hij vervolgens zijn hele ochtend vol, gezellie samen met de marktlui en bekenden uit het dorp. Met exact dezelfde jovialiteit als waarmee hij met een willekeurige generaal sprak. Pa had sowieso de gave om met werkelijk íedereen te praten. Of die persoon nou twintig militaire ordes op zijn jasje had hangen of dat het een straatarme satéverkoper was. Voor iedereen had pa een bemoedigend woord, een verhaal (over voetbal) en meestal ook een dijk van een mopje over. Pa maakte geen onderscheid in rangen of standen. Want pa zag altijd de mens voor zich. Voor dorpsgenoten die het moeilijk hadden bad hij en vertelde hij opbeurende verhalen. Verwaande pipo’s met stropdas won pa altijd voor zich met zijn charme en met behulp van een geintje. Pa kon de sfeer opwarmen en ontdooien at the same time. Meesterlijk.

Ik dank God op my bare knees dat ik deze eigenschap van pa heb geërfd. Mijn karakter volgt hem hierin als twee druppels watert. En dan vooral bij de underdog in de samenleving. Bij bijna alle bedrijven waar ik heb gewerkt was ik altijd beste vriendjes met de afdelingssecretaresse. Waar andere collega’s alleen langs kwamen wanneer strikt noodzakelijk (‘heb je die afspraak al ingeboekt?’, ‘oh en waar liggen de pennen ook alweer?’), vroeg ik altijd naar andere dingen zoals hobbies en het gezin. Of ik maakte grapjes over de luidruchtige en totaal nutteloze papierversnipperaar die standaard bij het secretariaat stond weg te roesten. Maar het gaat me vooral om dit: ik heb respect voor elke managementassistente die als een vliegende keep al die stinkende kantoorafdelingen bij elkaar zit te houden. Hij of zij is niet alleen een vergaarbak van post-its en enveloppen, ben je helemaal gek geworden. Het zijn ook gewoon mensen. Net als Jokowi, Rutte en Abou. Met je paperclipvraag. Dat geldt ook voor onze schoonmaakster, de dame achter de balie bij mijn sportschool en de schoonmakers die de treinprullenbakken legen. Ze vallen nog net niet uit het treinstel als ik hun een ‘fijne werkdag!’ wens als ik de trein uitstap. Wat een armoede denk ik dan. Dat veel treinreizigers zich blijkbaar te goed voelen om maar één simpele zin uit hun mond te produceren. Die ene zin waarmee je een kneiterhardwerkende bevolkingslaag de dag van hun leven kunt bezorgen. Het gevoel geven dat ze gewaardeerd worden. Geldt ook voor de bouwvakker die laatst de gasleidingen voor het huis aan het fiksen was en in onze keukens de gasfornuizen dubbel moest checken. Glimmend van trots vertelde hij over zijn eigen aannemersbedrijf dat hij samen met zijn vader met bloedzweettranen uit de grond had gestampt. Dat verhaal kon hij bij mij kwijt, gewoon, omdat ik hem een vraag stelde. Uit interesse. Uit nieuwsgierigheid. Het is echt niet zo moeilijk hoor mensen. Gewoon een beetje lief zijn voor elkaar. Wees onbevreesd en kijk door maskers, directeurenpraat, brallende pipo’s met stropdas en bescheiden harde werkers heen. De premier zit op de wc, net zoals jij en ik. Net zoals de peoples die de (openbare) toiletten schoonmaken waar jij, ik zij en jullie op zitten. Ook die verdienen een ‘fijne werkdag!’ en een ‘goedenavond’. En misschien nog wel een tikkie meer van je aandacht, een bemoedigend schouderklopje als de situatie dat toelaat. Ja, we zijn allemaal mopperende belastingbetalers, alles kost duur, het Hollandse weer sucks, we zijn druk en janken hard als de kantoorpennen op zijn (bij wijze van, bij wijze van). Maar aandacht voor de ander hebben en houden, jezelf niet beter, maar ook beslist niet minder voelen dan je medemens, kost niets in deze maatschappij. Het kost je hooguit het kweken van meer
B.E.W.U.S.T.Z.I.J.N. Niet opzoeken in een woordenboek. Gewoon doen. Lobi, joe!

Het Aapje en de uil van de Minahasa

Het is een proces. Mijn eerste belandde op mijn rechterrib. Ik wilde het klein en privé houden, ik hoefde hiermee niet per se naar de buitenwereld te flexen. Je zou het alleen zien als je met mij naar het strand zou gaan of samen met mij onder de douche zou stoeien. Heul privé dus. Het idee voor mijn eerste ontstond op Bali, nadat ik mijn vader op 4 Maart 2016 had begraven in Tondano. ‘Anak spanggal’ noemde Maramis senior mij altijd. Het betekent ‘enige kind’ in Menadonees dialect. Ik wilde papa niet random herdenken met een ketting of een steen met zijn naam erin. Het werd ‘anak spanggal’ als kleine, intieme tattoo op mijn rechterzij, op een stukje ribbenkast om voor altijd bij me te dragen. Na pa’s overlijden dook ik in het voorjaar van 2016 the Interwebs op, verder en verder op zoek naar mijn roots. Op de Minahasa-site las ik meer over het wapen van de Minahasa. Samen met de verhalen van mijn Menadonese familie, groeide mijn patriotistische eilandgevoel. Dat groeiproces voelde als niet uit te leggen-zo-speciaal, I can tell you that allright.

Een kleine toelichting tussendoor want het kan confusing zijn als je topografie sucks en je bovendien denkt dat Noord-Sulawesi op de Noordpool ligt: Noord-Sulawesi (aka Noord-Celebes voor de ouwe kolonialen onder ons), is een van de 34 provincies van Indonesië. De hoofdstad van Noord-Sulawesi is Manado en daarom noemen we onszelf Menadonezen. De regio/streek op Noord-Sulawesi waar mijn ouders vandaan komen heet de Minahasa, dus noemen we onszelf ook wel ‘orang Minahasa’. Tondano, dat ook in de Minahasa ligt, is het geboortedorp van pa. Capisce?

Anyway. Dat groeiproces over mijn roots zette lekker door. Drie jaar later, in november van dit jaar, is de tweede gekomen. Het was een proces. Met een van mijn meest dierbare personen deelde ik deze zomer het verhaal van mijn vader, waar ik vandaan kom, mijn cultuur. We praatten over tattoos next level, over symboliek en speciale betekenissen. Over zijn cultuur, over mijn cultuur, mijn adat, zijn adat. Over rituelen vertaald naar eilandsymbolen die veel en veel verder gaan dan een blije dolfijn op je schouder. Ik dook volledig geïnspireerd door onze persoonlijke verhalen, weer in mijn eigen Minahasa-roots. Opnieuw zocht ik naar het wapen van de Minahasa op de site. Een burung manguni (wijze uil) gedragen op de krijgersleus van de Minahasa ‘I jayat usanti’ (ferm & krachtig). Gebiologeerd sloeg ik het wapen met een groots gevoel van trots en eerbiedigheid als plaatje op in mijn hoofd.

Man, wat raakte mij dit. Deze pinda die na het overlijden van haar pa, bij wijze van rouwverwerking, steeds verder onderzoekt naar wie ze is en waar ze vandaan komt. Een pattriotistisch proces dat groeide en groeide. Ik begon te denken aan een nieuwe, tweede tattoo, drie jaar na de eerste. Superkieskeurig als ik ben, vind ik maar een paar locaties op het lichaam sexy en waardig voor een permanent plaatje. Een sexywaardige plek voor een indrukwekkend plaatje met betekenis. Een plaatje dat alles zegt over mijn dna, mijn roots. Ik ging diep met het nadenkproces. Een enorm persoonlijk proces dat, drie jaar na de eerste, werkelijkheid is geworden.

Het wapen van de Minahasa, de regio waar ik, mijn ouders en voorouders vandaan komen, pronkt nu sinds een maand op de binnenkant van mijn rechteronderarm. Anderhalf uur had Amsterdamse tattookoning Fabian Manuputty nodig om ‘m te zetten. Een tijd waarin hij normaalgesproken een complete Maorisleeve rondom een biceps tattoëert. Om aan te geven hoe gedetailleerd en precies Fabian de burung manguni naar het origineel op mijn arm moest fiksen. Het is dan ook geen dolfijntje hè. Terwijl Fabian een partij inkt en naalden door mijn lederhuid ramde, vertelde hij over zijn opa die overleed toen Fabian 18 jaar oud was. Hét moment voor hem om in zijn Molukse roots te duiken. Het was mooi om verhalen over onze roots te delen. Net zoals ik al eerder in de zomer mijn verhaal had gedeeld met dierbare. Het proces klopte.
tattoo s

Nu kijk ik dagelijks naar mijn wijze uil, mijn burung manguni. Dit keer wél op een plek for everybody to see. Zodat, elke keer als iemand ernaar vraagt, ik met gepaste pattriotistische trots kan vertellen dat ik Minahasa-meisje ben. Glunderend en ‘bangga’ (= trots in het Indonesisch) loer ik nu dagelijks naar mijn fasung -Menadonees dialect voor iets dat mooi of knap is- tattoo. Ok, ok, hij is zo verschrikkelijk pretty dat ik er nu wél vaak mee flex (lees: met korte mouwen op kantoor lopen shinen al is het freaking winter) en heb ik natuurlijk allang gezorgd voor een paar vette Instadrips. All for the likes, all for the likes. Ik ben per slot van rekening een ijdel aapje, duh.

Mijn burung manguni is geland op mijn arm. Geland om voor altijd te blijven. I jayat usanti, I jayat usanti.

Voor C.

Kip met tranen

Kak. Ik heb te maken met een nieuwe televisieverslaving. Op Spike tv kijk ik sinds een kleine maand vrij obsessief naar Ghost Adventures. Daarmee ben ik gelijk spuit elf want blijkbaar bestaat dit televisieprogramma al sinds 2008. Maar boeit niet. Het gaat erom dat ik inmiddels behoorlijk wat slaaptekort heb opgelopen omdat de serie pas rond middernacht begint. Wat dan wel weer toepasselijk is voor het hele programma dat draait om demonen en ronddolende geesten in gruwelijkziek vervallen kastelen en ziekenhuizen. Ik ga het Ghost Adventures-format verder niet uitleggen maar het draait om een groepje guys dat met behoorlijk geavanceerde apparatuur contact maakt met geesten. En hoe. Het is eigenlijk best eng om naar te kijken maar ik vind het dus helemaal fascinerend. Komt ook omdat ik best geloof dat er iets is tussen hemel en aarde. En geloof me, dat is er.

Ik heb een tijdje in Indonesië gewoond en daar kun je gewoon niet ongevoelig zijn voor paranormale verhalen die je daar best vaak hoort. Toen mijn oma kwam te overlijden, zagen mijn moeder, broertje en tante haar vaak verschijnen aan hun bed. Ik kan alleen maar ademloos naar dat soort verhalen luisteren. Want je zou denken dat gevoel hebben voor/met paranormale zaken dan meteen in je genen zit. Ik kan U vertellen: mij is zoiets nog nooit overkomen. Ik heb nooit geesten gezien of gevoeld. En toen een zakenrelatie die spiritueel is ingesteld onlangs vroeg of ik het gevoel herken van plotselinge koude rillingen ‘want dan is je overleden vader dichtbij’, moest ik hem het antwoord helaas schuldig blijven. Misschien dat ik daarom dit soort programma’s juist heel entertaining vind. Ik ben zelf dan misschien niet het type waar geesten gezellig een bezoekje aan plegen, maar intrigerend vind ik het fenomeen wel. En ik geloof het. Toegegeven: ergens vind ik het jammer dat ik pa niet even van zijn wolkje af kan laten stappen. Een holo van papa die mij gedag komt zeggen, hoe chill is dat.

Of?
Een maandje terug besloot ik na een intense shopsessie met roomie eerder terug naar huis te lopen. Op de West-Kruiskade, home to tientallen Aziatische toko’s, restaurantjes en Turkse deli’s kreeg ik spontaan een intense snackattack. Een straat vol exotische snackparadijsjes waar ik makkelijk lemper, empenada’s, sushirijst met paling of een kommetje dampende ramen achter elkaar naar binnen zou kunnen schuiven. Maar wat deed ik? Ik liep die hele Asian strip compleet voorbij en ging de Kentucky Fried Chicken in. Ja man. Binnen vijf minuten zat ik daar met een dienblad vol kippetjes in krokant jasje, friet en een Coke Zero een fastfoodbarbaar te zijn. Ik was zelf ook een beetje confuus van deze brute eetbeslissing. Maar na twee hapjes kip realiseerde ik me waarom ik hier zat. Heel gek dat ik die link niet eerder had gelegd, maar het kwam heel onverwachts snoeihard binnen.

Tijdens mijn highschooltijd in Jakarta sleurde ik papa altijd mee naar KFC als we ons maandelijkse uitje hadden. Als puber had ik blijkbaar een nogal eenzijdig smaakpalet. Of ik wilde gewoon afwisseling tussen rijsttafel en andersoortig voedsel. Naast het feit dat ik, confession, de ultieme frietjunkie ben. Anyway. Het moment dat ik de connectie zag tussen KFC, papa en mezelf, dat was hét moment dat ik genadeloos werd overvallen door emoties. Mijn oogjes liepen vol met tranen en ik liet me totaal meevoeren in een gigantische emotrip. Zat ik daar kip te eten en tranen te plengen tegelijk. Ik was totaal niet opgewassen tegen dit gevoel. Het gevoel dat papa daar naast me zat. Alsof we samen het verdriet deelden dat we elkaar zo vreselijk missen. De tastbare herinneringen die ik voelde. De quality time met pa, vergezeld door crispy stukjes kip. Het was echt een bizar en heel, heel intens gevoel. Ik kon simpelweg niet stoppen met droef zijn.

Zou dit dan mijn eerste soort van paranormale moment zijn geweest met papa? Ik zal het pa de volgende keer vragen als ik daar weer zit met een dienblad vol troostkip. Mijn eigen kip met traantjes.

In God, Willem, Fabiola & Marieke we trust

Nu pa since 2016 onder de groene zoden ligt, doe ik aan een soort liefdadigheidsritueel waarvan ik weet dat pa dat enorm waardeert als ik in hometown Manado ben: een zondagsdienst afvinken in pa’s kerk en keihard liedjes zingen. Dit keer was extra bijzonder want vriendinnetje Natasha was mee. In het kader van de Manado hometown experience vind ik het uitzitten van een kerkdienst persoonlijk wel bucketlistdingetje. Zo’n zondagsdienst is dan meer een evenement en ‘ik doe dit ter ere van pa’ dan dat ik er persoonlijk iets uithaal. Want ik zie normaalgesproken nooit een kerk van binnen. Ja, als er een boeiende expositie is. Of bij een bruiloft. Enfin. Tas en ik trippelden dus gisteren de Gereja Riedel Wawalintouan binnen in strakke jurkjes en op stilletto’s. Menadonese chicks gaan hier namelijk altijd naar de kerk alsof ze daarna een borrel inclusief chille after hebben. Of naar een fancy fissa in een flitsende club. Dus zien we vooral glimmende, opengewerkte satijnen tubedresses, sandalen met spannende bandjes en veel bling. En al die mooie meisjes paraderen dan achter elkaar voorbij de kansel tijdens het collectemoment. De reli-catwalk noem ik dat. Ik vergeet dan gewoon de psalmen mee te zingen omdat ik jurkjes zit te keuren. Tas vond het allemaal prachtig, en was blij dat ze op het laatste moment stiefmoeders’ stilletto’s mocht lenen (fyi: stiefmoeder is een bossy zeventigplusser die zich graag laat escorteren door een fancy aangeklede entourage).

Tas en ik waren overigens lucky bastards want de dienst stond in het teken van Pasen en er was cathechisatie van een groepje prachtig uitgedoste godsvrezende jongeren. De namen van die jonge dudes en dudettes werden één voor één opgenoemd. En dát beste mensen, is wat ik zo waardeer in mijn Manadonese homies. Dat ze de vibe van het koloniale verleden zo lekker mixen met superordinaire kitsch namen van nu. Zo kan het gebeuren dat de ouders van Cornelie Pinq (!); Willem en Aneke (met 1 n), wordt gevraagd naar voren te komen. Gevolgd door nog een dozijn felicitaties voor o.a. Grashella Vabiolla en Gleydis Eklesia (fonetische spelling went wrong) en niet te vergeten voor Manchester Beckham Fujiko (ok).

Maar het allermooiste werd bewaard tot na afloop van de dienst. Toen we op slippers en hakken onder de armen via de dorpsmarkt naar huis slenterden, en een fruitverkoper keihard ‘ey Marieke!’ naar Natasha riep. Zou hij ook ‘heuj Hans!’ brullen als ik jongen en blond was geweest?

Het Aapje, de haai en het huilende meisje

En toen was er twee weken geleden die episch boze brief op Facebook. Geschreven door een schooldirecteur aan een ouder die de ziekte van een andere ouder in twijfel trok. Hoe raar deze ouder het vond dat die zieke vader dan toch op school van zijn zoontje kon verschijnen. Waarop de schooldirecteur, Sandor van der Laan, compleet los ging. Van der Laan omschreef treffend de trots van kleine kinderen jegens hun papa: ‘ik kan echt geen auto optillen, niet sneller dan een trein rennen [ ] in zijn ogen kan ik alles.’ Net als deze doodzieke vader die, ondanks zijn pijn, alles doet voor zijn kind. Ik vergat adem te halen toen ik dit verhaal las. Want in alles, elke zin dat uit elkaar knalde van vaderliefde voor zijn kind, herkende ik papa. En sindsdien komt mr. Sharky best weer vaak in mijn gedachten voorbij. Want papa had een litteken op zijn gezicht. Dat komt omdat hij in de oceaan met een haai had gevochten (duh). Toen ik brugklasser was, vertelde mijn moeder dat ze er geen snars van geloofde. Maar het beeld dat mijn pa in de woeste Indische Oceaan klappen uitdeelde aan een haai-unit is never nooit van mijn netvlies gegaan. Voor altijd in mijn verbeelding gebleven.

Laatst zat ik in een overvolle Intercity van Amsterdam Zuid naar Rotterdam. Ik had het niet meteen in de gaten, maar het meisje -begin twintig- dat schuin tegenover mij zat, vocht heftig tegen haar tranen. In eerste instantie dacht ik dat ze gewoon een bak chagrijn was want pruillip. Ze zat ook heel ongemakkelijk in haar treinstoel. ‘You have a chair to sit your bony ass on, in a train which is ramped to the roof, stop whining’, dacht ik nog. Ik vond het lastig om haar te zien worstelen met haar emoties. Maar ik was te laf om haar een papieren zakdoekje aan te reiken. Dat kwam ook omdat ze op gegeven moment haar lichaam een kwartslag naar het raam draaide. Alsof haar schuddende lichaam en vochtige wangen op deze manier niet werden opgemerkt door de treincoupé. Ik herkende álles aan haar houding. Hoe vaak heb ik wel niet huilend in het vliegtuig gezeten van Indonesië naar NL. Blij dat ik weer naar Nederland ging, maar loodzwaar omdat ik papa moest missen. Zijn liefde, zijn humor, zijn onvolprezen ikan di bulu. Die ene keer dat ik ruzie had met pa, omdat hij met 160 km per uur naar het vliegveld racete. Omdat we iets te laat van huis waren vertrokken. Ik weet nog dat ik schreeuwde dat ik serieus nog niet dood wilde. En daarna huilde ik hoog in de wolken mijn spijtgevoel weg. Of die laatste keer op de vlucht Manado-Jakarta, toen ik aan die jongen vroeg of ik alsjeblieft op zijn plek aan het raam mocht zitten. Zodat ik een kwartslag naar het vliegtuigraampje kon draaien en de bergtoppen van Manado kon zien. Huilend. Want daar ergens tussen ligt papa begraven.

De Kleine Sunda-eilanden, April 2016. Een week na papa's begrafenis. Dobberend.

Een dobberend aapje bij de Kleine Sunda-eilanden, 3 April 2016. Een week na papa’s begrafenis.

Vorige week overleed Riem de Wolff. Die ene bro van de Blue Diamonds die nog over was. Het illustere Indo-duo achter dat geniale liedje Ramona. Het liedje waar ik een haat-liefde verhouding mee had. Omdat al die ouwe kraaien van kennisjes van pa telkens ‘Ramona’ begonnen te jengelen als ze me zagen. Omdat ik de tekst na honderd jaar nog steeds niet uit mijn hoofd ken. Omdat ik me opeens realiseerde dat papa dat soms voor me zong. Met de nadruk op soms (zeker toen ik nog een puber was). Hij zong het heel lief en zachtjes, met een vertederde glimlach op zijn gezicht. Ik besefte dat het liedje ‘dat mij mijn hele leven al achtervolgt’, papa’s liedje voor mij is. Dus postte ik de Ramona-youtube van de week trots op Facebook. Een schooldirecteur, een huilend meisje, het liedje en een haai. Een rouwproces is als een lange parade van herinneringen. Een parade waarvan je nooit precies weet wanneer die langs je voorbij trekt, laat staan in welke vorm. Heel voorzichtig zeg ik dat ik dat eigenlijk wel meaui vind. Zwaar, dat ook, maar mooi zwaar.

Een paasverhaal maar ergens toch ook weer niet (echt).

Een maand voorafgaand aan het paasweekend was ik in mijn hometown Manado, Noord-Sulawesi, om papa te bezoeken en te herdenken. De maand maart is Noord-Sulawesi zoals een christelijke provincie betaamt, helemaal in de pre-pasen-in-de-gloriavibe. Bij elke kerkdienst wordt de Bijbel uitgevlooid op zoek naar de meest klinkende en kletterende passages uit de Evangelie. Reliquotes die antwoord moeten geven op de zin van lijden, en de schoonheid ervan. Prima, hoort allemaal bij Pasen. Ik ben vooral dankbaar dat die lijdensweg altijd garant staat voor goedgevulde eettafels na afloop van een kerkdienst.

En tijdens een lome uitbuiksessie op de veranda bij pa´s huis, gebeurde het. Knus aan de klets met stiefmoeder Frieda, transformeerde ik in een ekster. De gouden ketting van tante Frieda met een Christus aan het kruis als amulet, eiste dit keer mijn speciale aandacht op. In het kwadraat. En dat terwijl ze die ketting bijna dagelijks draagt. Het verbaasde me hoe dit enorm opvallende gouden collier met zwaarbewerkt kruis al die tijd aan mijn aandacht was ontglipt.

Jezus aan het kruis in kettingvorm. Een gouden corpus christie. Groots en meeslepend uitgevoerd in Indonesisch geelgoud, dus behoorlijk in your face. Een reli-sieraad dat weliswaar past bij de devotie van mijn stiefmoeder, maar een tikkie overaanwezig kan zijn als supplement op de dagelijkse garderobe. Of? Ik bestudeerde La Ketting nog eens grondig en opeens flitsten er allerlei Pinterestborden en Vice-artikelen over de hiphopscene in mijn hoofd voorbij. De jaren ’80 en ’90, Reebok-sneakers, white wash high waist jeans, witte Ellesse-shirts en, grote gouden sieraden om de look af te toppen. Op dat moment wist ik: ik moet ook zo’n ketting, en rap wat. Op mijn vraag hoeveel dit gouden corpus ongeveer moest schuiven, noemde Frieda een bedrag dat in de buurt kwam van een retourtje Schiphol-Jakarta. Ze zag onmiddelijk mijn vet teleurgestelde gezicht en hoorde mijn daaropvolgende gemompel aan, dat ik het ‘een heel mooie ketting, maar wel behoorlijk aan de prijs’ vond.

Frieda greep op haar beurt dit moment spontaan aan om te gaan winkelen (waar ze zo dol op is), en nam mij op sleeptouw door Tondano en Tomohon naar verschillende goudzaken om een goeie dupe te vinden van haar ketting. ‘We vinden vast wel iets wat in de buurt komt.’ Even een kleine uitleg voor de context. Frieda kocht haar ketting in de hoofdstad Manado, waar de keuze een stuk groter is dan in de provinciestadjes Tondano en Tomohon. Maar omdat we allebei nul zin hadden in een fikse autorit naar Manado city, besloten we om de goudkoortszoektocht hiero in de regio te houden. Ik trof inderdaad alleen kettingen en losse kruisjes aan die een stuk kleiner waren dan die leipe shit van Frieda. Maar uiteindelijk na een stuk of zes goudtoko’s versleten te hebben en onderhandelingen op prijs stukliepen (gaat per gram maal X rupiah), vonden we in bloemenstadje Tomohon (en tevens geboortedorp van mijn grootvader), een fijn goudzaakje. Ze hadden een toffe collectie gouden juwelen, en er hingen aangenamere prijskaartjes aan vast. Ik koos een relatief lang collier met daarbij een gestileerde Jezus aan het kruis. Omgehangen was het nog best een aanwezige unit, maar minder heftig dan die van Frieda. Ik vond hem prachtig. En dat wil wat zeggen voor iemand die heel lang een Christus-aan-het-kruis-fobie heeft gehad. Nog steeds vind ik de ingelijste kitsch posters van een bloedende Jezus met uitgemergelde ribbenkas, die letterlijk overal hangen in dit deel van Indonesië, een hard gelag. Eetlust verdwijnt ook onmiddellijk als ik ‘het’ ontdek in een restaurant of bij een willekeurig familiediner aan de muur. Enfin, we dwalen af.

Golden Jeezy op een grijs melee hoodie (Monki). Lipstick Razle Fresia (Nyx).

Golden Jeezy op een grijs mêlee hoodie (Monki). Lipstick Razzle Fresia (NYX).

Er gebeurde namelijk iets superontroerends in die goudtoko. Ik was eigenlijk alleen mee op sleeptouw uit nieuwsgierigheid naar die kettingen. Jahaa, ik weet, ik wilde aanvankelijk ook direct zo’n gouden unit regelen, maar omdat het me prijstechnisch zo tegenviel, had ik dit briljante nineties fashionstatement-idee van mij tijdelijk geparkeerd. Maar Frieda kwam voor me staan, trok de wat scheefhangende Jezus nog even recht ter hoogte van mijn navel, en keurde daarna het totaalplaatje goed. Waarop ze zei: ‘als je ‘m net zo mooi vindt zoals ik, dan krijg je deze van mij.’ Op dat moment realiseerde ik me dat de aanblik van stiefdochter met een gouden reliketting voor Frieda een veel diepere betekenis had dan voor mij. Ik zag gewoon dat ze deze corpus christie aan mij wilde geven vanuit gelovig oogpunt, ook namens papa. Die het op zijn beurt weer helemaal prachtig had gevonden om zijn dochter met zo’n schitterend kruis rond te zien huppelen. Uiteraard ligt opportunisme hier op de loer. Maar het gebaar van Frieda was enorm overdonderend, en in de context begreep ik hem volledig. Het heeft ook te maken met Indonesische mores dat je dit soort dingen aanvaardt. Afwijzen was dan ook geen optie. Dus koester ik dit familiegeschenk. Met een vette knipoog enerzijds, en met diepe waardering anderzijds.

Golden Jeezy, Hij moest eens weten. Zeker nu het Pasen is.

DONE!

Tis volbracht. Ik heb het gedaan, afgevinkt met een goed gevoel. Al in NL had ik talloze slapeloze nachten stukgeslagen. Ook op Bali sloeg de insomnia hard toe, de dagen voorafgaand aan papa’s herdenking. Ik zag er tegenop, echt niet-nor-maal. Gaan we weer. Weer met die hele emokaravaan het vliegtuig in. Ik wilde niet. Maar, afgelopen weekend was het weerzien met pa (zijn rustplaats) en familie boven verwachting, buitengewoon fijn te noemen. Om te beginnen heeft mijn stiefmoeder Frieda een soort wederopstanding beleefd: acht maanden zat ze in een zwaar depressief hol. Ze kon pa’s overlijden niet handelen. Maar sinds januari is ze gelukkig verlost uit haar eigen donkere dungeon. Dankzij stevig lobbywerk van familie, vrienden en haar arts. Ze kwam me in Manado ophalen in een chique, stemmig oranje robe. ‘Het rouwen is voorbij, ik draag weer kleur.’ Eindelijk konden we op een geciviliseerde manier bijkletsen en terugkijken naar een intens en bewogen jaar. En rolde ik bijkans van de bank vanwege haar geestigheid. De Frieda-grapjes die ik vorig jaar zo enorm moest missen.

Ook kostelijk: mijn eerste avond op Manado ben ik op gepaste wijze ontgroend. Twee familieleden reden mij naar de Manado-boulevard richting de beruchte 24-uurs eettent ChoCho, waar ik werd volgestopt met tien verschillende bereidingen van varken. Om 23u ‘s avonds mensen. Lord have mercy kermde ik nog, wijzend naar een alarmerend uitdijende buik. Hielp allemaal weinig. Eten zul je. En als rechtgeaarde Menadonees doe je dat met je rug recht totdat je onder de tafel kukelt. Maar uiteraard niet voordat je het slotakoord van een Manadonese dis, een empanada of tien en een bord met puding coklat hebt weggetijgerd. Aangekomen bij familie thuis kon ik gelijk doorrollen naar het ouderenprogramma: omie Thelma, de zus van Frieda, een krasse tachtiger, was speciaal opgebleven om het hele repertoire Nederlandsche kinderliederen met mij te battlelen. We zongen saampjes ’Drie kleine kleutertjes’, waarbij ze mij (!) bij het refrein een paar keer snoeihard moest corrigeren. Het was hilarious.

Met stiefmoeder de volgende dag naar pa’s graf gegaan. Ik voelde me rustig en heb pa gedag gezegd. Hij lag er prima bij, mooie bloemetjes op het graf, het stukje grond netjes onderhouden. Ik was best verbaasd dat ik me zo chill voelde. Maar het is eigenlijk bloody simple. Als ik hier ben, dan ben ik thuis. Heb ik familie binnen handbereik en ligt pa rustig om de hoek in zijn kist te chillen. Hier voel ik de afstand niet, die ik dus wel voel als ik in NL ben. Kortom, Ik zag dat het goed was en pa zag het ook, voelde ik.

Mijn vlucht naar Manado had ik met opzet zo gepland, dat ik een zondagkerkdienst kon meepikken. Omdat ik weet dat pa het altijd gezellig vond als ik meeging. Omdat ik weet dat hij het waardeert dat ik als zijn vertegenwoordiger de hele liturgie uit volle borst meezing (zo handig dat al die liedjes op grote schermen worden geprojecteerd). Dus zat ik links vooraan op pa’s plek in zondagse jurk met passende stilleto’s naar een nogal ernstige preek te luisteren. Ik heb de pech dat ik in de aanloopperiode naar Pasen zit. Dus het is wekenlang pure ik lijd, jij lijdt ik heb geleden, wij lijden-indoctrinatie (sorry pa). Dit is een van de redenen waarom ik altijd zeg dat ik een gelovige achtergrond heb, maar zelf niet geloof. Althans niet op de manier waarop my fellow hometowngenoten dat doen. Mij te intens, te heftig. Maar ik respecteer het, en in het bijzonder respecteer ik dat pa troost en vreugde putte uit het geloof. Dat weet pa, en hij zag (en hoorde) dat het goed was.

Op maandag was pa’s herdenking en tegelijkertijd stiefmoeder’s verjaardag. Inmiddels heb ik het hele concept van een Manadonese fissa omarmd. Die bestaat uit vier onderdelen: 1) gebed 2) eten 3) karaoke 4) disco en arak atten. Dus sprak de huisdominee lovende woorden over de veerkracht van Frieda, het feit dat ik speciaal was overgevlogen en dat pa dit prachtig had gevonden. Daarna werden honderd genodigden gefêteerd op Manado Cuisine (porky). Ik heb uiteraard zwaar ingezet op punt 3, waar ik mijn karaokeskills naar een next level wist te tillen met een paar heel behoorlijke Whitney Houston adlibs-units. Later op de avond knalden de boxen uit elkaar van de disco. En mijn hoofd ook. Van de arak (33%). Het voelde supergoed en pa vond dat vast ook. Hij hoefde mij in elk geval niet op te halen van een uit de hand gelopen feestje, want ik was immers al thuis. De epische tropische regenbui die later op de avond het feestterrein en de straten van Tondano schoonspoelde, was het enige moeilijke moment. Ik weet van vorig jaar dat ik heftig huilend de slaap niet kon vatten toen het snoeihard regende op de avond na pa’s begrafenis. Het idee dat hij daar koud en nat, moederziel alleen onder de grond lag, maakte me intens verdrietig. Nou vooruit, er waren twee moeilijke momenten in Manado afgelopen weekend. Behalve de regenbui, was het opstijgen van Sam Ratulangi International Airport, het wegvliegen van Manado erg taai. Manado vanuit de lucht gezien is erg indrukwekkend: bergketens, groene valleien, dat werk. Dat pa daar ergens tussen ligt te rusten, imponeert en ontroert. Niet huilen was en ís geen optie bij dit terugkerende onderdeel.

Het is volbracht, ik heb het gedaan pa. Ik heb er een goed gevoel aan overgehouden, een jaar na dato. Maar ik zal altijd momenten hebben dat het taai is. Dan laat ik een traantje of twintig. Maar weet dat dat is omdat ik intens van je hou. Tot de volgende keer!#fransbernhardbedankt

Het Aapje pakt in

Uitpakken. Normaal gesproken hou ik daarvan. Kadootjes uitpakken. Met de tofste dress uitpakken als ik uitga. Maar woensdag begint voor mij het Grote Inpakken. Ik pak voor drie weken mijn koffer in voor een reisje naar Indonesië. Het is dan precies een jaar geleden dat ik halsoverkop naar de Gordel van Smaragd vloog om mijn geliefde papa te begraven. Donderdag a.s. vlieg ik opnieuw met een volgepakte koffer en hopelijk met een goed ingepakt hart dat bestendig gaat zijn tegen emoties waarvan ik nog niet weet hoe die gaan uhm, uitpakken. Want waar ik vorig jaar rouwde in een roes, en waarvan ik de roes kon uitsmeren over twee bijzonder intense maanden, moet ik straks met onbekende emoties dealen in slechts drie weken. Ik kijk er naar uit want ik houd wel van een challenge. Maar aan de andere kant kijk ik er ook helemaal verschrikkelijk zo níet naar uit. Zucht.

‘Hoezo onbekende emo’s en waar ben je precies bang voor?’, vragen lieve vriendjes van mij de afgelopen dagen als ik een beetje beklemd en peinzend uitleg dat ik niet weet hoe ik op dingen ga reageren als ik straks weer in Indonesië ben. Afgelopen jaar heb ik intens gerouwd, en heb ik ook een periode gehad waarin ik niet rouwde. Dat was het kwartaal waarin ik een nieuwe klus te pakken had (AMC) en een nieuwe woonstad regelde (010). Ik ging lekker en was gewoon goed bezig mijn post-rouwfase in te richten. Maar tegen het einde van 2016 voelde mijn gemoed steeds zwaarder. Emotioneel ging ik als een droef aapje alle kanten op. Blijkbaar was het rouwen net begonnen, en was het niet zoals ik zelf dacht, onder controle. Kak vond ik dat, oprecht kak. Want ik ben geen geboren controlfreak en al helemaal geen perfectionist. Maar ik dacht mijn rouwproces tot in de puntjes geregisseerd te hebben. Door te bloggen, door geweldige opdrachten binnen te hengelen, door te leven like monkeys do. Dat.

En dan komt zo’n onvoorspelbare procesmanager met een imposant businessplan getiteld: ‘Je Vader is Dood Deal With It From Now On’, je leven binnenwandelen. Een procesmanager met een zwaar onconventionele visie die alle strakke planningen uit het kantoorraam gooit en deadlines van tafel knalt. Een procesmanager die op de meest onvoorspelbare momenten een bak rouwkostsalade (ik weet het, dit is al by far de slechtste woordspeling van 2017) door mijn strot ramt, met de opdracht deze direct te consumeren, of ik er nu zin an heb of niet. Grote goedheid. Ik kan dit niet. Maar natulek kan ik dit wel. Ik ben een fiere Maramis, ik ben het aan mijn familieclan en vooral aan pa, verplicht. Ik kan dit. Maar wel met een forse vallen en opstaan-marge, omdat het kan.

Enfin. Ik ga inpakken. Bikini, strandjurkjes, kerkproof outfits, stroopwafels, Nijntje voor nichtje. Om over een paar dagen flink uit te pakken. Door in de Balinese lampen te hangen met de grootste bel tropische cocktail denkbaar. Door het afgelopen jaar te overdenken op locatie, met het besef dat het goed is dat ik er weer ben. Door pa een paar keer te verrassen met een grafbezoekje. Hem vervolgens de oren van het hoofd te lullen (vind ie leuk). Door zijn grafsteen weer extra glimmend te poetsen en hem te spammen met verse bloemetjes.

Dus kom maar door met die onvoorspelbare emo’s. Ik kijk er naar uit omdat ik er niet naar uitkijk. Het wordt mijn eerste grote uitdaging van 2017. Mijn hart zegt op zich dat ik dit kan. Wat jullie? #lobi #FransBernhardHereICome

Hoe Het Aapje groot werd met knielaarzen, parfum en Jane Austen

Duizend odes aan pa zijn de revue gepasseerd op hashtag fransbernhardbedankt. Daar kwam vorige week die speciale blog gericht aan mijn stiefpapa bij. De Boulevard van Dankbaarheid is langgerekt, en er is altijd plaats voor nog meer dankbaarheid. Een mooi verhaal over mijn mama kon natuurlijk niet uitblijven. Want Thank God, moeders is er nog, in goede gezondheid. Wel ver weg in Jakarta. Maar daar heb je cheaptickets.nl voor. Of de Werelddealweken van KLM.

Mijn ouders gingen scheiden toen ik ongeveer vijf jaar oud was. Toen pa vorig jaar overleed, realiseerde ik me opeens dat ik niet alleen te maken had met een moeder, maar ook met de ex/weduwe van mijn vader. Een heel vreemde gewaarwording kan ik U melden. Ik kan denk ik niet goed uitleggen hoe het voelt om nog slechts één aandeelhouder op aarde te hebben rondlopen die mij heeft voortgebracht, en dat de verwekker inmiddels vredig onder de Indische groene zoden ligt.

Enfin. Mama. Mooie vrouw. Ik heb veel van haar overgenomen. Haar gevoel voor stijl, fashionable zijn at all times. Mijn moeder liep ouderavonden in Jakarta af, gehuld in kekke linnen knielaarzen op een mooie, decente doch hippe knielange rok. Dat werk. Haar collectie parfums is legendarisch en episch. Die traditie houd ik getrouw stand. Mijn stash bestaat uit parfums op maat. Voor elke gelegenheid en gemoedstoestand eentje. Nee, dat is niet waar. Mijn maatstaf voor een geur is dat het overdonderend sexy moet ruiken. Ook als ik een zakendoendagje heb. Had ik haar schoenencollectie al genoemd en hoe dat zich verhoudt tot die van mij? Doe maar niet.

De liefde voor boeken heb ik auch van mama. In haar kast prijken Willem Frederik Hermans, Shakespeare, Doris Lessing en Jane Austen. Van haar leerde ik onvertaalde literatuur lezen, want ‘in de oorspronkelijke taal lees je het echte verhaal’. Die tien vertaalde boeken uit de Bruna Top Tien in mijn kast liggen al jaren te verstoffen. Ik ben door mama een purist in onvertaalde literatureluur geworden. Wat ik helaas niet helemaal van haar heb overgenomen is het geduld om een taal te leren. Dat klinkt gek voor een Alfa, en het staat haaks op wat ik hierboven vertel, maar het zit zo. Ik ben heel behendig in dialecten (van papa), en heb een behoorlijke talenknobbel. Alleen, zodra het in een leerstramien zit, zoals bijvoorbeeld een taalcursus, dan gaat het helemaal mis. Franse taallessen toen ik in Jakarta woonde, heb ik helemaal verknald. Recentelijk deed ik een poging tot een cursus Spaans. Lang verhaal kort: ben gesjeesd, maar ben nog steeds graag geziene gast bij de groepsdiners (want zo rol ik). Mijn moeder had die cursusdiscipline wèl, met als gevolg dat ze Duits en Frans uitstekend beheerst. Maar moeten jullie eens opletten als ik een maandje in São Paulo woon: een kroepoek met vet Portugese tongval is het resultaat. Ik leer het snelst op straat zeg maar, en nogmaals, niet van een truttig taalboekje.

Dan carrièreplanning: daar was moeders heel praktisch in. ‘Ga Economie studeren, dan kan je bij een bank werken en dan ben je lekker financieel onafhankelijk.’ U weet allen hoe dit is afgelopen. Maar niks dan goeds over mijn moeder hoor. Haar gastvrijheid, haar indrukwekkende dinertafels; allemaal rechtstreeks gekopieerd naar mijn DNA-streng. Ik zorg graag goed voor mijn gasten en niemand komt ook maar iets tekort. Ogen kom je sowieso tekort, want als ik goede zin heb, dan dek ik de tafel uitbundig, verfijnd, feestelijk en stijlvol net zoals mijn mama dat zo knap kan. Een dansmarieke is mama ook. En ze heeft zowaar zelf een dansmarieke van twee turven hoog op de wereld gezet. Op de HvA-campus volg ik momenteel Urban Dancelesjes, al poppend en lockend, geheel gemodelleerd naar MTV. Superleuk. Oh ja mama, ik wil met alle liefde een dansje met je doen. Maar dan niet zoals vorig jaar op Bali tijdens die muffe salsa-avond. Waar we ons een weg moesten banen door een slome haag honderdplussers. Niet sexy. Je was daar overigens wel by far de beste danseres*hartjes*.

Een moeder die mijn grotendeels alleen heeft opgevoed maakt diepe indruk, in de zin dat zelfstandigheid mij niet vreemd is. Veel dingen zelf willen doen. Zelf organiseren, zelf op mijn bek gaan (bij taalcursus aflevering dertig). Al dan niet gekleed in een kekke outfit, dansend tot het ochtendgloren. Ik ben dan geen financiële kantoorklerk geworden, en het voeren van een intens beoordelingsgesprek in het Frans behoort ook niet echt tot mijn standaard vocabulaire. Maar ik heb *kuch* swag, stijl en charme. Ik zorg altijd goed voor de mensen die ik lief vind/heb en dans me als een malle door het leven.

You did/do well mama. Dankje wel (ook namens Frans Bernhard) Tot snel in Jakarta XXXX.

Het Aapje en Stamppotstiefpa

Ik raak niet uitgepraat over mijn pa. Nu, bijna een jaar na zijn overlijden, knal ik regelmatig een ode de deur uit in de vorm van een blog. En gelukkig eten jullie het, gewoon omdat het kan en omdat het leuk is.

Maar van de week realiseerde ik me opeens dat ik een andere man in mijn leven (lees: kindertijd) absoluut tekort doe, als het gaat om zorg, aandacht, liefde en lol. Allemaal skills die ik mijn pa toedicht, maar die ook heel prima door iemand anders in de praktijk zijn gebracht. Waarvoor ik hem eeuwig dankbaar ben (en mijn pa weet ik, is dat bij deze ook). Ik heb het over mijn stiefvader, de tweede man van mijn moeder. Deze Balinese man trouwde mijn moeder toen ik ongeveer acht jaar oud was. Daarvoor gingen ze al zo’n twee jaar met elkaar. Hij kwam naar Amsterdam om te studeren en ontmoette mijn moeder bij de Crea waar hij Balinese dansles gaf en mijn moeder de lessen volgde.

Deze man, Ida Bagus Ngurah Winata (roepnaam: Guswin), ving mij op in de periode dat mijn vader zijn zakenmannenbestaan leidde in Hong Kong, en later Jakarta. Liefdevolle opvang was het, met respect naar mijn situatie. Ik kan mij exact nul conflicten herinneren in de context van kind van gescheiden ouders. In plaats daarvan ben ik in volledige harmonie opgegroeid met deze vriendelijke, goedlachse Balinese man die behalve slim, ook verrekte goed kon koken. Guswin is zo’n guy die met een hakmes superculinair, in drie seconden uien en knoflook fijnhakt voor de satebumbu. Guswin is ook de man die mij de liefde voor geschiedenis bijbracht. Door alles uit het jaar kruik als een bezetene op te nemen. Met als resultaat dat ik als achtjarige gup, geboeid om me heen zat te koekeloeren, op het bovenste plateau van de Akropolis. Waar het veertig graden celsius was. Deze culturele vakantie in Griekenland maakte een onuitwisbare indruk op mij. Niet in de laatste plaats door de enthousiaste tekst en uitleg van Guswin over de Griekse mythologie. Nog steeds kan ik autistisch met mijn neus op een willekeurig stuk tempel uit 1000 BC gedrukt, fantaseren over de barbaarse riten die zich daar wel niet hebben afgespeeld. Respect voor het verleden, die mateloze interesse voor geschiedenis, het is blijvend. Op de middelbare school haalde ik altijd negens voor Geschiedenis, omdat ik hele proefwerken niet zielloos stampte, maar als spannende verhalen uit mijn hoofd leerde. Met de jaartallen als milestones, de bloeddorstige koningen en keizers de gangmakers in de verhalen.

Naast al deze geschiedkundige verfijning, heeft mijn stiefpa mij mijn hele middelbare schooltijd getrakteerd op zijn enorm plagerig karakter met hoog entertainmentgehalte. Kent u die act van de messengooier en de assistente met de appel op het hoofd? Ik was altijd die assistentsjaak met appel, soort van. Ik was in elk geval altijd mikpunt van zijn grollen. Zoals bijvoorbeeld aan tafel. Aten we stamppot, dan wist hij vliegensvlug mijn hand te pakken en diep in de aardappelpuree te drukken. Ja, u leest het goed. Guswin heeft zich ook ooit schuldig gemaakt aan de mysterieuze (not) vermissing van mijn jampotbrilletje toen ik op de middelbare school zat. Ik ben serieus bijna een maand onbebrild door het leven gegaan. De bril in kwestie verstopt in een vaas hoog boven op de boekenkast. Ik had zo mijn vermoedens, en na een maand gaf Guswin zijn ontkenningen op, en wees met olijk bulderende lach de vindplaats van mijn bril aan. Mijn moeder was onthutst, ik denk dat ze het naar kindermishandeling vond neigen. Haar arme kind een maandlang kippig naar school gestuurd te moeten hebben. Maar ik vond het eigenlijk best heel lollig, achteraf gezien (pun intended).

Naast een epische pestkop, was stiefpa ook een briljant wiskundige. Een afgestudeerd ingenieur die kon toveren met cijfers. Zo’n nerd die wel raad wist met doodenge wiskundige formules waar ik tijdens de middelbare schooltijd vooral nachtmerries van had. Met engelengeduld trok hij mij door het moeras dat wiskundehuiswerk heette. Ik voelde me als Alfapuber vooral slachtoffer van vreemde materie, die rechtstreeks van de lelijke planeet Bêta, met geweld werd ingestraald in ons schoolcurriculum. Guswin’s mantra was altijd: je hebt een berg aan cijfers en een glasheldere (!) formule. Met de formule als wasstraat. Je stopt die cijfers hup, de formulewasstraat in, en dan heb je een schone auto/uitkomst als resultaat. Bloedsimpel. Maar het mocht niet baten. Volgens mij ben ik alleen geslaagd voor mijn eindexamen omdat ik voor Talen, Geschiedenis, Maatschappijleer, Godsdienst en Biologie belachelijk hoog scoorde. En daardoor het droevige cijfer (4) voor Wiskunde wist te compenseren. Maar de tomeloze inzet, het geloof van Guswin in mij, die is onbetaalbaar.

Maar zijn allergrootste verdienste is het feit dat hij mij heeft leren fietsen in het Amsterdamse Bos. Geloof me, ik kan me dat moment nog herinneren als de dag van gisteren. Die kinderlijke euforie vermengd met groosheid, op het moment dat de zijwieltjes van mijn vierwieler in het luchtledige stonden te draaien. Ik dacht dat ik vlóog op het grindpad tussen die reusachtige populieren in. Als je een kind dat glorieuze moment kunt geven, dan ben je als fietsleraar (uit Bali!) annex stiefpapa een hele grote.

Namens Frans Bernhard nogmaals bedankt, lieve Guswin. Tot heel snel in Jakarta.