Een huis vol schitterende zooi

Ouders worden..oud. Het woord zelf zegt het al en je doet er helemaal niets tegen. Zolang ze maar gezond verschrompelen tot rozijntjes, dan vind ik het allemaal prima. Mijn ma en stiefvader zijn anno 2018 gezond, gelukkig. Maar dat dus, ze worden ouder. Dat kan ik vooral zien aan de binnenkant van het huis in Jakarta. De hoeveelheid spullen die ze in de afgelopen jaren hebben verzameld. Bewust onbewust. Je wordt oud en je vergeet gisteren dat je vandaag die handtas bovenop de kast hebt gepositioneerd. Naast tig andere zaken die gewoon niet op die kast horen te staan. Dat werk. Het is er echt ingeslopen. Mijn ex-schoonmoeder zei altijd: ‘Geld hebben we niet maar spúllen?!’ Waarvan akte. Op de trolley bij de plasma-tv op de tweede verdieping staat een indrukwekkende verzameling dvd’s (!) en fotoboeken. Met als absolute show pony een kartonnen dvd-box in de vorm van een huis. In de raampjes (ja echt) portretten van de cast van ‘Everybody loves Raymond’. De badkamer van moeders en stiefpa is ook een soort toonkamer vol spullen die daar in principe niet helemaal horen. Een soort walk in closet en  jacuzzi in 1. Nou vooruit, handig is het wel. Douchen, aankleden en gaan met die bakbanaan.

Op de begane grond staan gelukkig geen dozen, wel veel meubels. Maar dat is niet hinderlijk, eerder functioneel. In de voor- en achterkamer, eetkamer en hal samen, kun je rustig een stoelendans-event voor 100 man plus houden. Dus je kunt hier wel wat zithoeken kwijt. Het valt me dan wel opeens weer op hoe ecclectisch de interieursmaak van moeders is. Tegen de muur tussen voor- en achterkamer, een witgeschilderde houten spiegeltafel met iets te weelderig uitgesneden krullen rondom de spiegellijst. Op het marmeren blad staan witte keramieken vogels te shinen (ik noem dit de Frans Bauertafel). Gelukkig wordt dit stukje woonwagenstyling op tijd gebroken door de rest van de meubels in Victoriaanse stijl en mahoniehouten vitrinekasten vol stijlvolle Wedgewood. Hier doe je aan Indonesische high tea met je pink omhoog, for sure.

Ik check of mijn piano het nog doet en hoor dat ‘ie net zo oud en kraai klinkt als mijn ouwelui (nee grapje, dat ding klinkt nog superhelder tot mijn grote verbazing). Ik ga meteen op zoek naar een souveniertje, een nachtblauwkleurige keramieken mini-tajine, ooit van mijn Marokko-reis meegenomen. En omdat moeders vrij vaak haar interieur omgooit, doe ik altijd Inspector Gadget na om te checken waar die tajine nu weer uithangt. Ik vond de unit uiteindelijk op het dressoir in de eetkamer (locatie nummer zes). Ik tilde nieuwsgierig het dekseltje op. Het tajine-bakje puilde uit van zilveren ringen en andere troepjes. Ik moest even lachen. Als de plastic bakken op zijn, dan zijn er blijkbaar genoeg andere opbergwegen naar Rome. Ouwe mensen en dingen. Als ze maar gezond oud worden tussen al die herinneringen en historische meuk.

Tajine jeweetog.

Tajine jeweetog.

PS: kon het toch niet laten om mijn moeder te pinpointen op die plastic containers in huis en de vet vage ‘mama weet ook niet meer wat er allemaal in zit’- inhoud daarvan. Ze beloofde plechtig een garage sale te organiseren met een van haar vriendinnen. You Go Mom. Ik kom snel checken of je dat ook gelukt is.

 

Het Aapje loert aflevering #8: apenkooien waterkooien

Zaterdagmiddag 12 uur, H&M badpakje is aan en het is weer tijd om chloorwaterlucht te snuiven. Ik heb inmiddels op verschillende dagen gezwommen en ik begin gezichten te herkennen. Gezichten die ik regelmatig tegenkom in de langzame baan. Uiteraard heb ik aan de leden van dit illustere groepje namen gegeven. ‘De kale’, een krasse kleine zestiger, een beetje chubby. De Bollyman, een Hindoestaanse gast die gezien zijn leeftijd de Spelen nooit meer gaat halen, maar wel ongeveer dezelfde ambities heeft gezien zijn zwemdrift. Mooi om te zien. Er zwemmen ook een paar vrouwen op leeftijd; sommige diepgerimpeld, sommige met overgewicht. Maar zwemmen zullen ze. Ontspannen een paar baantjes, en als het hart het niet meer trekt, dan schuifelen ze even door naar het kinderbadje met bubbels voor de rust. Ik vergeet bijna ‘Marco de stamgast’. Een veertiger met een buikje die iedereen vrolijk gedag zegt en zo ongeveer iedereen voorrang geeft bij de bochten. Hij is zo sociaal dat hij tijdens het zwemmen achterom kijkt, even checken of het met iedereen wel goed gaat. Hij roept/vraagt dan ook gewoon dingen. Dit soms tot irritatie van de rest. Geniaal.

Novotel Manado Golf Resort 2016

Novotel Manado Golf Resort 2016

Ik zie deze zaterdag een nieuw iemand aan de rand van het zwembad. Een badmutsmeisje met grote mediterraanse ogen. Ze kijkt gespannen en uitgelaten tegelijk. Gefocust inspecteert ze het water en de zwemgasten die onverbetelijk hun baantjes afvinken. Ik zie dat ze op het moment wacht dat ze ‘in kan springen’, net als bij touwtjespringen. Ze stift op gegeven moment moedig in en nadert mij aan de overkant. ‘Gaat u maar voor hoor’ roept ze bijna buiten adem. ‘Zwem je hier vaker?’ vraag ik. ‘Nou, ik heb net hiervoor zwemles gehad dus ik ga nog even door. Ik kon vroeger wel zwemmen maar heb het al heel lang niet gedaan, vandaar.’ Er klinkt veni vidi vici in haar stem door en ik geef haar een vet compliment daarvoor. ‘Dankje’ klinkt het dankbaar en blij. En hup daar gaat ze.

In de snelle baan hangt een even zo snelle boy aan de rand van het water. De snelle boy is gok ik een mid-twintiger met een gemixte achtergrond. Nederlands-Surinaams denk ik. Het levert hem in elk geval een Memphis Depay-uiterlijk en features op, maar dan zonder tats. Hij draagt een zwarte zwembroek tot de knie met daaronder een opzettelijk zichtbare Calvin Klein-dupe onderbroek. Met de wetenschap dat ie knappie is, flirt en grapt hij gul met twee vriendinnen die daar ook in het hoekje van de snelle baan chillen. Een van die chicks is – surprise surprise- een Kylie Jenner lookalike. Haar valse wimpies spot je van een kilometer afstand, zo nep. En verder lijkt ze eigenlijk helemaal niet op Kylie want ze ontbeert de dikke lippen, boobs en billen. Haar vriendin is een struise Rotterdamse; en is in het bezit van wat in de modewereld van nu in is, namelijk curvy rondingen. Ze zwemmen wat, chillen wat en maken grapjes over de rode hartvormige ballonnen en Valentijnsposters die overal in het zwembad zijn opgehangen door het management. Als de dames richting minibubbelbad vertrekken, zegt nep-Kylie tegen Depay: ‘kom je niet gezellig bubbelen dan?’ Het klonk serieus als openingszin van een sluwe verleidster uit Temptation Island.

Het is tien over half een en ik heb toch zeker een paar keer in de file gestaan dan wel een paar inhaalmanoeuvres moeten uithalen in deze langzame baan. Het chloor prikt intussen in mijn neus, het is tijd om te gaan. Tot de volgende keer Kale, Bollyman, Kylie en Memphis!

Waar zit dit zwembad vol paradijsvogels dan. Nou, hiero.

Het Aapje Loert aflevering #8: Metro 51 & Lucy Zilverfolie

Alleen als het donderstraalt en regent. En alleen als de wind mij tegen de glazen kantoorplinten op de Zuidas kapotzweept, pas dán neem ik metro 51 naar de Boelelaan. Vanaf station Amsterdam Zuid is dat namelijk slechts een beschamend klein stukje metroboemelen. Een paar keer ademen en tops tien keer knipperen met de ogen en dan schuiven de deuren al open op perron Boelelaan. Maar liever schaamteloos in de metro chillen dan acht minuten lopend gemarteld worden door poepsjagrijnige weergoden.

Het is 9.45 uur als ik royaal buiten de spits in een zalig-lege metro 51 richting Westwijk stap. Ik blijf in het halletje staan dichtbij de deur die straks aan de andere kant opent op de Boelelaan. Ik heb dan al één keer ingeademd en twee keer met mijn ogen geknipperd. Totdat ik Lucy Ball zie. Althans, een exacte kopie van de belachelijk succesvolle Amerikaanse comédienne uit de jaren ’50. Met diezelfde loeigrote ogen en tuitende pin-up-mond, die Ball zo geweldig flex open kon trekken als ze weer eens in een hilarische scene was verwikkeld. Met het verschil dat deze Hollandse dubbelgangster in een scootmobiel zit. Het zwarte karretje is helemaal omwikkeld met aluminiumfolie. Het stuur, de armleuningen, alles stevig verpakt in zilverpapier. Daaromheen nog plastic folie, tegen de regen gok ik. Dat zilverpapier begrijp ik niet en daarom vind ik het dus boeiend. Een koosnaampje is meteen geboren: Lucy Z. aka Lucy Zilverfolie.

Ondertussen staart Lucy Z. strak voor zich uit, met haar gezicht richting de deur. Mijn deur die straks openschuift op de Boelelaan. En al zie ik haar markante gezicht slechts en profiel, ik voel de melancholie. Ogen die naar het niets staren. Dat had Lucy Ball ook weleens in haar schaars-serieuze momenten. Ik raak niet uitgeloerd. Niet alleen het scootmobiele kunstwerk van zilverpapier waarin Lucy Z. apathisch voor zich uit staart, maar haar hele voorkomen is het levende voorbeeld van stil verdriet en eenzaamheid. Haar baksteenrode (nep?)coupe is een eigenaardige mix van kroeskrullen en een suikerspin. Of het zijn plukken haar die te lang geen borstel hebben gezien. Op die verstikkende klittenberg pronken vijf schuifspeldjes met strass-steentjes die af en toe oplichten in het vale licht van metro 51. Een ekster had haar tot bloedens toe aangevallen. De vogel zou haar kapsel voor glitterende discobal hebben aangezien. Over het suikerspinkapsel is een kanten haarnetje gespannen dat meer weg heeft van een stuk antieke bruidssluier uit Lucy Z.’s weduwe-inboedel. Haar outfit is verder van het type droevig. Een vaalblauw regenjack, een grijsbruine sjaal uit de kringloopwinkel, haar donkerblauwe katoenen broek onder de vlekken. Daaronder gewatteerde skilaarsjes die ze waarschijnlijk thuis ook niet uitdoet vanwege onbetaalde elektriciteitsrekeningen. Lucy Z. begint te mompelen. De vorm van haar mond verraadt een wulpszoenend verleden. Ze zou nog best willen, gezien de hysterische vegen budgetroze lippenstift vlak naast haar mond en op de appeltjes van haar ingevallen wangen.

In het mandje dat aan haar stuur hangt zie ik alleen wat verkreukelde Metro-krantjes. Ik ga een beetje op mijn tenen staan om te koekeloeren of er misschien niet iets markants in dat mandje ligt. Maar tevergeefs. Het is verder leeg. Net zo leeg als haar blik. Lucy Z. mompelt nog steeds. Of misschien lipsynct ze wel een zoet jukeboxliedje, nog uit de tijd dat ze een jong blomske was. Nog twee seconden en dan trekt de metro na het stoplicht op, om vervolgens de Boelelaan aan te tikken. Ik werp nog een allerlaatste blik op de achterkant van Lucy’s scootmobiel, en dan zie ik het opeens. Aan het tassenhaakje bungelt moederziel alleen een wit fietslampje, als een eenzame kerstengel. Diep van binnen moet ik huilen. Ik huil om Lucy Zilverfolie. En mijn dag moet nog beginnen.

Lucy wie? Check het hierrr.

Het Aapje Loert. Aflevering #7: Treinstel 8732

Hij lijkt vet veel op de acteur Dylan Baker, de wetenschapper uit Spiderman I en II, de man die tegenover me zit. Hij kijkt merkwaardig gespannen, compleet met een uitgestreken uitdrukking; het handelsmerk van Baker. Op zich is deze dupe van Dylan Baker casual netjes in zijn kleding: jeans, geruit overhemd en een gestikt blauwkleurig kort jack met borstkleppen. In die borstzakken passen precies twee Nokia’s 3310. Netjes maar hopeloos gedateert oogt het allemaal. Met het tempo van een revaliderende naaktslak haalt ‘Dylan’ een plat rond plastic doosje met blauw deksel uit zijn cognackleurige, eveneens outdated aktetas. Er zitten rode druiven in. Ik zou vanwege de intens zichtbare wijn(?)wallen onder de ogen van Dylan’s dubbelganger, het gistingsproces niet continueren door druiven te gaan eten. Maar goed.

Jajaja. De monkey tukt graag, maar niet als er rare peoples in de coupé zitton.

Jajaja. De monkey tukt graag, maar niet als er rare peoples in de coupé zitton.

Schuin tegenover mij ontstaat iets enorm awkwards. Een grijze bebrilde zestiger met Woody Allen-montuur, is all in zijn kruiswoordpuzzelproject. Maar telkens als hij een ‘ummm even nadenken’-joker inzet, doet hij dat niet door naar beneden (kinesthetisch ingesteld) of door opzij/uit het raam te kijken (auditief ingesteld), maar heel hinderlijk naar mij. Met priemende ogen zoekt hij mijn gezicht. Ik voel dat, en ga direct vet geïrriteerd in de tegenaanval. Ik zet mijn meest epische talk to the hand en get out of my air-face op. Mijn shock-therapie werkt.

Ik kijk met een lichtelijk pedante blik weer naar ‘Dylan’. Zijn druiven zijn op. En tot mijn grote ontsteltenis is ook híj nu in kruiswoordpuzzel-Narnia verzonken. What the hell is wrong with you peoples. Al mijn hele leven lang associeer ik kruiswoordpuzzelaars namelijk met Cobi van drie hoog, muffe bokkenpootjes, punnikcursussen, hysterische parkieten in kooi met tijgerprint, wanstaltige ANWB-outfits, Fred en Ria Onderbuik uit Draadstaal, doorgekookt suddervlees, klapstuk, hete bliksem en Ik Hou van Holland.

Sinds vandaag zijn daar dus Dylan Baker en Woody Allen bij gekomen. Om in sociale mediatermen te blijven: #Ijustcant

GYMMEN KRENG!

Afgelopen vrijdagochtend. Rotterdam-West ontwaakt en ik doe mee, hetzij lui. Werkpakje blijft op de hanger want vrijdag is mijn vrije dag. Met mijn Wedgewood-unit vol dampende koffie, plof ik chill op de bank en floep ik de tv aan. Op deze lazy morning heb ik vooralsnog nul voorkeur voor specifieke televisie-indoctrinatie, en dus blijft de zender hangen op NPO 1. Het is 09.15 op mijn foon, en ik zie een paar bejaarde landgenoten op campy studioverhogingen gymnastiekoefeningen doen uit het jaar kruik.

Welkom bij Nederland in Beweging.

In tegenstelling tot de bewegende lieden op mijn beeldscherm, blijf ik als een soort bevroren satéprikker, ademloos naar dit tv-tafereel kijken.

Vol in my face zie ik de immer opgewekte Olga Commandeur (die dit programma al zo’n 100 jaar presenteert) en duopresentator Duco Bouwens, wiens kaaklijn en spiermassa overduidelijk naar Ken (van Barbie) is gemodelleerd. Het olijke gymduo hupt telkens slechts twee laffe centimeters van links naar rechts, en weer terug. Bij deze inspanning waar toch al snel zo’n 0,01 kilocalorie wordt verbrand, trekken Olg en Duuk er gezichtjes bij alsof ze net de triathlon hebben gelopen. Ik heb inmiddels behoefte aan een beademingsapparaat voor thuis met een appje voor bediening op afstand.

Dan de figuranten die op de achtergrond meehuppen. De redactierecruiter is vooral wezen buurten op de Beverwijkse Bazaar en de Libelle Zomerweek zo te zien. Van koopjesjagerbelust volk naar truttig huppende mannen en vrouwen is niet zo’n heul ingrijpende stap. Links achterin de Hilversumse gymstudio staat Leen. Een pezige zestiger met zweetplekken ter grootte van Lelystad Centrum onder zijn shirt-oksels. Op de maat van de muziek zwaait hij zijn gestrekte armen vanaf zijn hoofd, met één zwiep naar beneden, en weer terug. Kijk, zo trek je dus een kilo turf uit de grond.

'Hup, zwaaien met die dumbbells!'

‘Hup, zwaaien met die dumbbells!’


Achterin in het midden staat een Carla, iets te enthousiast op haar podiumpje armoefeningen te doen. Eigenlijk zwaait ze gewoon strak de camera in. Je hoeft geen liplezer te zijn om te zien dat Carla de groeten doet aan Arie, Ria, Koos, Wesley en Cor. Dit is aangrijpende televisie voor een vrijdagochtend, for sure.

Ondertussen roept Olga allemaal dingen met de bedoeling de oefeningen intenser te doen laten lijken. Zo adviseert ze bloedserieus tijdens een kniebuiging van 1 mm, dat het ‘hoe dieper je gaat, hoe intensiever de oefening.’ Bij een oefening met assistentie van met water gevulde petflessen (!), begint Olga bijna te jodelen van vreugde: ‘ja, toe maar, breng die flessen naar voren langs de oren, doppen tegen elkaar en richt je weer op, en hop, laat je weer hangen en naar voren!’, en besluit ze met de epische woorden: ‘dit is pittig.’ Dat zou ik ook vinden bij het horen van zo veel infantiel fitnessjargon, Olga. En waar is die Duco eigenlijk gebleven? Ondertussen google ik in capslock op ‘beademingsapparaat nu bestellen morgen in huis.’

Schuin rechts achter Duco, staat Lia. Een veertigplusser met overduidelijk geverfd zwart haar, dat als een Cleopatrakapsel om haar lijkbleke gezicht hangt. Ze heeft denk ik artrose, reuma, hartkloppingen en een versleten heup tegelijk. Want als houvast doet Lia Zwarthaar haar hupjes gezellig samen met de bureaustoel, gejat van de opnameleider. Lia’s peervormig figuur wordt ondertussen geweldig geaccentueerd door een perzikkleurig aerobicshirt #not. De stylistes van dienst hingen hoogstwaarschijnlijk de nacht daarvoor in de Hilversumse lampen, want alle figuranten hebben überhaupt kleding aan die het daglicht niet kunnen verdragen. Meanwhile hupt de rest van de figuranten compleet uit de maat. Kirt Olga nog iets met ‘als het niet lukt, pak dan niet je scheen- maar je bovenbeen vast.’

Ik hou mijn hart maar even vast als je het niet erg vindt, Olga. Om te checken of het nog klopt. Om daarna opgelucht te constateren dat alles nog tikt, beweegt, ademt en leeft. Ondertussen hoor ik de fade out tune van deze Olga, Duco en de Gymmende Bejaardenposse Show. Ik floep snel de tv uit en at mijn koffie weg:

TGIF, hoezee!

Dag Nette Man, Dag Moeilijke Man

Ik zat afgelopen zaterdag in een zonovergoten treincoupé, op weg naar Utrecht CS. Naast mij kwam een man zitten. Ergens in de zestig gok ik. Een Surinamer met een glimmende zwartblauwe huid, rustige uitstraling. Zilverkleurig montuur en zwarte hoed. Een nette zwarte pantalon met donkere, gepoetste loafers eronder. Hij was verder gehuld in een wat misplaatste jas. Daar bedoel ik mee dat zijn jas geen recht deed aan de rest van zijn gesoigneerde voorkomen. Het was zo’n robuust regenjackding met geometrische vlakverdelingen in blauw en wit. Heul lelijk. Met op het rechterschouderpand zo’n reflectorlabeltje. Wat ook niet helemaal een match was, was de rugzak. Zo’n grijze muis-exemplaar in, u raadt het al; stemmig grijs. Het was wel een East Pak. Dat dan weer wel.

Uit de rugzak haalde de man een zwarte lederlook map. Hij klapte het open en daarin openbaarde zich in de sleuf van de map, een A-4 met daarop een keurig geprint reisschema. Met gele en roze markers had hij de tijden en plaats van bestemming nog eens extra gearceerd. Er stonden ook wat aantekeningen bij met blauwe pen. Prachtig om iemand nog zijn reis te zien controleren op een manier van voor de eeuwwisseling. Had hij een mobiele telefoon gehad waarop hij zijn reis zou checken, dan had ik niet eens opgekeken. De man bestudeerde zijn reisschema aandachtig op een manier die een hoge mate van ordentelijkheid verklapte. Hij checkte, gezien zijn non-verbale communicatie, het reisschema een paar keer opnieuw. Just to make sure he didn’t miss a thing. Intrigerend. Waar zou oom Winston naartoe gaan op deze zonnige zaterdag? Welke bestemming mocht hij beslist niet missen dat hij steeds opnieuw checkte of hij wel op schema zat? Welke bestemming op deze zonnige zaterdag vereiste een scherpe vouw in zijn pantalon en had hij speciaal zijn hoed voor deze gelegenheid afgestoft? Oom Winston heeft tussen Rotterdam cs en Utrecht cs zeker vier keer zijn map met reisschema in zijn rugtas gestopt en weer opnieuw eruit gehaald. Just to be sure to not miss a thing.

In Utrecht had ik mijn laatste Talentacademieklasje als mentor voor dit jaar. Hierna volgen de afrondende workshops en scriptieschrijven voor het klasje van 25 ´talenten´. De studenten kregen college over de toepassing van het CDA-gedachtengoed. Maar eerst werd er stevig gediscussieerd over wat dat gedachtengoed nou eigenlijk was/is. De gastdocent is geen onbekende voor mij, al een tijdje werkzaam voor het wetenschappelijk instituut van het CDA en docent rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden. ´Wat moslims zouden kunnen leren van het gedachtengoed´, was zijn wat eenzijdige stelling. Met opzet naar het bleek. Want hij wilde porren, de verschillende sentimenten rondom dit onderwerp op scherp stellen. Dat lukte heel aardig met zoveel CDA´ers met evenzoveel uiteenlopende meningen. En dat was ook helemaal prima. Voor het CDA blijft de wel/niet relevantie van de C in de partij een tamelijk eindeloze discussie. Progressieven en conservatieven die ideologisch touwtje zitten te trekken. Dat leverde behalve amusante discussies, soms ook wat lastige interacties op. En dat was ook helemaal prima. Nogmaals, zoveel CDA´ers, zoveel meningen. Kortom, een boeiend college op een zonovergoten zaterdag in het Utrechtse. Na afloop kwam ik op mijn weg naar Uut CS een van de studentes tegen. Ze keek wat beteuterd voor zich uit en reflecteerde op het zojuist gevolgde college met een ´ik vond het een moeilijke man.´ Ik vroeg haar waarom ze dat vond. ´Ik vond hem gewoon moeilijk te volgen. Maar goed, voor iedereen zal het anders geweest zijn.´

Het was een zonnige zaterdagochtend in Utrecht. Waar een nette gesoigneerde man met een detonerende jas en rugzak zijn weg vervolgde naar een ongetwijfeld voor hem belangrijke bestemming. Waar een uiterst slimme man niet voor de meest makkelijke weg koos om zijn verhaal te vertellen. Hun doelgerichtheid riep vragen op. Waar ging de man naartoe? Waarom was deze man zo moeilijk te volgen?

Het was zonnig in Utrecht. Het was de ochtend van de Nette Man en de Moeilijke Man.

Het Aapje Loert. Aflevering #7: Vlucht QR 0960

Mijn vlucht QR 0960 met Qatar Airways van Doha naar Denpasar ga ik niet gauw vergeten. Sowieso is het serviceniveau van de Arabieren gruwelijk goed. De fijne ontbijtjes, de curry’s, de romige Cabernet Sauvignons, het personeel lief en voorkomend. In deze Duizend en 1 Nacht-bubbel, sprong zij eruit. En met ‘zij’ bedoel ik een van de stewardessen. Ik noem haar Oksana de Droevige. Een dame met een opvallend uiterlijk tussen de overwegend Arabische-Aziatische cabincrew. Ze heeft iets onmiskenbaar russisch. Porseleinbleek gezicht, tomaatrode lippen, het ebbenhoutbruine haar strak in een vlechtknot. Haar uitstraling melancholisch, de ogen een beetje leeg, droef en vragend tegelijk. Niemand weet wat er in haar strakgevlochten hoofd omgaat, niemand die het haar vraagt. Ik vul het graag denkbeeldig voor haar in.

Oksana wilde eigenlijk helemaal geen stewardess worden. Maar een leven lang slijten in Odessa was ook geen optie. Het was haar oude moedertje die zei dat ze maar moest gaan vliegen, ‘dan zie je nog wat van de wereld, mijn lieve suikerpopje.’ En zo geschiedde. Oksana maakte braaf haar opleiding af maar bleef een buitenbeentje. Een dagdromer is ze. Het mag een godswonder heten dat ze het georganiseerde van een stewardess goed in de vingers kreeg. Maar contact maken met anderen, hoe bizar dat ook klinkt voor het beroep dat ze uitoefent, is taai voor haar.

In alles straalt ze eenzaamheid uit. Zwijgzaam en alleen duwt ze haar trolley door het gangpad en serveert ze het ontbijt uit. Haar collega’s bedienen de andere kant van de stoelenrij, en maken geluid ter compensatie van de stilte bij Oksana. Ze perst alleen het noodzakelijke vocabulaire eruit: ‘would you like coffee or tea?’. Uit haar mond klinkt het alsof het thee- of koffiemoment totaal geen vreugdevol moment hoort te zijn. Oksana’s ogen zijn groot, maar te klein om haar melancholie te kunnen verbergen. Als ze nu in tranen zou uitbarsten dan had ik een mini-overstroming in mijn koffiebeker gehad.

Wanneer de Boeing 787 Dreamliner de passagiers zachtjes in slaap wiegt, waag ik een wandelingetje naar het toilet, daarna ga ik op zoek naar een glaasje water. Bij de exitdeur zie ik haar op een klapstoel zitten, Oksana. In haar charmante burgundy uniform zit ze roerloos, zwijgend voor zich uit te staren, naar wat eigenlijk. Ik wilde haar mijn glaasje water geven maar bedacht me opeens dat een bel wodka effectiever zou zijn. Ik laat haar in haar droefbubbel. Misschien is dit een van de schaarse momenten dat ze haar leven kan overdenken. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat waar ze nu is, beter is dan Odessa. Ze knikt even als ik langs haar loop.

Twee uur voor de landing op Denpasar International Airport krijgen we het diner uitgeserveerd. Oksana loopt moederziel alleen door haar ‘aisle’ en vraagt met een afgemeten, kleine stem of we beef, chicken of tofu willen. Ik bestel een gin tonic bij haar en ze vraagt of ik er citroen in wil. Dat wil ik. Als Oksana haar voedseltrolley weer langzaam verder richting de staart van het toestel duwt, alsof ze haar jonge leven nog een laatste zwengel voorwaarts wil geven, neem ik een slok. Een perfecte gin tonic. Dat wil zeggen: Oksana is royaal geweest met de gin-unit. Alsof ze daarmee duidelijk wilde maken: ‘Enjoy every sip of it, because at this very moment, I can’t. I just can’t.’

Het Aapje Loert. Aflevering #6: Een nieuwe lijfarts

Nieuwe woonstad, nieuwe huisarts. Ik koos voor ultiem gemak: dokter Oudeman op twee koprollen van mijn huis vandaan op de ’s Gravendijkwal, hoek West-Kruiskade. Ik moest erheen omdat ik vanwege mijn extreme loensgedrag, een rood uitgeslagen linkeroog moest laten fixen.

Bij binnenkomst was de situatie al direct tamelijk chaotisch: twee doktersassistenten en een verpleegkundige die vanuit een krappe werkkamer wat verwilderd de wachtkamer in zaten te kijken: ‘u heeft een afspraak? euh, gaat u zitten mevrouw.’ Waarop een oude Rotterdammer, zeventigplusser, type kranige oud-havenwerker tegen mij begint te praten. ‘Meid, ze lopen weer eens uit. Maja, die wrat achter mijn oor moet eauk weg. Stikstof, keje niet van buiten.’ De wachtkamerbezoekers zijn buiten de Rotterdamse kapitein Haak, allen gekleurd: Turks, Antilliaans, Marokkaans; het is een staalkaart van de geografische populatie van de West-Kruiskade. Prachtig.

Ik kom erachter (again) dat ik geen zakdoekjes mee heb en gooi het in de groep. Spontaan krijg ik van een Turkse lady een pakje Tempo tissues waar nog twee exemplaren in zitten. ‘Nee! Mag houden!’ Dankbaar snuit ik mijn allergieneusje in het zakdoekje. Het ruikt naar baklava en suçuk in de mix.

De huisverpleegkundige maakt aanstalten om naar huis te gaan. Haar outfit is fenomenaal: zwart vestje met glimmers, nepleren knierok bezaaid met nestels langs de zoom. Bij gebrek aan een dienstingang, loopt de struise Kaapverdiaanse zuster door de wachtkamer richting uitgang. Maar eerst knoopt ze een praatje aan met de Turkse lady die mij zojuist baklavazakdoekje doneerde. ‘Dus de pilletjes werken?’ ‘ok, en u hoest nog wel? ok. Dat gaat wel over hoor, maar die pillen mag u echt niet overslaan hoor, daarom!’ Kordaat klinkt zuster Kaapverdië. Dit was geen relaxte chit chat maar een heus controlegesprek.

Onderaan de wachtkamerdeur zie ik iets wat op een kogelgat lijkt. Makkelijk scoren op het profiel van deze wijk natuurlijk, maar ik zou er niet gek van opkijken als dit wèl een plaats delict was. Op de deur naar de behandelkamer prijkt een rood bordje met Niet Roken erop. Stamt nog uit de tijd dat heroïneverslaafden hier hun healthcheck kregen. Daarover later meer.

Als ik dan eindelijk na drie kwartier aan de beurt ben, mag ik kennis maken met mijn nieuwe lijfarts. Met een grote zucht verwelkomt hij mij met ‘sorry dat het zo is uitgelopen.’ Dokter Oudeman is een vriendelijke zachtaardige slungel met vlassig haar. Een midzestiger aan wie je kunt zien dat de beste man echt álles heeft gezien. Ik pak mijn denkbeeldige journalistenschrijfboekje erbij en stel hem vragen. Dokter O. houdt al 37 lange dienstjaren praktijk aan de ’s Gravendijkwal. Zijn gloriejaren als arts beleefde hij in de nineties, toen de tippelzone Keileweg, methadonpost Perron Nul en de psychiatrische instelling in de buurt nog actief waren. Bijna verontschuldigend doet hij een bekentenis: ‘het klinkt misschien een beetje banaal maar het waren mijn meest fascinerende patiënten.’ Ik begreep de romantiek van zijn werkveld meteen. De romantiek van het idealisme iedereen beter te willen maken, in combinatie met het snoeiharde randje van de verslavingsproblematiek in de jaren ’80 en ’90. Die contrasten moeten de toen jonge arts Oudeman bij de keel hebben gegrepen, stel ik me zo voor. ‘Hier moet u een boek over schrijven!’, moedig ik hem aan. Hij glimlacht bescheiden. Ik wil door, en probeer mijn favoriete communicatieonderwerp aan te zwengelen (arts patiëntcommunicatie die meestal hiërarchisch en top down is). En hoe hij dat doet met het overwegend matig Nederlandssprekend patiëntenbestand.

Oudeman stelt een wedervraag. ‘Ken je Don Quichot la Mancha waar hij met een schrijfplankje aan komt zetten bij de Indianen? Met non-verbale communicatie kom ik in elk geval een heel eind’ Zijn oude oogjes glimmen terwijl hij mijn oogdruppelrecept uitdraait. Oudeman geniet zichtbaar van het kennismakingsgesprek. En ik ook. Als een lijfarts zijn werk probeert te duiden met een beeldend hoofdstuk uit de wereldliteratuur, dan heb je me hoor.

ps: hey, jullie geloofden toch niet dat ik door intens loensgedrag bij de dokter zat, toch? Rood oog klopt, maar de rest is apenkool af. Wanneer dringt dat nou eens tot jullie door, sukkels. XXX

Het Aapje Loert. Aflevering #5: Treinstel 2956

‘Mijn lichaam ging doenk.’ De Sprinter stopt in Capelle Schollevaar. Drie stations gehad, nog zeven te gaan. Bij een vrouw met marktvrouwstem ging het licht uit. ’Doenk’ was het woord ter illustratie van haar medisch geïndiceerde knock-out. ‘Wat erg’, roept haar treinvriendin. Ze stappen uit. Een zucht van verlichting gaat door treinstel 2956 als de Sprinter met ritnummer 4022 weer optrekt. Een Sprinter vol slaapstandzombies die een poging doen de schijn van enige activiteit te simuleren. Ik zie laptophanden, krantenhanden, gevouwen, lege handen. Veel forenzen moesten in Rotterdam rennen voor deze trein, maar liever lurkten ze nu aan kioskenkoffie. De verslagenheid op de vale gezichten is groots.

In Woerden stapt een mevrouw in met een stuk roodkleurig gedrapeerde gordijn bij zich. Het blijkt haar rok te zijn. Mensen kleden zich serieus slecht in de ochtend. In de stoelenformatie schuin voor mij leest iemand al tien minuten pagina 3 van de Metro editie Rotterdam. De hele buitenste rij van de Sprinterstoelen in treinstel 2956 wordt bevolkt door jasje petje-gasten. Ze kijken doodop doods het gangpad in. Het zijn MTV EMA roadie-look alikes.

Ik wil de vrouw aantikken die nu al een kwartier bezig is met de Metro editie Rotterdam. Ik wil haar zo vreselijk graag vertellen dat de postbodetas die ze om heeft hangen, verboden zou moeten worden vanaf de dag dat ‘ie van de fabrieksband rolde. In plaats daarvan volgt een epische allergieattack vanwege de never nooit gereinigde stoffen Sprinterfauteuils. En zoek ik naarstig naar mijn drielaags-papieren zakdoekhulptroepen. De vrouw is gered van mijn vernietigende advies. En wij allebei van een ongemakkelijke treinreis. Een zeeblauwe leren portemonnee met mal bultjesreliëf steekt wulps uit een jaszak van een vrouw schuin rechts voor mij. De blauwe potvis is zeer geschikt om gestolen te worden door een zakkenroller uit het B-circuit. De vrouw heeft haar natte haar in een Spartaanse knot gedraaid. Binnenkort sterft haar haardos van knellende ellende. Wie een haarsadist is verdient gerold te worden.

De coupé is volledig in zwart gedompeld:
zwarte nylon rugzakken
zwarte suède pistol booties
zwarte 15 denier panties
zwarte cardigans
zwart brilmonturen
zwarte overjassen
zwarte mascara everywhere.

Ik raak de tel kwijt en ik weiger pertinent in deze mistroostige depressiekuil te vallen. De winter is schijnbaar één grote rouwperiode voor treinprovincialen. Behalve voor mij (en gordijn en potvis). Tevreden kijk ik naar mijn perzikrode Clarks. Voldaan bijna. Alsof ik net van een overdadig ontbijt met American pancakes, verse eitjes en pruttelende koffie vandaan kom, versus de rouwstoet die net een plak droge fabriekscake heeft moeten wegtijgeren met slootwaterkoffie.

Zwart broekie, blije Clarks.

Zwart broekie, blije Clarks.

Aan de voorbijschuivende grijsbruine viaductwanden te zien, naderen we station Abcoude. De Sprinter remt af. Ik hang mijn AMC-badge om met een overwinningsglimlach. Als we straks Abcoude verlaten, tik ik over precies drie minuten na nu, station Holendrecht aan. Blij dat ik geen gordijnen draag. Opgelucht dat ik geen postbodetas-fetisj heb. Ben ik fier op mijn blauwe mascara in de wetenschap dat er geen lelijke potvis in mijn kontzak steekt. Mijn haardos ademt frank en vrij sans elastiek, ondanks mijn hooikoorts.

Maar het allerbelangrijkste is dit: Holendrecht is in zicht, de eindsprint is gehaald. Het licht gaat bij mij nog lang niet uit.

Het Aapje Loert aflevering #4: Het tostipaleis

Vorige week woensdag was ik in Damsko voor een zakelijke afspraak. Omdat die afspraak letterlijk en figuurlijk soepel verliep, had ik plenty tijd over om te chillen in het laatste restje nazomerzon. Uit automatisme koos ik voor Het Paleis, achter de Dam. Typisch zo’n tent in de categorie ‘kun je geen buil aan vallen.’ Constant in kwaliteit, steady interieur, wars van hipster nieuwigheden. Hier gelukkig geen hangplanten in triangelvormige plantenbakken en afgebrokkelde bakstenen muren. ‘Tijdens de verbouwing ontdekten we dit onaangetaste stuk muur en vonden het helemaal leuk om het zo te laten.’ Lulkoek. Zulke bakstenen muurtjes worden gewoon met voorbedachte rade eruit gebikkeld. Bij Het Paleis doen ze niet aan dit soort flauwekulmakeovers. In de hopeloze strijd om toch maar sexy te blijven voor het publiek. Never change a winning team hangt nergens op een bordje. Hoeft ook niet want ze veranderen gewoon niets.

Het interieur van Het Paleis is dus, voor zover ik het kan beoordelen, al een aantal jaren hetzelfde gebleven. Bistroachtig met een robuuste leestafel in het midden, langwerpige hanglampen die net niet in je krant steken, de bar onopvallend links achterin de zaak. Alles in de kleuren wit met zwartgeschilderde accenten. Uitzondering is het gedeelte bij de toiletten. Daar zijn de wanden in stemmig rood geschilderd.

Een dame van middelbare leeftijd bedient de zaak vandaag. Het is niet loeidruk. Een paar bankjes buiten zijn bezet met voormalige terrasaanbidders die hun sunny outfit verruild hebben voor de tussenjas. Binnen hangt een grand cafésfeer. Lunchers die bedachtzaam door hun macbooks scrollen of een krantje lezen bij de koffie. De dame van de bediening, ik noem haar mama-ober, is een charmante verschijning; brunette met het haar in een hoog knotje. Een soort tangodansknotje. Ze heeft ook iets van latinobloed gok ik. Een temperamentvolle maar warme, benaderbare uitstraling. Op het knusse af. Ze kon iedereens moeder of tante zijn.

Op de kaart zie ik een paar broodjes staan. Iets met zalm, avocado en kiptruffel. Maar ik besluit de ultieme tostitest te doen. Als tosti-units niet op de kaart staan, vraag ik er juist meestal naar. En dan kijken hoe creatief ze zijn. Of constateren hoe zuur ze zijn als ze een kille ‘nee sorry tosti bestaat hier niet, wel rechtsdraaiende boerensandwiches’ verkopen. Op mijn tostivraag antwoordde de mama-ober met ‘we hebben geen ham, maar wel bacon. Is ook lekker. Zullen we dat gewoon proberen?’ She had me with bacon. De manier waarop ze het gebrek aan ham compenseerde met bacon als joker was hartverwarmend. Alsof een tante pannenkoekjes staat te bakken en erachter komt dat de stroop op is en direct de verwachtingsvolle neefjes en nichtjes (want willen pannenkoek met stroop) sust met het alternatief: ‘Ik heb nog een fles heerlijke zelfgedraaide ahornsiroop staan, Zullen we dat gewoon lekker doen?’

De tosti was huge. Dikke boterhammen goed geroosterd. De kaas royaal gesmolten en jawel, lekkere salty bacon ertussen. De tosti was zo groot, dat ik na drie hapjes opeens met een tosti-overschot zat. Ik vroeg aan mama-ober om mijn tosti in te pakken want ‘heerlijk maar wel enorm groot, haha.’ Deze verontschuldigende toelichting was volstrekt overbodig. Aan haar blik te zien begreep ze me volkomen. ‘Tuurlijk kind, komt helemaal goed dit.’ En het kwam goed. Want ik kreeg de tosti in een schokbestendige plastic doos waar gerust vier tosti’s in hadden gepast. Het deksel heb ik thuis weggegooid, het zwarte bakje is inmiddels een prima rommelbakje geworden. Alsof mama-ober wist dat ik thuis nog een handjevol verdwaalde dingen (paperclips, pasfoto’s, sleutelhangerpoppetjes, festivalmuntjes) had waarvoor ik nog geen bakje had. Ze zag dingen. Mijn tostivraag was gelaagd genoeg voor haar om mijn achterliggende wens voor opbergbakjes naar boven te kunnen toveren.

Ik kom snel terug naar Het Paleis. En maak direct rechtsomkeert als ik erachter kom dat mama-ober er niet is.