Elin, Mijn Funny Tandenfee

Mijn vaste mondhygiëniste was er niet. Haar vervangster checkte telefonisch nog even of ik okay was dat zij het voor deze keer waarnam, voordat zij de afspraak zou gaan inplannen. Ik maakte alsnog een superflauw grapje dat ik eenkennig was en niemand vertrouwde, dus nee, ik zou niet komen. Maar mijn stem verklapte natuurlijk allang en breed dat ik het totaal niet meende. De vervangster Elin, blijkt een opgewekte Turkse deerne die voor het gemak ook de receptie bemande. ‘Vakantietijd hè, iedereen weg. Behalve ik dan. Heb je nog even een moment? Dan werk ik even dit mailtje weg.’

Elin bleek haar opgewektheid heel consequent door te trekken in de behandelkamer. ‘Ff kijken hoe je mond erbij ligt te chillen. Aha.’ Ik: ‘Aha?’ ‘Ik zie aanslag. Rook je?’ Ik: ‘Ben een casual roker, dus als ik drie sigaretten per kwartaal rook is het veel,’ beken ik met gepaste groosheid. Koffie kon ook niet echt de boosdoener zijn aangezien ik alleen ’s ochtends aan het koffie-infuus lig: één beker c’est tout. Elin denkt even na want dit antwoord had ze blijkbaar ook niet helemaal zien aankomen. ‘Ik ga je laten zien hoe je het beste kan poetsen. Hand of elektrisch? Maakt mij geen bal uit hoor. Als je het maar goed doet.’ Ze klapt zo’n kunststof gebit, -gebit-poetssimulator in jargon- open, en pakt er een tandenborstel en spiegel bij. Theatraal duwt ze de handspiegel vlak onder mijn neus. ‘Je spiegel wordt je beste vriend. Spiegel wordt vies, dat ook, maar het gaat je beste vriend worden, let op.’ Geamuseerd kijk ik vanuit mijn lighouding naar docente Elin en bij haar eerste poetsbeweging in dat gebit slaak ik al een ‘oooh’ van enorme verbazing. Elin kijkt supertriomfantelijk. ‘Had je niet gedacht hè?’ Nee. Ik had zeker niet kunnen bedenken, dat als je van die hysterische massage-bewegingen van tand naar tandvlees maakt (de poetstechniek die echt íedereen hanteert), dat je dan gewoon niet goed bij je hoofd bent. ‘Want’ vervolgt Elin opgewekt, ‘op het moment dat je je tandenborstel heen en weer beweegt, van en naar je tandvlees, dan duw je toch je tandvlees stuk?’ Ik knik gedwee. ‘Nou dan.’ Dus weet ik vanaf nu dat je je borstel gewoon eerst op je tanden legt en heel simpel eenrichtingsverkeer-poetsbewegingen moet maken. Daarna ‘kieper’ je de tandenborstel schuin richting je tandvlees ‘en dan doe je rustig hetzelfde. Van achter naar voren, borstel uit je mond en weer leg je opnieuw je borstel op de achterkant en schuif je ‘m naar voren. Een panenka vanaf de stip is er niks bij.

IMG_20180801_222257_936

Tandenpoetsen is topsport als het aan Elin ligt. Streng als ze is, laat ze mij droogpoetsen terwijl ik onwennig die spiegel vasthoud. ‘Je moet gewoon zien wat je aan het doen bent, anders wordt het ‘m echt niet hoor. En door je neus blijven ademen en mond ontspannen als je bij je achterkiezen bent. Zo voorkom je kokhalzen. Waar poets je mee? Paradontax?’ Ze lacht. Daarmee weet ik meteen dat ik al jaren in het slimme marketingverhaal van Glaxo Smith Kline ben gestonken. Een godsvermogen heb ik aan deze zoute tandpasta gespendeerd. ‘Poets alsjeblieft met wat je lekker vindt smaken. Paradontax is niet lekker. Punt uit.’ Okeeee juf Elin.

Meteen beland ik in college deel II: Hoe-de Dreft-op-een doekje-volslagen zinloos-is-theorie. ‘Want zeg nou zelf, als je Dreft op een spons gebruikt, dán pas krijg je die aanslag toch weg? Precies.’ Elins’ tandenles werkt aanstekelijk. Vooral omdat Elin ook echt een heel grapppig persoon is. Bij elk nieuw poetstechniek-weetje dat Elin doceert, brul ik vrolijk ‘Serieus???’ en lacht Elin om mijn omg-momentje nummer twintig. Met haar lilakleurige uniform en haar sprankelende persoonlijkheid lijkt ze zo uit die gekke doktersserie Scrubs zijn weggelopen. Elin legt uit en kletst vrolijk verder. Dat ze poetsvoorlichting geven zoals ze nu al ruim twintig minuten doet, eigenlijk nog leuker vindt dan het behandelen zelf. Ook omdat ze de zenuwaandoening Carpaal tunnelsyndroom heeft in haar arm, ‘dus dan is het ook echt even lekker om niks met mijn handen te doen.’ Elin stijgt in mijn aanzien. Ik ga goed op mensen die werkelijk niks maar dan ook niks een belemmering vinden en gewoon gaan met die banaan. Ik hou ervan. En ik hou ook zielsveel van mijn nieuwe tandenpoetsritueel. Borstel erop, van achter naar voren. Borstel eraf en weer achterin je kaak leggen en de beweging herhalen.

The Elin Way is the Only Way peoples.

De Week van Rabia & Hadewych

We hebben sinds kort een nieuwe schoonmaakster. Ze luistert naar de naam Rabia. Een bescheiden Marokkaanse dame die de sterren van de hemel poetst: ze is uitgeroepen tot beste schoonmaakster van de Erasmus Universiteit en studentenhuizen prijzen haar de hemel in. Rabia komt uit deftig Kralingen, dus toen ze – want ze fietst niet- met het OV ‘helemaal naar Oud-West’ kwam voor het kennismakingsgesprekje wilde ze wel graag even kwijt dat ze nooit naar West komt want ‘veelste chaotisch en druk’. Het was dus even spannend of ze niet meteen gillend weg zou rennen van ons grote huis met een tuin die lijkt op een mini-versie van Rotterdam na de bombardementen. Maar Rabia hoeft geen tuinen te poetsen, ons sanitair moet gewoon blinken en de drie verdiepingen moeten geuren naar bloeiende lentebloemetjes. Ze is net twee weken onderweg en ze doet het supergoed. Rabia is grondig en houdt gelukkig ook van een praatje tussendoor. Zo hoor ik dat haar oudste zoon zojuist is gepromoveerd en nu als brigadier loopt te shinen in Spijkenisse. Trots vertelt ze dat deze politiezoon samenwoont met Nederlandse vriendin en hun kind. Ik mag Rabia wel, zo leuk liberaal voor een Marokkaanse. Een alleenstaande, hardwerkende moeder die nog de zorg heeft over een puberzoon (‘hij gamed teveel, maar ja wat doe je eraan’). Een andere zoon werkt bij de Keukenkampioen en een schone dochter is HBO Bouwkundestudente met TU Delft-aspiraties. Mooi om te zien hoe ze haar dedicatie in schoonmaken, combineert met liefde en warmte aan het thuisfront. Zodat haar kroost niks tekort komt. Alles zonder man. Ik weet niks van die man. Hoeft ook niet, want Rabia regelt het zelf wel.

Een andere soort supervrouw trof ik afgelopen zaterdag met mijn vaste theatermusicaltoneelgroepje op de Parade in het Haagse Westbroekpark. Hadewych Minis kwam, zag en overwon. Haar spel maakte alle andere voorstellingen volstrekt non-descript en overbodig. Hadewych stond gewoon ‘weet u wel wat dat betekent?’- Hadewych te zijn. Nou ja gewoon, gewoon. Ze was meesterlijk. Zingendgrommend, flamencodiscodansend, scherpgeestig, heftigkwetsbaar, intensprachtigintiem, felvenijniggrappig. Over wifey zijn, dochter-van-zijn, ballen omhooghouden-moeder zijn, sexyvrouw zijn, moedige-chick-zijn, alles. Hadewych die alle registers openrukte en de boel aftopte met een royale scheut #metoo. Actuele thema’s in de categorie ‘jaja nou weten we ’t wel’, maar blasé-heid maakt geen kans hier. Minis grijpt je bij de keel en maakt er een waarachtige en magische erlebenis van. Het is echt lang geleden dat een stuk mij zo heeft weten te raken (ik spreek ook namens de groep). In een RTL Boulevard-fragment(!) waarin Minis over haar theaterstuk werd geïnterviewd, vroeg ze zich in alle bescheidenheid af ‘of mensen het wel leuk genoeg zouden gaan vinden.’ Een koningin die het publiek volledig in haar intense energie weet te zuigen en dan nog onzeker zijn. Ik zou Minis zo in een doosje willen doen, zijden strik eromheen en koesteren voor de rest van mijn leven. Ik zie overeenkomsten met Rabia. Ook tikkie onzeker, achter de schermen opererend, maar ondertussen in staat om grootse dingen te doen, ballen-omhooghouden-moederzijn en tegelijkertijd totaal overlopen van liefde-mopperen-liefde voor haar kroost. Rabia, de kleine Marokkaanse vrouw die de wereld verovert van Kralingen tot aan het Oude Westen.

Het was de week van Rabia en Hadewych.

Make Europeans Great Again

Europa. Ik ben geboren op dit continent en woon daarnaast praktisch al mijn hele leven op dat superkleine, goed georganiseerde en aangeharkt Nederlandse stukkie van die Europese krokante bodem. Europa. Knap continent hoor. Vooral omdat er nog zo veel uit te halen valt. Omdat het ramvol geschiedenis zit waardoor je Europa met heel je hart voor altijd wilt aaien en koesteren. Pijnlijke, mooie, vooruitstrevende, verlichtende, brute, belachelijke, en intens geschiedkundige momenten. Mogen we, even los van de verdrietige vluchtelingencrisis, Europa ook het meest civilized continent van deze planeet noemen? Beschaafd omdat we vrij zijn, vrij kunnen dansen op straat, in een club of voor een webcam (dit in tegenstelling tot Iran, waar een dansend instagrammeisje vorige week gearresteerd is). Civilized omdat wij recht hebben op gezondheidszorg, rechtsbijstand en sociale vangnetten voor als het even niet meer gaat, gezegend zijn met fijne infrastructuur zodat we overal makkelijk kunnen komen.  Supermakkelijk wegrijden van je Vinexwoning-woonerf tot ver buiten de landsgrenzen toeren naar Duitse dorpspukkels waar je nog nooit eerder van hebt gehoord. Wij Europeanen, wij Nederlanders zijn luxebeesten met een boel privileges. Ja ok, we betalen ons helemaal naar de tering qua belasting. Maar je hebt continenten waar je gewoon om niets wordt kapotgeschoten, omdat je sowieso een zware belasting bent voor dat land. Of gewoon dood gaat omdat het woord ‘gezondheidszorg’ niet voorkomt in hun woordenboek.

En nu anno 2018 willen veel British stiff upper lip-lieden opeens verkassen naar NL vanwege hun ‘eigen hoogstpersoonlijke beslissing’ om te willen brexitten. Omdat ze de haat hebben aan de EU. Anno 2018 twijfelt überhaupt een deel van NL oprecht aan de zin en onzin van de EU. Komt omdat er nog steeds zo veel onduidelijkheid bestaat over dat vage Brusselse apparaat dat de hele dat zit te huiswerken op malle Europese regeltjes. Over parmaham die geen parmaham mag heten als het niet in Parma in elkaar is geklust. Of over landbouwsubsidies die nu wel of niet voordelig uitpakken voor onze melkboeren. Niemand die het weet of snapt. Voorlopig kun je je als rechtgeaarde Nederlander (en dus Europeaan) nog steeds lamzuipen aan literpakken melk van de Friesland Campina. En zullen we het dan meteen even over die hinderlijke Chinezen hebben? Ja die ja. Met je voetbalstadions in onze provincies opkopen, maar als we hun handelsmarkt willen betreden ho maar.

Maar dan Europa volgens oud-premier Jan-Peter Balkenende. Vorige week dinsdag was ik met nichtje bij een lezing waar Balkie werd geïnterviewd door NRC-journalist Wouter van Noort. Een fijn vragenvuurtje over de waarde van een nationale identiteit, de Europeaan in de wereld. Welke toekomst Europa heeft als we de nationale staten steeds verder willen opgeven. Niet op al deze prangende vragen kwamen eenduidige antwoorden. Dat kan volgens mij ook niet want daar is Europa te complex voor. Tuu-huurlijk trok Balkie de duurzaamheidskaart als speerpunt waarmee we met een volledig sustainable Europa fier de andere wereldmachten tegemoet kunnen treden. Als oud-partner bij EY met de portefeuille Corporate Social Responsibilty, weet hij als geen ander het belang van dit thema gevraagd en ongevraagd te pluggen. En oh ja: innovatie schijnt ook nogal een showpony te kunnen zijn, waarmee je als Europees continent machtigheid kunt behouden, naast of misschien juist nog steeds in de schaduw van China, de VS en Rusland. Duurzaamheid en innovatie. Ik kan me nog een interview herinneren met voormalig SER*-voorzitter Alexander Rinnooy Kan, over duurzaamheid, kennis en innovatie. De beste man vond eigenlijk – en meer knappe economische kopstukken met hem- dat we als NL als de wiedeweerga moeten ophouden die duurzaamheidskennisinnovatiemantra rond te toeteren. Vol aan de bak moeten we omdat NL onderaan de innovatielijstjes in Europa dreigt te moeten kamperen. En nu oppert Balkie voor een verenigd, verduurzaamd en innovatief sterk en slim Europa. Nja. Terug naar de insteek van die hele lezing. Ik zat eigenlijk te wachten op een soort historisch hysterisch betoog over het belang van de waarde van de nationale identiteit of zoiets. Make Europeans Proud Again. Dat werk. Maar dat verhaal kwam er niet. Misschien moet ik er zelf gewoon aan beginnen. Als Europese kaaskop met Indonesische roots. Maak ik er gelijk een tropische verrassing-Europa van. Met veel eten, liefde, familie en gezelligheid. Y’all are invited!

  • SER = Sociaal Economische Raad

Monkey University

Afstuderen is zo’n typische hysterische gebeurtenis die je nooit meer vergeet. Sommige mensen willen het opzettelijk uit hun langetermijngeheugen wissen. Omdat afstuderen een ongekend intense martelgang is. En omdat je er blijvende littekens aan over houdt. Je sufgestudeerde brein die je moedwillig stukje bij stukje op hebt gerekt en waar je vervolgens jaren aan collegestof, syllabi, studieboeken, papers, tentamens, werkgroepjes, stage en presentaties driedubbel en origamiproof in hebt lopen vouwen. Dát brein, je zorgvuldig opgebouwde kenniskop laat jou op het moment suprême, wanneer je in je afstudeerfase belandt, in de steek. Dat wil zeggen: je begeleiders doen er werkelijk álles aan om aan je wetenschappelijke verstand te brengen dat je de meest onzinnige onderzoeksvraag van de wereld hebt geformuleerd. Zelfs al verbeter je die vraagstelling exact en op de millimeter nauwkeurig op de aanwijzingen van je afstudeerbegeleider. Of zelfs als je een totaal andere geniale invalshoek kiest. Je krijgt prefab terug dat je onderzoeksvraag simpelweg niet deugt (waardoor je denkt dat je zelf als homaan ook niet echt deugt). En daarom lieve kinders, studeer je nooit in een tempo of termijn af die je zelf in je knappe koppie had bedacht. Met totale waanzin en eindeloos donkere aan-je-scriptiesleutelen-dagen als gevolg. Je begeleiders vermoorden voor al dit onrecht gaat natuurlijk niet. Je wil immers afstuderen en daarna nog enigszins een glansrijke carrière beginnen als koffiehaler op de Zuidas. Of als jaknikker bij stroperige NGO’s. Je loopbaan starten met een vet strafblad is dan niet zo handig.

Nou ben ik natuurlijk allang en breed afgestudeerd, maar zoals ik al zei: je vergeet het nóóit niet meer. Die hele periode staat als een monumentale tattoo in je geheugen gegrift. En voor mij als Letterenstudent aan de Groningse universiteit al helemaal. Ik vond het bijvoorbeeld onverteerbaar dat ik telkens naar huis werd gestuurd omdat mijn onderzoeksvraag ernstig bijgesteld moest worden en of ik niet meteen een stuk of tachtig alinea’s om kon gooien alstublieft dankuwel. Ik was student Communicatie & Informatiewetenschappen for Christ sakes! Dan vind je jezelf namelijk schrijf- en taalvirtuoos-in-een. Dan vind je jezelf King of the Hill in überhaupt het formuleren van zinnige dingen. En dan word ik naar huis gestuurd vanwege een inconcrete vraagstelling? Really mensen? Wij hebben complete colleges gehad waarin we nota bene werden gedrild de beste vraagstelling zo lezersvriendelijk te formuleren op wetenschappelijk communicatiethema X. Frikkin ongelofelijk.

Behalve dat afstuderen als een intense ervaring blijft nagalmen, kan het zomaar gebeuren dat het fenomeen afstuderen onderwerp van gesprek wordt op een sexy vrijdagavond anno 2018. Hoedan? Nou, als vriendinnetje Natasha haar afstuderende boyfriend Erik meeneemt. Die op een zwoelie vrijdagavond met geluidsarme koptelefoon braaf en murwgeslagen op zijn laptop naar levenswerk to be zit te koekeloeren. Meanwhile chillen N. en ik op de bank, doen slap ouwehoeren en smeren we de keeltjes met een fles rosé. Dat werk. Ik probeerde afstudeervriend vervolgens soort van schraal te troosten dat werkelijk iedereen die afstudeert of is afgestudeerd, deze ongekende lijdensweg heeft ondergaan. We besluiten het er over te hebben. Gewoon bam ff alle frustraties van nu en vroegâh op tafel. Het wordt waarachtig zelfs leerzaam als we de verschillende stijlen en vormen van scriptie verdedigen delen. Van die TU Delft-nerds (waar N. ook een alumnus van is) weet ik dat ze verschillende begeleiders hebben en dat ze groen licht moeten krijgen alvorens de nerds allstars mogen afstuderen. De scriptie wordt op de afstudeerdag zelf verdedigd. Daarna trekt de afstudeercommissie zich terug om het cijfer te bepalen. Bij Letteren ging dat dus heel anders. Ik verdedigde mijn scriptie gewoon op de faculteitskamer van mijn vaste begeleider. Vervolgens kreeg ik op de daadwerkelijke afstudeerdag in het bloedstatige instaproof Academiegebouw een rijkelijke speech van mijn twee begeleiders cadeau. Opgebouwd langs de as van een paar geestig-droge anekdotische opmerkingen en quotes. Daarna volgde apotheotisch een chronologisch relaas van mijn afstuderen en verdediging-in-1. En wat zij daar allemaal van vonden, met als pay off het afstudeercijfer verpakt in die prachtige bul. Het gekke van zo’n efficiënte afstudeerceremonie, is dat die hele trainerende periode van maanden van bloed schelden, frustratie en tranen opeens kaboem voorbij is. Beetje Stockholm syndroom-ish. Je wilt niet dat het voorbij is maar ergens toch gewoon kneiterhard weer wel. Het is natuurlijk nogal wat, na je brugklastijd begint de spannende studententijd. En nu ben je opeens aanbeland bij de def afsluiting van deze boeiende maar vermoeiende periode van je leven. Huilen in de krochten van je studentenhuis of faculteit kan niet meer. Vanaf nu huil je stilletjes je corporate tranen stuk als newbee kantoorklerk op de toiletten op de dertigste verdieping van je statige office. Nu geen begeleider die je mind blowing vraagstelling niet snapt, maar een leidinggevende die voor de zoveelste keer komt blaten dat je projectplan nog niet agile genoeg is. Had ik al verklapt dat je eerste kantoorbaan ook een soort van ontgroeningstijd is? Welkom in de Grote Peopleswereld. Banaan anyone?

Mijn intens luidruchtige, sexylelijke tweede huid

Hier ben ik, het geïmponeerde geïmporteerde stadsmeisje wonend op de Westzijde dat met een sponzen planga chaos, gerse dingen, vuile dingen, daklozen dingen, gouden gurlz, geschiedenis en ego’s opzuigt.
Het is crazy hier.

Hier op de middenstip aan de Westsidestrip zie ik slechts zijdelings Sexy Lexie en Koning Gabriël regeren vanaf glazen Chicago-blikvangers waarbinnen de ziel van bloed, werk, textiel en tranen het fundament is gelegd voor afzichtig asfalt in het midden van Middelland waar nasty Alfa Romeo’s tegenwoordig het wit van je schoentjes hardhandig ontmaagden.
Het is historisch hier.

The Monkey zoekt nog naar beste plek om haar apenkool te performen🙊🍌✊

The Monkey zoekt nog naar beste plek om haar apenkool te performen🙊🍌✊

Hier snakt mijn onrustige stadshart naar rustage rustiek, het intense verlangen van vroeger toen je koprolde-omrolde in groen gras van limonade en de Fabeltjeskrant. Hier slurp ik ijle lucht van neplama’s en onwerkelijke pinguïns gemaakt van buurtliefde en sappige blaadjes, gevaarlijk dicht bij het district van luidruchtige zwervers en zwoele boysproblematiek.
Het is veilig hier.

Hier staat stadsmeisje stil te zijn, zijdelings kijkend naar geschiedenis, gouden tanden, grofheid, Gabriël en gras. Mijn planga gaat af:
want
mijn
tweede
huid
is
hier.

RamonaMaramis©2018

Dit Spoken Wordgedicht schreef, herschreef en verfijnde ik dankzij een toffe Spoken Word Workshop op 24 juni jl. Thanks to Wessel Klootwijk voor de fantastische buurtrondleiding en the one and only Elten Kiene, onze Spoken Word-inspirator tijdens de workshop. De rondleiding en workshop waren in het kader van ZigZagCity, de jaarlijkse alternatieve Rotterdamse route, waar dit jaar mijn eigen buurt, Het Oude Westen, volledig (en volledig terecht) in de shine stond.

Ik schrijf, you listen. Capisce?

Van de week las ik een nieuwsbericht over een debat slash discussie dat al langer in NL wordt gevoerd: de verengelsing van het onderwijs, en dan op de uni’s in het bijzonder. De Vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) daagde de Universiteit Twente en Maastricht University en de Onderwijsinspectie voor de Utrechtse rechter. Voor het teveel aan Engels in de collegebanken, en de inspectie voor het niet goed handhaven ervan.

Ik snap de angst van BON deels. Want Nederlands is een prachtige taal dat het natuurlijk niet verdient om onderdrukt te worden door een foreign language. Kijk, daar heb je het al. Het Engels is ook al geïnfiltreerd bij Het Aapje. Het klopt als een bus dat ik in mijn blogs veel Engelse slang gebruik. Het klopt gelukkig ook dat we in een free country leven, dus is het mijn goed recht dat te doen. Maar daar gaat het hier even niet om. Het gaat niet om het recht, maar het warum ik er zo dol op ben. Het zit zo. De Engelse woorden en uitdrukkingen die ik vaak gebruik vallen allemaal in de categorie gevat, sexy en brutaal. Precies het jargon dat mijn manier van vertellen zo goed ondersteunt of extra aanzet. Daarom. En als je die taalbrille al niet van jezelf hebt -sorry voor deze bash- dan is het ook nog eens allemaal gratish en voor niets van sociale media te jatten. Volg de mediaplatforms Vice en Ballinn’ op Facebook een tijdje (of überhaupt sociale media), en je krijgt enigszins the hang of it. Over hoe of dat het werkt. Oh ja, vlak vooral niet de comments uit onder een willekeurige post. De genialiteit van instagrammers, reaguurders, tweeps en trollen overtreft vaak zelfs míjn talige brein. Maar waarom gebruik je daar dan niet gewoon degelijke Nederlandsche woorden en uitdrukkingen voor, Ramona Maramis? Daar kom ik zo op terug.

Mijn routine om Engels in mijn dagelijkse vocab te gebruiken gaat way back terug naar mijn studententijd. Een clubgenootje van mij was expatkindje. Daardoor husselde zij sowieso veel Engels door haar Nederlands. En omdat ik ook in het buitenland heb gewoond, vonden wij elkaar al snel in die gemixt tapete taal van NL en ENG. Tel daarbij op dat ik als televisiejunkie ontelbaar veel Engelse series en sitcoms heb geprocessed, en je creëert vanzelf een heel soepelwerkend internationaal ingesteld stuk brein dat je taalvermogen regelt. En ok ok, het is ook allemaal niet helemaal eerlijk: ik ben geboren Alfa. Was als kind al niet bang voor het husselen van letters en woorden. En de totaal verrassende uitdrukkingen die dat grammaticale proces dan weer opleverde. Daarnaast en daarnaast en daarnaast (ja mensen, opzettelijk maal drie) studeerde ik ook nog eens Communicatiewetenschappen met Engelse Taal & Letterkunde als propedeuse, en daar ga je eigenlijk al.

Sommige vrienden en bevriende taalpeoples vinden mijn liberale gebruik van Engels in onder andere mijn blogs superhinderlijk. Ik niet. Ik ga uitleggen waarom. Het mixen van talen is juist het bewijs dat ik in het bezit ben van breingenialiteit. En daarmee in staat ben mensen te entertainen met mijn bijeen gekluste woordenschat. Ik switch met finesse tussen het ABN en Amsterdams, of tussen Gronings naar Rotterdams. Of naar het Indonesisch zo je wilt. Daar kan ik ook een aardig moppie van opzetten, eventueel in de mix met Nederlands, stukkie Menadonees dialect en Engels, om het weer leuk te pimpen. Voel je de taalrijkdom al? Het mixen levert een soort zomercarnaval aan uitdrukkingen op. Elk woord in die specificieke taal krijgt de betekenislading die het verdient, óf wordt in combi met een andere taal juist in een verrassend daglicht gezet. Daar heeft elke luisteraar-lezer weer plenty plezier van en dat allitereert weer lekker. En while I am writing this, snapt iedereen waar ik het over heb. Nou dan.

Dus. Ik snap de bezorgdheid van BON-peoples deels. Ik snap dat je je moerstaal moet koesteren, het liefst met een rood-wit-blauwe strik eromheen. Want laten we heel eerlijk zijn, als je de gezelligheid van de Nederlandse taal niet kunt waarderen, wat voor pannenkoek ben je dan.

Ook snap ik dat we op onderwijslevel echt moeten kijken naar in hoeverre (volledige) Engelstalige colleges relevant zijn ja of te nee. Maar other than that: suck it up peoples. Zie het als rijkdom, als gevarieerdheid in de manier waarop homaans zich kunnen uitdrukken. Taal is iets ontstellends moois en krachtigs. Laten we er vooral niet ongezellig over doen. Mondje open als je wat wilt zeggen. Kun je dat in meerdere talen tegelijk, helemaal mooi. Mondje dicht als je een taalhooligan in je haarvezels bent en dus niks te vertellen hebt. Bij Het Aapje is geen ruimte voor zure peoples, capisce? ‘Word!’ zeggen jullie dan.

Haarlem, my homie

Haarlem, mijn homie. De stad waar ik als baby met een kop gitzwart haar het levenslicht zag. De stad van geboorte maar waar ik niet opgroeide (die eer viel Amstelveen ten deel).
Het is de stad waar ik voor eeuwig aan ben verbonden maar waar ik toch echt te weinig kom. Los van een clubgenootje, een oud-collega en een collega-schrijver die daar wonen, heb ik nooit echt aanleiding om daar te zijn. Sinds kort woont vriendinnetje-bestie L. daar samen met husband vlak achter stadspark de Bolwerken. En opeens begon ik de lol in te zien van verschillende Haarlem partycrash-adresjes, en dus wilde ik nu wél naar mijn oude hometown afreizen. Het werd een heerlijke middag met L. vol grapjes over de bakfiets- en chellobuurt waar hun huis woont. We gooiden worstjes en aardappelschijfjes in een koekenpan voor het diner en genoten ondertussen van kookchips en Grunner Veltliners in hun schattige achtertuin. Het gesprek ging over hoe je kinderen in godsnaam ‘normaal’ kunt opvoeden in een white peoplesbuurt zoals deze. Hoe je dan toch vanuit huis je eigen setje aan waarden in de Brinta moet pleuren. Dat niet iedereen een wit smoeltje heeft en dito privileges. L. moest mij iig vurig beloven dat, mocht ik ooit oppassen op hun kind, dat ik het kind wel van voetballen maar níet van hockey en chelloles ga halen. Ik vond het zelf een best overzichtelijke opdracht voor de toekomst. L. moest er vooral heel hard om lachen maar was het verder wel volkomen met mij eens over het voetbalgedeelte.

Altijd een mooi onderwerp, je opvoeding. De buurt waar je opgroeit, de school en de vriendjes vriendinnetjes die je krijgt. De clubjes waar je op zit. Ik groeide op in posh Amstelveen, niet in een twee onder 1 kap- maar als flatkindje. Mijn vriendinnetjes en ik zaten overigens niet op hockey en zeilen. Neen, wij turnden ons drie slagen in de rondte, al was ik zelf geen natuurtalent. Ik geloof dat ballet mij iets beter af ging. Fietsen leerde ik in het coole Amsterdamse Bos, dat dan weer wel. Dat is het privilege als je in Amstelveen woont. Het Amsterdamse Bos is dan je achtertuin en Aalsmeer je bloemenleverancier. Ik was Montessorikindje: op de lagere school lekker in je eigen tempo en volstrekt autonoom leren wat je het allerleukst vindt. Als ik niet naar Indonesië was geëmigreerd dan was ik zo’n verwend en bijdehand Amsterdams Montessorilyceum-kind geworden inclusief rollende r en verder met een tot in de puntjes verzorgd ABN-vocabulaire. Skiën leerde ik pas veel en veel later toen ik ging studeren en lid werd van Vindicat. Grappig dat ik überhaupt lid werd. Want doordat ik mijn middelbare school in Jakarta doorbracht tussen mijn pindalandgenoten, had ik die hele Montessori-hockeypeergroup gemist. Het zijn die cruciale vriendschappen op de middelbare school die je sluit en de dinnetjes waarmee je verbondjes aangaat. Met deze chicks ga je vervolgens naar dezelfde uni en besluit je samen lid te worden van het corps. Ik kwam gewoon uit een Indonesisch ei gestapt en stortte me volledig bleu in de wereld van bierdrinkend, roeiend- en studerend Groningen. Nou ja bleu,ik ben heel bewúst lid geworden. Niet omdat Annemijn en Sofie ook gingen, want vriendinnen met die namen had ik dus niet in Jakarta. Ik was gewoon oprecht gefascineerd door het corps. De mores en de geschiedenis. De mores (de regels) vond ik boeiend omdat ik net uit een vrij hiërarchische Indonesische samenleving kwam wandelen, dus die houd-je-aan-de-regels-vibe kon ik wel handelen. En geschiedenis vond ik hands down het allerleukste vak van de middelbare school. Het idee dat je bij het corps dingen meemaakt die een lange voorgeschiedenis hebben vond én vind ik uitermate interessant. Uiteindelijk denk ik dat ik het beste van beide werelden in mij heb. Een exotische kaaskop die graag op een zeilbootje zit, roeimarathons heeft gestuurd. De Hollandsche pinda die emotioneel wordt op elk Indonesisch event georganiseerd in Nederland. En tranen krijgt bij elke landing op Indonesische bodem. En on top of it, ik ben die korte kaaskop (1.50 m) die nota bene in haar geboortestad Haarlem moet lachen om bakfietsterreur en vioollesmonsters-to be. Ik vind dat rijkdom.

Sterren&Bananen aflevering #3: Rondje Roffa, stukje Malieveld

Een nichtje van mij is na een kort Amerika-avontuur weer neergestreken in de havenstad. En dat is gezellig en gevaarlijk tegelijk. Mijn familie gaat nou eenmaal verschrikkelijk goed op lekker eten. Tel daarbij op dat Rotterdam letterlijk motherfucking vet wordt door de never ending stroom aan heerlijke nieuwe horeca en compleet is de eetcyclus. En dan ben ik dus inderdaad supergezegend met de uitstekendwerkende eetgenen van mijn fam, ook dat nog. Back to my niece. Sinds ze dus terug is terroriseren we de horecaplinten van downtown Roffa compleet stuk. We spreken af voor lunch, shoppingspree of diner, en als een van ons wat later arriveert op eetlocatie X, dan is de ander alvast begonnen aan een fles goede vino. Wachten is hetzelfde als voorproeven. Dat werk. Ik stroop alle Facebook-updates af van de Buik van Rotterdam en andere Roffaculinair-oriented fb-dingen, op zoek naar nieuw te openen tentjes of net geopende tenten. Of restaurantjes die al honderd jaar vijfsterren reviews krijgen en ‘die we nu toch echt een keer moeten slicen’. De lijst is soms hopeloosmakend lang. Want wanneer eet je deze horeca-ontwikkelingen in hemelsnaam in één kalenderjaar bijelkaar zonder bankroet te raken? Hysterisch is het.

But never give up uiteraard. Wat denken jullie dan. Zo hebben we al de allerlekkerste Syrische shoarma in district Delfshaven weggetijgerd. De heavenly shoarma van Shaami Huis lijkt geeneens op die random antikater-shoarma uit je dorp. Het type provinciale shoarma waarmee je, als je het niet snel opeet, de tochtgaten in je huis kan dichtkitten met knetterhard geworden shoarmabrokjes. Nee, Shaami Huis knutselt opgerolde kunstwerkjes van smakelijk Syrisch brood en mals gekruid vlees. De kunstige rolletjes hebben een diva appearance alsof de shoarma-units rechtstreeks uit een Arabisch sprookje komen wandelen, zo prachtig. Verder ga ik nog net niet spontaan dancehallen van de juicy burgers van respectievelijk de Burgerclub op de Nieuwe Binnenweg en Diego’s. Die laatstgenoemde burgerboer is bekend van de duurste hamburger ter wereld en komt binnenkort met een filiaal in Rotterdam. Nichtje kwam bij toeval een Diego’s foodtruck tegen op het Schouwburgplein (want apparently was het vorig weekend International Hamburgerday), alwaar ze de orgastisch lekkere burgers ‘kado’ deden voor het absurde bedrag van twee euro de burgert. Insane qua prijs, insane lekker en insane slimme reclame van deze new kid in town coming soon. Oh ja: chocoladetaart eet je goed bij De Koffiebar. Ja hallo, wel blijven opletten want we zijn inderdaad bij het dessert aangekomen. De Koffiebar zit een beetje stom verstopt aan de Karel Doormanstraat tussen een paar non-descripte restaurantbars. Jeweet, van die systeemplafondtenten waar je je nare schoonmoeder naartoe stuurt, maar worthy the walk. Ben je meer van een noncha chocoladetaart en hoeft het niet zo instagrammystrak? Hobbel dan door naar Mangiare, in de poshy Van Oldenbarneveldtstraat. Daar krijg je een rommelig maar superlekker stuk chocotaart uitgeserveerd. Alsof di mama ‘m zelf uit Napoli heeft meegebracht.

Burgerclub mensen.

Burgerclub mensen, leer nou van deze apenkop waar je goed burgers kunt eten.

Anyway: ik had het over het Schouwburgplein net. De horecastrip op het plein maakt een geweldige metamorfose door qua aanbod. Een echte foodie-upgrade thanks to Bertmans ontbijt&lunch&dinertent. De Rotterdamse eigenaren van Bertmans openden hier onlangs een megagroot tweede filiaal. Ze gaan lekker inderdaad. En dat snappen nichtje en ik maar al te goed. Hier slurpten wij twee weken geleden de lekkerste sapjes weg en aten we een prima ontbijtplankje met eitje, pannenkoekjes en kokosyoghurt helemaal opperdepop. Wel pricey, maarrr wel heul blijmakend en smaakvol. Afgelopen weekend at ik met een deel van mijn familie op de Haagse Tong Tong Fair op het Malieveld. Ik werd letterlijk door een Javaans moslimvrouwtje haar restaurantje ingelokt, ondanks het feit dat ze dus geen porky en bier serveerden. Als je dát lukt dan ben je echt een koning vind ik. Koninklijk waren de nasi campur, uduk en bami goreng met kip for sure. Helemaal leuk en in mijn element was ik, omdat ik de hele bestelling voor zeven man in het Indonesisch kon doen. Verder heb ik me die avond heel flink moeten houden (confession). Want de dreiging van supersentimenteel te worden met al die fijne Indonesische vibes om me heen, was groot. Sterker nog, ik was af en toe een beetje stil. Beetje heel erg in het realisatiemoment hoe rijk je bent als pinda met deze fantastische eetcultuurt. Even niet de sassy restaurantrecensent uithangen in downtown Roffa, maar gewoon gelukzalig en stil genietings doen van een stokje sate op het Malieveld. Supermooi.

Deze keer geen rotte bananen dus maar alleen maar fonkelende sterren en liefde voor alle tentjes die ik in dit blog heb genoemd. Ik zeg: gaan met die banaan en proef zelluf!

Shaami Huis
Burger club
Bertmans
Diego’s
De Koffiebar
Mangiare

PS: Voor de Tong Tong Fair zijn jullie te laat want afgelopen, sukkels. Volgend jaar is ie er weer dus blok ‘m maar in je agenda alvast #geendank

Kip met tranen

Kak. Ik heb te maken met een nieuwe televisieverslaving. Op Spike tv kijk ik sinds een kleine maand vrij obsessief naar Ghost Adventures. Daarmee ben ik gelijk spuit elf want blijkbaar bestaat dit televisieprogramma al sinds 2008. Maar boeit niet. Het gaat erom dat ik inmiddels behoorlijk wat slaaptekort heb opgelopen omdat de serie pas rond middernacht begint. Wat dan wel weer toepasselijk is voor het hele programma dat draait om demonen en ronddolende geesten in gruwelijkziek vervallen kastelen en ziekenhuizen. Ik ga het Ghost Adventures-format verder niet uitleggen maar het draait om een groepje guys dat met behoorlijk geavanceerde apparatuur contact maakt met geesten. En hoe. Het is eigenlijk best eng om naar te kijken maar ik vind het dus helemaal fascinerend. Komt ook omdat ik best geloof dat er iets is tussen hemel en aarde. En geloof me, dat is er.

Ik heb een tijdje in Indonesië gewoond en daar kun je gewoon niet ongevoelig zijn voor paranormale verhalen die je daar best vaak hoort. Toen mijn oma kwam te overlijden, zagen mijn moeder, broertje en tante haar vaak verschijnen aan hun bed. Ik kan alleen maar ademloos naar dat soort verhalen luisteren. Want je zou denken dat gevoel hebben voor/met paranormale zaken dan meteen in je genen zit. Ik kan U vertellen: mij is zoiets nog nooit overkomen. Ik heb nooit geesten gezien of gevoeld. En toen een zakenrelatie die spiritueel is ingesteld onlangs vroeg of ik het gevoel herken van plotselinge koude rillingen ‘want dan is je overleden vader dichtbij’, moest ik hem het antwoord helaas schuldig blijven. Misschien dat ik daarom dit soort programma’s juist heel entertaining vind. Ik ben zelf dan misschien niet het type waar geesten gezellig een bezoekje aan plegen, maar intrigerend vind ik het fenomeen wel. En ik geloof het. Toegegeven: ergens vind ik het jammer dat ik pa niet even van zijn wolkje af kan laten stappen. Een holo van papa die mij gedag komt zeggen, hoe chill is dat.

Of?
Een maandje terug besloot ik na een intense shopsessie met roomie eerder terug naar huis te lopen. Op de West-Kruiskade, home to tientallen Aziatische toko’s, restaurantjes en Turkse deli’s kreeg ik spontaan een intense snackattack. Een straat vol exotische snackparadijsjes waar ik makkelijk lemper, empenada’s, sushirijst met paling of een kommetje dampende ramen achter elkaar naar binnen zou kunnen schuiven. Maar wat deed ik? Ik liep die hele Asian strip compleet voorbij en ging de Kentucky Fried Chicken in. Ja man. Binnen vijf minuten zat ik daar met een dienblad vol kippetjes in krokant jasje, friet en een Coke Zero een fastfoodbarbaar te zijn. Ik was zelf ook een beetje confuus van deze brute eetbeslissing. Maar na twee hapjes kip realiseerde ik me waarom ik hier zat. Heel gek dat ik die link niet eerder had gelegd, maar het kwam heel onverwachts snoeihard binnen.

Tijdens mijn highschooltijd in Jakarta sleurde ik papa altijd mee naar KFC als we ons maandelijkse uitje hadden. Als puber had ik blijkbaar een nogal eenzijdig smaakpalet. Of ik wilde gewoon afwisseling tussen rijsttafel en andersoortig voedsel. Naast het feit dat ik, confession, de ultieme frietjunkie ben. Anyway. Het moment dat ik de connectie zag tussen KFC, papa en mezelf, dat was hét moment dat ik genadeloos werd overvallen door emoties. Mijn oogjes liepen vol met tranen en ik liet me totaal meevoeren in een gigantische emotrip. Zat ik daar kip te eten en tranen te plengen tegelijk. Ik was totaal niet opgewassen tegen dit gevoel. Het gevoel dat papa daar naast me zat. Alsof we samen het verdriet deelden dat we elkaar zo vreselijk missen. De tastbare herinneringen die ik voelde. De quality time met pa, vergezeld door crispy stukjes kip. Het was echt een bizar en heel, heel intens gevoel. Ik kon simpelweg niet stoppen met droef zijn.

Zou dit dan mijn eerste soort van paranormale moment zijn geweest met papa? Ik zal het pa de volgende keer vragen als ik daar weer zit met een dienblad vol troostkip. Mijn eigen kip met traantjes.

Haters gonna hate

Ik was een achtjarige Pocahontas met lange paardenstaart toen ik met moeder en stiefpapa op rondreis door Spanje trok. In de la Santa Creu i Santa Eulàlia-kathedraal in Barcelona zochten we verkoeling in een van de nissen waar je even een momentje voor jezelf met een beschermheilige of Jezus zelf kon hebben. Ik herinner me dat mama me meenam naar zo’n nis waar een huge motherfucker Jezusbeeld (in kleur) aan de wand hing, bloedend en lijdend aan het kruis. Ik vond het supereng en dorste niet naar dat gevaarte aan de muur te kijken. Tot overmaat van ramp duwde mama mij een muntje in mijn hand zodat ik een donatie kon doen voor de kerk. Het donatiekistje hing – oh joy- pal naast de gespierde maar wel eng-bloedende voeten van dat Jezusbeeld. Zonder omhoog te kijken en in één rechte lijn liep ik op dat lijdende lijf af en stopte ik het muntje in de gleuf van het kistje. Met een diepe siddering door mijn hele lichaam liep ik, zonder om te kijken terug naar mama. Ik ging naast haar zitten op het houten contemplatiebankje recht tegenover zielige Jezus toen ik zag dat ze zichtbaar geëmotioneerd, lichtjes huilde. ‘Vergeet nooit dat Jezus voor ons aan het kruis is gestorven. Hij heeft voor ons geleden.’ Ik vergat mijn Jezus-fobie direct en was eigenlijk ook best onder de indruk van mama’s woorden. Tot op de dag van vandaag vind ik het Paasverhaal een indrukwekkend dingetje. Zo’n lieve gast die is gestorven voor ons allen. Tot zover mijn reli-adoratie. Een kerk zie ik verder vrij weinig van binnen.

Saillant detail is dat mijn moeder tijdens dat intense Barcelona-moment toen al getrouwd was met mijn stiefpapa, een Balinese man en dus hindu qua geloof. Mijn moeder is dus voor de liefde van geloof gehopt. Van hervormd naar het schitterende Balinese hindugeloof (wat een aangepaste religie is naar Indonesische gebruiken. Dus don’t worry: ze gooien in Bali geen peoples op de brandstapel als je van een lage kaste bent). Nu waren we binnen onze familie überhaupt al heel losjes en liberaal in onze protestants-christelijke geloofsovertuiging. Alleen mijn wijlen opa was wel redelijk godvrezend. Maar voor de rest ging niemand naar de kerk en luisterden we als familie alleen plichtsmatig en megaongeduldig naar opa’s ellenlange preken voordat we ein-de-lijk konden aanvallen op de epische familierijsttafels. Later, toen ik als brugklasser in Jakarta op een katholieke scholengemeenschap belandde, en een keer op retraite moest, zei mam: ‘laat je niet gek maken hè, je kiest zelf waar je in gelooft of niet. Dat mag je helemaal zelf bepalen.’ Die katholieke school met een norsige zuster als schooldirecteur klinkt misschien als vreemde keuze voor iemand die liberaal-christelijk is opgevoed. Maar het had meer te maken met de kwaliteit van onderwijs. Christelijke scholen hebben in de grote steden van Indonesië nou eenmaal een on point reputatie (vrij ironisch voor een moslem dominant society).

Anyway. Warum vertel ik dit op zich prachtig anekdotisch verhaaltje? Omdat het afgelopen zondag Moederdag was. Een dag waarop een gezin uit Surabaya, de tweede stad van Indonesië (vader, moeder, vier kindjes in de leeftijd van 8 t/m 14) besloot bomgordels aan hun lichamen en aan die van hun kinderen vast te klikken alsof het gezellige veiligheidsgordels voor in de auto waren. Om vervolgens met harten ramvol haat zichzelf te laten ontploffen bij drie kerken.

Op mijn katholieke middelbare school in Jakarta had ik ook moslimvriendjes en- vriendinnetjes in de klas. Liberale moslims die, als ze bij ons kwamen eten, lekker illegaal varkensvlees-vorkje zaten te prikken. Al giechelend. Omdat het kon.

Afgelopen zondag besloten radicale moslims, die blijkbaar al best een poosje in die woonwijk in Surabaya woonden, hun opgekropte haat om te zetten in bloedbommen.

Ik dank God (dus toch) op mijn blote knieën omdat ik weet dat deze wandelende haatbommen niet de meerderheid zijn. Dat ik deemoedige herinneringen heb aan moslimvriendjes die blijmoedig porky aten. En dat die vreedzame moslimgemeenschap gelukkig ook gewoon nog bestaat, hetzij in de schaduw van de radicaliserenden, the mad men.

Ik moet nu een beetje huilen. Net zoals mama toen in de kathedraal van Barcelona.