Expeditie Monkeyson

Expeditie Robinson. Ik beschouw het televisieprogramma als een jaarlijkse masterclass ´Hoe overleef je op één pakje rijst als alle Dirk van den Broeks failliet gaan´. Ook als een soort heerlijke “Wat als ik mee zou doen, hoe tactisch zou ik spelen in veertig graden temperaturen. Op 1 bananenschil per week.” Nah. Niks tactisch spelen, ik word direct hangry as hell natulek. Met je rijstkorrel per dag.

In real life heb ik eigenlijk nog nooit hoeven overleven qua eten en/of onderdak moeten zoeken. Verdrietig idee dat overleven voor heel veel mensen bittere realiteit is.. Als ik naar Expeditie kijk, dan zie ik overigens wel overeenkomsten qua locatie. Die belachelijk pretty eilandengroep op de Phillipijnen lijkt heel veel op de idyllische Sundae-eilanden waar ik in 2016 met een groepje vrienden ronddobberde. We hadden een boot, schipper en personeel, snacks, drinken, alles. Maar de ultieme stille, bijna desolate vibe in die eilandengroep- en wateren is goud. Het gegeven dat je serieus niemand tegengekomt op zo’n tranquillo island roadtrip, voelde fijn. Op jezelf en je eigen gedachten aangewezen zijn. Je nederig voelen omdat je op visite bent in een stuk natuur en onderzeewereld waar je gewoon niets te vertellen hebt als human. De echte bewoners zoals manta´s en baby hamerhaaitjes die langs je benen zwemmen. Zonder geluid te maken. Zonder te schreeuwen. Iets wat wij peoples zo goed kunnen. Alleen al de gedachte dat je ooit terug moet keren naar de bewoonde wereld. Waar iedereen weer aan je kop zit te zeiken, egoïstisch zit voor te dringen bij de kassa, in de trein en gewoon in het leven in general. Surreal.

Kaolo lelijke Expeditie-sandalen dragen is a mood smh .

Kaolo lelijke Expeditie Robinson-sandalen dragen is a mood smh.

Maar goed, ik heb mogen slapen onder een sterrenhemel, imposante rotsen kunnen beklimmen (die volgens mij gewoon gehuurd zijn voor alle Lord of de Rings-afleveringen). Het solitaire natuurgevoel voelde heel rijk. Maar dat heeft verder natuurlijk niets te maken met overleven op een bounty-eiland waar je wekenlang je tanden poetst met een stukkie kokosnoot.

Of toch. Als mijn studententijd ook geldt als survivallen tenminste. Ik bedoel, wekenlang teren op witbrood, pindakaas en pasta met groenten onder de twee euries, is hard hoor. Dan zit er waarschijnlijk tóch een klein Robinsonnetje in mij. Kijk, dat vind ik zo geinig aan Expeditie. Het is iedere keer toch weer een bucketlistgevoeletje dat het programma bij mij opwekt. Dat ik ook die vuurmaakskills wil ownen (leuwk toch een kampvuur op het balkon). Dat ik notabene als het Aapje niet eens fatsoenlijk in een touw kan klimmen. En dat ik dat dus ook gewoon zou willen. Is toch handig als er wat gebeurt in je osso? Lekker soepel een touw langs de muren gooien, mezelf sexy naar beneden laten abseilen. En ondertussen de hamster van de buren redden. Dat werk.

Wat ik trouwens wél kan: Een maand lang een hele dag niet eten en drinken onder heftige temperaturen. Ik heb namelijk ooit meegedaan aan de Ramadhan toen ik in Jakarta woonde. Supersolidair zijn met mijn moslimvriendjes en vriendinnetjes op school, ja toch. Hoe dat ging? Nou uhm, taai. Je moet even door een bepaald punt heen en proberen je energie slim te verdelen gedurende de dag. That’s all.

Dus recap: rondlopen op een onbewoond eiland, weinig eten en drinken maakt mij inderdaad nog geen Robinson. Als ik ooit voor de Mudrace ga trainen aka Gaat Never Gebeuren, dán pas mag ik stoer doen. Voorlopig houd ik het bij kijkon naar al die ploeterende Robinsons op tv. Maar vooral denk ik aan al die peoples op aarde voor wie voedselschaarste, struggelingen en geen osso hebben, überhaupt een nasty vanzelfsprekendheid is. Wat is de wereld eigenlijk een knap en lelijk apparaat tegelijk.

Altijd Lachen met die Longen

‘Ik hoest met droge keel en kriebel. Heb jij daar ook last van?’, appte mijn moeder met net het verkeerde – en dus grappig- emoji-gezichtje. ik wou dat ik ‘nee, wat vervelend voor je mama’ kon appen. We blijken hetzelfde irritante zwakke luchtwegen-gen te hebben. Dit gaat way back naar mijn babytijd. Ik ben geboren met bronchitis en longontsteking in de mix. Ziekenhuis was mijn tweede osso. Gelukkig schijn je over die longellende heen te groeien. And so it did. Maar je krijgt er wel aandoenings in dezelfde categorie voor terug: allergie en hooikoorts (iets met tegenreactie, antistoffen weetikveel). Lergic & Hay lopen dus als een soort blaffende honden al zo’n jaartje of tien met me mee. Met symptomen die lijken op, oh joy: bronchitis. Daarover later meer.

Ik heb best een bijzondere variant op hooikoorts. De meeste hooikoortspeoples hebben dikke ogen, niesbuien en loopneus. Ik heb dat ook allemaal maar minus de chubby eyes. Alleen vorig jaar op vacay in Griekenland was het taai. Ik reageerde plotseling helemaal hysterisch op alle bloeiende planten en struiken in Gyrosland. Met oogjes dicht Ouzo’s atten. My bad.

Anyway. Mijn hooikoortsaanval verloopt dus anders dan die van een random hooikoortspatiënt. Die van mij kruipt letterlijk als een hinderlijk Tetris-bataljon door mijn luchtwegen. Met epische hoestbuien als gevolg. Die hoestbuien kunnen overigens droog beginnen en na een tijdje transformeren in verstikkende slijm-apparaten. Die hoest, I mean really. Als ik in mijn hoestperiode met het OV ga, dan kijken mensen altijd verdwaasd om zich heen.
Op zoek naar dat oude gebochelde en rochelende vrouwtje. Dat oude vrouwtje vinden ze niet. Wel een leuk hip vrouwtje dat teringherrie produceert. Ogen dicht en je hoort National Geographic Channel aflevering ‘hoe mijnwerkers in 1788 klonken na 356 dagen steenkool snuivon’.

Anyway. Je doet er precies niks aan. Hoestdrankjes? Nah. Die zijn gemaakt voor symptoombestrijding en bedoeld om de toch al uitpuilende Maladiven-kas van de farmaceutische industrie verder te spekken. Soms helpt een honingdropje. Of een aai van mijn vriend over mijn hoesterige hoofdje. Maar de hoestprikkels zijn sluipmoordenaars. Krakakakaaa, snoeihard in mijn longen en hop, wéér een bijna-doodervaring. Daar helpt serieus helemaal niets tegen. Soms probeer ik de hoestprikkel te battelen door een soort mindfulness-dingetje er tegenaan te gooien. Gewoon, door rustig door te ademen, de kapotjeukende prikkel te negeren. Of te ownen, tis maar net hoe je het ziet. Op zo’n nasty moment kan ik ook niet praten en/of bewegen. Een overgeefsessie ligt namelijk gevaarlijk op de loer. De peristaltische beweging (yo Google) is dan zo heftig, dat ik niet anders kan zum kotsen. Dus dat. Hoesten is gewoon hel. En Thank God, eindelijk, eindelijk, na ruim anderhalve maand Chef Slijmproductie XL geweest te zijn, kan ik zeggen dat ik er vanaf ben. Dus als je volgende keer iemand hoort hoesten met een gemiddelde snelheid van 160 km/u (geen grap), maar geen idee hebt waar het vandaan komt: it’s me. The little monkey met haar helse hyperactief longapparaat, inclusief defecte UIT-knop. Advies: don’t stare at me. Stop gewoon oordopjes in. Dan stop ik op mijn beurt een honingdropje in mijn mond en doe ik een schietgebedje. Ik gun die lieve metroschoonmakers ook een normale werkdag, ja toch.

Loempia? Loempinee!

Loempia. De meest ondergewaardeerde snack. Ever. Ik bedoel, dit overheerlijke gefrituurde apparaat wordt altijd als side kick bij rijsttafels geserveerd. Hallo! Een loempia is een snack op zichzelf en géën bijgerecht, hoedan mensen. Ik kan het gewoon niet aan als peoples dat allemaal gaan vermengings. En dan hebben we het nog niet eens over de verwesterde snackbarloempia. Het enige wat je daarmee scoort zijn ontplofte smaakpapillen omdat je met de vulling eigenlijk voegen kunt insmeren. What’s wrong with you people.

Dat vroeg ik me onlangs ook af toen mijn vriend tijdens een Netflix binge-sessie een doosje Vietnamese loempia’s van de Dirk in de oven gooide. Want wat er na twintig minuten terug kwam op het bord weet ik niet eens meer, heb het verdrongen. Wat ik wel weet is dat ik jankte als een baby, bij elke hap steeds dikkere traantjes. Maar even serieus: de loempia’s kwamen om te beginnen niet dampend uit de oven met dat sexy krokantbruine jasje. Neen, ze bleven in die bleke deegkleur hangen. Dubbele janksessie als gevolg. Nou houd ik best van een eet-uitdaging, maar albino-loempia’s gaan me toch echt een stapje te ver. Dan de inhoud. Welke inhoud bedoelen ze precies? Er zou kip en groente in motte zitten. All I got waren drie sprietjes wortel en een hompje kool met zepige smaak. Mijn vertrouwen in de thuissnackwereld stortte meteen in elkaar die avond. Maar vooral was ik zwaar beledigd. Kijk, ik snaps dat het fabrieksloempia’s zijn. En dat ze daarom met de minst mogelijke inspanning en nul liefde met duizenden tegelijk door illegale Polen in een tochtige fabriekshal door een loempiamal worden geduwd. Maar dit, Dirk van de Broek, is echt grote schande. Het is hands down voedselverkrachting op landelijke schaal. Bovendien leert deze supermarkt verkeerde aannames aan. Nu denken alle boerenkinkels in Holland dat Vietnamezen kaolo slechte smaakontwikkeling hebben. Maar maakt niet uit want boerenkinkels snappen sowieso niks van smaakverfijnings want snuiven hooi en lopen te lang op klompen. Hersens gaan daar kapot van. Anyway. Deze loempia’s die dus alleen geschikt zijn om je schoonmoeder een permanente buikperforatie te gunnen liggen legaal bij de Dirk. Kan niet hè, gewoon stoppen met het produceren van deze ongelofelijke shit. Loempia? Loempinee zul je bedoelen!

Om niet al te zuur af te sluiten heb ik gelukkig de ontdekking van de eeuw gedaan. De boyfriend nam me laatst mee naar eethuis Afobaka in Kralingen. Niet alleen een begrip voor Kralingers maar blijkbaar al duizend jaar voor heel Roffa. En ik als import-Rotterdammert snapte het meteen toen ik het insane lekkere menu las. Waarna ik meteen als Michelin-test een broodje kippenlever bestelde. Die was vet mals. Kippenlever is dangerous food omdat als je niet goed bakt, het vlees transformeert in rubber. Afobaka for life dus. Helemaal omdat ze ook hete tofu goreng met rijst en boontjes hebben. TOFU GORENG OMFG. Het is dat je niet kunt trouwen voor de wet met een toko, maar anders had ik een aanzoek gedaan.
20190816_182231-01
On top of this hadden ze blikjes roasted cocconut juice van FOCO. Ik kende deze variant niet maar na de eerste slok jankte ik al. Dit keer van geluk. Want het smaakt superveel naar Es Kelapa Kopyor: vers geschaafd jong kokokvlees, vers kokoswater met suikersiroop en geschaafd ijs in de mix. En jeweet, muziek, geuren en ook smaken kunnen je instant meenemen naar good memories en fijne sferen toch. Dat blikje Foco roasted cocojuice deed dat. Ik was 350 ml lang osso in Indonesië while in Kralingen. Nou jullie weer.

Het Aapje droomt van kokosnotendingen

Toen ik laatst fruitig onder de douche vandaan kwam en me insmeerde met kokos bodylotion van Nivea en daarna op de bank kroop met thee en skinny Oreo’s met kokosvulling dacht ik: Kan Unilever nou echt nergens vanaf blijven en moet de innocent kokosnoot nu echt zo commerciëel uitgebuit worden?
Dat laatste is natulek een superflauwe opmerking want kokos zit al sinds het jaar kruik in alles wat we lekker vinden. Maar echt hoor, Als Bounty uit het snoepschap verdwijnt dan bied ik spontaan ‘Zijn jullie Locos blijf af van mijn Kokos’-petitie aan aan de Tweede Kamer. I mean, ja toch? En verder alles met kokos verandert gewoon in holiyay vibes, ook al heb je net al je vakantiedagen opgemaakt met huis klussen en kapotsaaie bezoekjes aan je schoonfamilie. Hoe? Je smeert kokosolie in je haar en je ruikt de rest van het jaar naar alle seizoenen van Hawaii Five O, ook al zie je er in het echt uit als Klazien uit Zalk.

Kokos is magic shit man. En toch ben ik een soort van hypocriet kritisch naar al die kokostoevoegingen in producten. Zodra kokos in fabrieksdingen wordt geprocessed, dan voelt het alsof het echte, het pure van kokos bruut wordt weggehaald en plaatsmaakt voor een slechte dupe ervan. I mean, ik ben een pinda die in Indonesië heeft gewoond. Het land dat palmproducten en kokos tot kunst heeft verheven. Van echte palmboomonderdelen maak je osso’s en van echte kokosnoten maak je superlekker voedsel. Kijk er een paar afleveringen van Expeditie Robinson bij voor de do it yourselfs en je hebt verder niks meer nodig in de leven. Kokos is magic shit like I said.

Dus waar jank ik eigenlijk over? Ja weet ik veel. Ik betaal rustig zes euro voor Nivea body met geprepte kokos-mineralen (what the feck zijn dat voor dingen) meanwhile koop ik voor dat bedrag in my hometown een stackvol aan Es Kelapa Kopyor (schaafijs met verse kokos en gecondenseerde melk) voor de rest van mijn leven. Rekensommetje is snel gemaakt toch qua what is the real shit en what not. Maar hee, ik woon nou eenmaal in een land en met een salaris waarvan ik Unilever kokosdupes kan kopen zonder dat ik meteen onder een brug lig in een kartonnen doosje, dus dit alles is dubbel, snap jij snap ik.

Dus blijf ik voorlopig alles consumeren wat bij benadering op the real coconuts lijkt en while I’m typing this: bestaan die good old kokosmakronen nog dat jullie weten?! Want boy die zijn me toch een partij vet lekker!! Fabriekskokosmakronen van Bakkerij de Gulden Krakeling, ja die ja. Fake ass kokos as hell, maar genoeg lekker als tussenoplossing. Totdat ik weer mijn vacay naar mijn hometown heb geboekt en op een bankje zit te chillen met een echte, genuine Es Kelapa Kopyor vol sappig kokosvruchtvlees en fruitigfris kokoswater regelrecht van de boom. Hasta Luego!

Gimme banana I play game

Ik en spelletjes. De relationship tussen die twee is wat ingewikkeld. Behalve woordspelletjes dan zoals Scrabble, Bananagram en Cards Against Humanity, duh.

Spelletjes dus. Soms heb ik zin en soms niet. Dat laatste meestal als al mijn vrienden er wél zin an hebben. Dan krijg je bijvoorbeeld dat een tros schreeuwende vriendinnen bloedfanatiek zit te kaarten, terwijl ik dan heel droog ernaast zit (‘Moo-hoon doe je nou mee of niet??’), al hun drankjes wegattend. Ik ben ook gekkie hoor af en toe. Afzonderings juist als het druk is. Nee, is niet gekkie, Het is de observator in mij. Ik ben een beelddenker en zie en hoor dan dingen. Vind ik leuk. Daar komen dan weer spoken words van die je tot in de lengte van dagen bij zullen blijven. Dat dan weer wel.

Maar ik dwaal af. We talk about games. En afgelopen week moest ik er toch aan geloven: mijn vriend die mij voor het eerst in mijn monkeylife introduceerde in backgammon aka TrikTrak. Ik had ‘m al een paar keer gewaarschuwd, want behalve achter mijn observatiegedrag verschuil ik me ook graag achter een high schooltrauma. Iets met wiskunde en duizend formules die ik real time voor de klas in een halve nanoseconde moest oplossen. Compleet met supernasty juf, niet normaal. Ze kneep in mijn arm telkens als ik een foute berekening maakte. Drama. Het werd gewoon blakka voor mijn ogen. En de formules werden dikke soep in mijn brein. Hopeloos. Kijk, lullen en schrijven kan ik als de beste. Maar iets uitrekenen no waayyy. Maar wat heeft dat te maken met spelletjes, Aapje? Nou, indirect alles. Als iemand mij iets uitlegt, in de trant van ‘als ik die dobbelsteen gooi en drie zetten doe, wat gebeurt er dan?’ Dan zeg ik: ‘ja uhhh weet ik veel, niks?’ Dat komt dus door die wiskundige terroristische aanslag op mijn hoofd. Ik sla dicht bij elke vraag wat om cijfers, logica en tactiek gaat. Mijn bovenkamer lijkt dan op een huis dat net is leeggehaald. Geen bank om op te chillen, geen voedsel om te snacken. Ik kan niks aan elkaar tweaken in een lege ruimte, toch? Daarom. Again, vrij hopeloos. En niemand die dan vraagt: ‘Ramoon, maak jij daar nou eens een mooi woordensoepie van’. Helemaal fucking niemand. Cijfers die dominant gaan zitten te doen. Zo oneerlijk.

Terug naar TrikTrak. Met het geduld van een sexy engel (maar met het fanatisme van een sporter want CIOS-achtergrond) loodste boyfriend mij door het spel heen. Wat de eerste helft betreft ging dat nog best smooth, al zeg ik het zelf. Nou vooruit confession, ik wilde stoer doen naar vriend. Dus zonder vakjes te tellen de stenen op de juiste plek leggen en keihard weigeren om de dobbelsteen om te draaien maar snel in mijn hoofd proberen te tellen, dat werk. Maar toen de stenen eenmaal aan de overkant lagen en dus het moment suprême was aangebroken om je stenen te ownen en zo snel mogelijk uit het spel te spelen, werd het ingewikkelings voor mij. Waar mijn nasty wiskundejuf mijn arm allang donkerblauw had geknepen, wist mijn supergeduldige boyfriend na drie extra uitlegpogingen het triktrakkwartje eíndelijk bij mij te laten vallen. Ik begreep namelijk niet (aka ik wilde het gewoon niet begrijpen of het was gewoon al soep geworden in de bovenkamer weet ik veel heb het verdrongen), dat als je in je laatste beurt bijvoorbeeld dubbel 1 gooit, jezelf uit het spel kan spelen, ook als je nog maar 1 steen hebt liggen. Snappen jullie het nog? Nee ik ook niet.

Biertje anyone?

PS: zonder gekkigheid, a) ik vind het een superdope spel en b) Manadonezen zijn gek van spelletjes en staan ook bekend om hun fanatisme erin (dus warum ik dat gen nou niet automatisch ingeprogrammeerd heb gekregen is worlds greatest mistery bruhh).

Anyway, na triktrak krijg ik hoogstwaarschijnlijk een masterclass schaken van boyfriend. Het spel wat mijn papa mij nota bene nog wilde leren. Hij zou trots zijn geweest op mij en op mijn vriend, for sure. De cirkel is rond. Ik ben game mang.

Hallo quinoatosti’s van me, alles goed?

De zomer is, op een paar hinderlijke natuurrampen in de vorm van nasty regen na, eíndelijk begonnen. Zo fijn dit. Alles geeft licht. De stad ziet er sexylekker uit, dikzakken met oranje muil aka meeuwen, terroriseren je bak patat en mensen met een eeuwig kuthumeur hebben opeens humor of zijn gelukkig dood. Waar ik heen wil: de zomer is ook altijd hét moment dat social media bruut wordt aangerand door allerlei hysterische persberichten. En die gaan allemaal over hetzelfde apparaat, namelijk de foodtruck. Die foodtrucks komen dan met containers tegelijk naar een onschuldig stadspark. Daar worden pinautomaatjes heel geniepig tussen de veganistische milkshakes met ham-tarwekiemflavour verstopt en dan opeens heten ze festival. Aaahhhhw hoe leuk is dat.

De hele zomer in de knallende hitte, of juist in de stortende regen gramproof pics maken van bakjes overprized vegan sushi en keukens op wieltjes. Stiekem ben je gewoon jaloers dat je je eigen keuken en verkering niet af en toe de parkeerplaats op kunt rollen voor de rust. Gezellie met de meidon naar een foodiefestival hoor! Al die provinciechickies lekker erop uit om fijn een daggie te chillen bij een walmende buitenbbq: #bbqblessings. En/of chicks die allemaal met dezelfde synchroonzwemmende linkerhand -vol signature goldplated ringetjes van Anna&Nina, een overheerlijke graspollen-kaviaarlolly vasthouden: ‘Say #foodtruckforever #squadgoals#cheese!!!’. U begrijpt, ik heb helemaal niks met die foodtrucks. Of eigenlijk bedoel ik: het is weer hoog tijd om hipsterdingen te bashen. This time the monkey is coming at ya foodrukkersss.

Want wat is dat toch met die inmiddels totaal overrated foodfestivals? Vertel het me dan. Het zijn er ook gewoon te veel. Luister, ik hou zielsveel van eten. Dus wil ik best mijn bekkie branden aan een premium foodtruck-wagyuburger die ik direct wegspoel met een festivaltrucklauwe IPA. Waarvoor ik dan zonder te knipperen tachtig euries betaal, inclusief foodtruckpolsbandje in de kleur HipsterHigh. No spang. Ik steek dan wel gelijk die truck in de fik en loop voor de rest van het seizoen met diepe zielenpijn onder mijn arm. Maarr, ik heb dan wel een puik foodtruckfestivalletje afgevinkt. Netjes tog gewoon! Nee mensen, het ís niet gewoon. Het is abnormaal slecht. Slecht voor de monnies en slecht voor het milieu of all dingen. Want hipsterproducten zoals quinoa, dwangarbeidvrije koffie en met de hand geweven kaneelbroodjes moeten dus nog wel vervoerd worden. Soms uit een vergeten Hollandsch biologisch boerengat ergens in de 13e provincie. Maar de meeste hipsterexotische spullen worden toch echt door Air India overgevlogen met een dikke lel kerosine per kilometer rechtstreeks in de oceaan. Alle Dory’s dood joh.

Het is eigenlijk kapotgrappig hoe mijn rant jegens foodtrucks is begonnen. Namelijk bij mijn vriend thuis. Daar realiseerde ik me eigenlijk, al scrollend door die opdringerige foodtruckberichten, dat wij praktisch elk weekend mooi ons eigen festivalletje zitten te draaien. De fridge als ons eigen coole foodparadijs. Helemaal volgeramd met superlekkere drankjes en snackies. Om elkaar vervolgens knapperige loempia’s en dampende shoarmarolletjes te serveren. En in ronde twee bestellen we bellen homemade Spritzers voor elkaar. What’s verder on het krijtbordmenu? Wat dachten jullie van de lekkerste tortillas met zelfgedraaide guacamole en kaasknakworstcroissants? Weg te spoelen met limoenbiertjes en Magnums? Anders nog iets? Geen rijen en geen muntjes voor de dixie. Oh ja, de band is ook fakking rad: boyfriend draait, terwijl ik mezelf intens rond eet, op zijn draaitafels supersexy techno tot het ochtendgloren.

Hier kan geen #foodtrucksquadforlife tegenop, het is #rizki. Wollah.

Het Aapje heeft Xenosfobie

Nederland, 13 maart 2018: de Xenos kondigt aan failliet te zijn en alle winkels gaan sluiten (gaat verder als Casa maar daar ga ik het hier verder niet over hebben).
Nederland, 3 april 2019: de Xenos kondigt aan een doorstart te maken en dat de winkels snel weer open gaan met een vet vernieuwd concept.

Dit klinkt voor mij oprecht als een scenario van een B-film. Want ik word de laatste tijd he-le-maal gek van al die boo-fakking-hoo faillisementsopzeggingen en de superirritante doorstarts die ze daarna vaak maken. Maar dat is toch fijn, Aapje. Dat de mensen weer gezellig monnie kunnen stukslaan op spullen die ze nooit nodig hebben? Nee daar is niks fijns aan apenkoppen. Ik heb serieus de haat aan inconsequenties in retailland. Want dit: op het moment dat een winkelketen waar ik zelf (best wel vaak) kom, roeptoetert de deuren te gaan sluiten dan gaat direct een heel intens rouwproces van start. Dan condoleer ik mezelf, bel ik huilend dinnetje Suus op die altijd gezellig mee gaat naar die ‘nutteloze dingen kopen is goed voor je algemene ontwikkeling’-winkelt. In dit geval dus de Xenos die met tachtig filialen tegelijk landelijk het loodje legt en met de complete inboedel in een kist gaat zitten liggen, zonder aan ons te denken. Xenos failliet, de aap in full verdriet. Ja U hoort me wel.

Vervolgens verzamel ik alle Xenos-meuk die ik in huis kan vinden en ga daarna keihard tussen mijn zoute tranen door, er een altaar van bouwen. Hup stacks bouwen met die familiezakken theelichtjes, slechtsmakende kruidenthee, nep-Boeddha’s, Mediterraan-ish olielampjes-made-in-China en van die idiote houten Alzheimerbordjes die je in je osso hangt voor het geval je niet weet waar de KITCHEN ook alweer is. En waar de meest strategische plek is om een drol van episch formaat te draaien. Want aan die deur hang je natuurlijk zo’n fancy sloophouten bord met WC erop. Maar goed, ik fiks een altaar dus. Kan ik er dagelijks een vet potje tegenaan lopen jenken omdat ik de Xenos zo vreselijk mis.

En wat doen die directiegasten daar vervolgens op het half afgestorven hoofdkantoor? Die trekken na twaalf verdrietige maanden plotseling weer een blik veelste dure curatoren open en bedenken een doorstart-apparaat. Oh joy. Daarna mag de communicatie-afdeling een superfout persbericht de deur uit knallen: ”de Xenos maakt een doorstart want er zijn financiers gevonden. De mensen die wij eerder keihard hadden ontslagen, trekken we uit hun uitzichtloze modder waar we ze eerst nog face down zelf inpleurden. Ze krijgen gratis valium en anti-depressiva in een Xenos-cocktailglas. Daarna kneden we ze weer in de vorm van wandelende Xenos-aanbiedingsfolders. Tot slot worden ze in een nieuwgestoomd Xenos-doorstartpakkie weer fris en fuitig achter de Xenos-kassa gesoldeerd, met een sloophouten bord boven hun hoofd waar KASSA op staat, waaaaa.”

Ja hallo en ik dan??! Ben verdomme in deze rouwperiode platgeappt door familie en vrienden die 24/7 checkten of het wel goed met me ging. I mean, poets ik elke dag mijn altaar glimmend, komen ze weer terug met palets vol theelichten die ik al een jaar lang had verdrongen in hun existance. Hoe dan mensen? Ik sta serieus al een jaar in de gym op de loopband met een frikkin rouwband om (bij wijze van dan hè).

Nee mijn rant is nog niet helemaal klaar. Ken je dat gevoel? Dat je zeker weet dat er iemand tussen zes planken ver ver onder de grond ligt en dat je, na die ene horrorfilm die per ongeluk op Netflix stond te pruttelen, steeds denkt dat die persoon opeens als een zombie weer voor je neus staat? Dat gevoel krijg ik bij doorstarts van winkels. Zo slecht voor mijn gezondheid, dit soort schijnbewegingen in winkelland. Het moet echt ophouden.

Here’s the deal: winkelketens die het slecht doen moeten gewoon ballen tonen. Je hebt je best gedaan, het is niet gelukt, je gaat op je bek, blijft daar te lang liggen en uiteindelijk ga je dood. Prima. Leven gaat verder, ook zonder toiletbordjes exclusief geproduceerd voor de allerdomsten. Maar ga daarna niet lopen muiten en kom vooral niet het rouwproces verstoren, door als een iets te blije eikel uit je freaking as te gaan herrijzen.

One more thing. Als de Action aankondigt failliet te gaan dan kom ik hoogstpersoonlijk langs. Met mijn ME-vriendjes (die ik niet heb), én met een noodverordening van de gemeente Rotterdam (kan niet, maar even voor het idee). En de muur van Trump. Die laat ik ook overvliegen. Dan kunnen die Mexicans gewoon gelukzoekings doen in de VS en kunnen die hijgerige faillisementswolven niet bij de favo winkel van mij en mijn vriend komen. We hebben het wel over de Action hè. Dé Godmother of all winkels die, als de wereld vergaat, werkelijk álle spullen van je natte dromen verkoopt. Spullies waarmee jij een compleet nieuwe planeet kan knutsellijmen, waarop jij dan lekker kunt gaan lopen chillen. Op je Action-opblaastroon. Met in de armleuningen plenty ruimte voor Action-badeendjes in de vorm van een koekje, Action-afwasborstel met aromatherapie en een Action six-pack waterperoxide haarverf in maat L. Exactly. Allemaal spullen die je precies níet nodig hebt in life. Met je Xenos.

De Mannetjes van de West Side #1

Afgelopen donderdag mocht ik mijn spoken wordkunstjes loslaten op argeloze passanten in hartje West. De Mathenesserbrug was tijdelijk dicht omdat er een prachtig gedicht op de binnenkant werd geschilderd. Een groepje dichters had de (on)dankbare taak om al die Westside homies die de brug eigenlijk over wilden, zoet te houden met eigen werk. Ongevraagd entertainen while waiting voor de pendelbusjes. Busjes speciaal ingehuurd om de bewoners naar de overzijde van de brug te droppen. De vraag is: gaan de Westside-peoples dit Insya Allah wel trekken?

Tijdens mijn shift komt een groepje mannen op leeftijd aanlopen. Vier Marokkanen type buurtvader en één trotse Surinaamse wijze mijnheer. Deze middelbare mannetjes uit West zitten natulek niet te wachten op deze voor hun volslagen onbekende chick. Die wat ook alweer gaat doen? ‘Iets met gediegt?’ Nee mang, ze willen gewoon naar de overkant van hun brug wandelen, zoals ze altijd doen. Maar dat gaat op deze random donderdagavond niet gebeuren. Omdat de binnenkant van de brug nou eenmaal een woordensoepje kado krijgt van dichter Dee. Geduld gaat hier heftig op de proef worden gesteld, for sure. Wat doen we deze oude Rotterdamse kraaien ook eigenlijk aan, denk ik wanhopig als ik dit groepje zit te luistervinken. Ze willen namelijk geen bruggediegt. Nee, ze willen die ‘aaandere’ voetbalwedstrijden kijken, mopperen ze opgewonden. ‘Want er speelt meer als Juventus tog, als het mag van de vrouw, vrouwtje kijkt toch naar Dubai-shows op de schotel, daarom. Maar als ik geweten had van deze brug dan had ik beter tram gepakt’, bromt De Surinamer licht verontwaardigd in puntige zinnen. Het is even stil, en dan, een van de Marokkaanse mannetjes triomfantelijk: ‘warum jij vrouw vragen? Vrouw moet boven boek lezen jij beneden voetbal kijken, geen problem tog?.’

Voorzichtig schuifelen de mannetjes naar het pendelbusverzamelpunt slash spoken word-middenstip. Ze kijken naar mij, vol verwachting. Streng en met argusogen, dat ook. Ze wilden brug, geen pendelbus, remember? Ik wapper demonstratief en slightly nervous met mijn spoken wordpapierwerk, while aankondigend dat ik een ‘mooi gedicht’ ga voorlezen. Ondertussen ga ik al behoorlijk dood van binnen want ik moet real time schrappen. Schrappen als een idioot man. Ik kan deze mannetjes, waarvoor je hands down respect dient te hebben, onmogelijk vertellen dat ik allochtonen en hoeren categoriseer. In één zin. Of dat er doden zijn gevallen in pornoportiekjes. Nee man. Kan echt niet, wollah. Ondertussen hebben de grijze wijze mannetjes uit District West zichzelf als een kring om mij heen opgesteld. Vragende, nieuwsgierige blikken én de Surinaamse wijze mijnheer. Hij geeft mij gratish en voor niets die o zo strenge Suri-‘ik ga naar je toe komen maar vertel mij geen onzin meisje’-blik. Intimiderend but harmless tho. Ik moet beginnen want pendelbusje komt zo. Dus ga ik, in het hol van de West Side-leeuw.

'The streets belong to those who know their way with words'

‘The streets belong to those who know their way with words’

Ik geef de oude kraaien van West een gekuiste, zachtere versie van mijn brutale aap-verhaal. De kring luistert half eerbiedig half onwennig met een vibe van ‘wat segt die meisje allemaal’. Ik kon dat voelen. Dat, terwijl tegelijkertijd achter ons langs, een complete collone aan geïrriteerde tüterende waggies luidruchtig hun plek kwamen ownen. De pendelbus en pylonnen staan hinderlijk in de weg als het aan deze lokale Verstappen-boys ligt. Rustig jongons, rustag dacht ik nog.

En toen, na vier minuten was ik klaar. Mijn bescheiden gedicht had voor zich gesproken. Ik keek op van mijn papier en keek recht in de face van De Wijze Surinamer. ‘Wie heeft dat geschreven’, vroeg hij met vet accent op gebiedende wijs, zijn stemgeluid donker. ‘Ik heb dit zelf geschreven meneer’, antwoordde ik boven het verkeer uit. Zijn blik. Die was nu van een totaal andere orde. Ineens een stuk zachter dan vier minuten terug. Aaibaar haast. Wait. Zag ik ontroering in zijn verschrompelde oogjes? Ogen die vast al te veel hadden gezien van deze soms mooie, soms kapotlelijke wereld. ‘Dat was echt mooi jongedame, echt mooi hoor.’ De Wijze Surinamer had zijn vonnis zojuist uitgesproken en draaide zich vervolgens om. Samen met zijn Mocro posse stapte hij het pendelbusje in. Ik keek hoe het busje de diepe nacht van West in dook, op weg naar de boekenlezende vrouwtjes en Dubai via de schotel. Ik bleef achter op de middenstip met een groots gevoel van surrealness. Hier stonden Het Aapje en De Leeuw zojuist tegenover elkaar, hier was zojuist iets moois gebeurd.

Hier praat een nederig Aapje

Soms moet je als blogger een beetje nederig zijn. Door wat je eerst uitgebreid en luidruchtig wilde vertellen, even door te schuiven naar de next time. Nederig zijn omdat momenteel in de stad van Stokbrood&Lobi, een stokoud en wereldberoemd bouwwerk in de hens staat. Wat een tristesse. Ik val daar gewoon spontaan van in het nachtslot. Mijn woordenwaterval stopt, voor even. Gewoon even chill.

Toegegeven, in Parijs ben ik nooit naar de Notre Dame geweest. Maar als je niet weet what de hek de ND is, dan is er echt iets gruwelijk misgegaan met je algemene ontwikkeling afdeling Frankrijk (Hint: The Hunchback). Mijn gedachten deliveren mij meteen bij mijn eigen woonstad Roffa. Je kunt je toch echt niet voorstellen dat deze bloedmooie stad ooit compleet in de fik stond. Of dat de Erasmusbrug vlammend ten onder zou gaan. Tering wat trek ik die gedachte slecht. En daarom voel ik die huilende Parijzenaren ook echt. Markante gebouwen of ze nou shiny nieuw zijn of in elkaar geklust zijn in het jaar kruik, het hoort bij de ziel van een stad.

Stadsiconen zijn eigenlijk kapotluie verhalenvertellers bedenk ik me net. Want het zijn de peoples door de jaren heen die het verhaal achter gebouwen vertellen. Dat doen níet de gebouwen zelf natuurlijk. Duh. Alleen in Disneyfilms krijgt een kerk een bekkie opgeplakt en een wolkenkrabber een paar lippen op de plinten gesoldeerd zodat ze de film gezellig vol kunnen lullen.

Kerken, bunkers, gerechtsgebouwen, campussen, moskeeën, tempels, concertgebouwen. De hele wereld staat vol met dit soort units. Allemaal vertellen ze verhalen.
Indrukwekkende, treurige, heftige, mooie, onwerkelijke, ongelofelijke en avontuurlijke. Bedoeld om de liefde voor cultuur en history forever te koesteren.

Soms moet je als blogger een beetje nederig zijn. Door stil te staan met wat je hebt als stadse inwoner. En boy wat ben ik trots op Rotterdam. Een stad die brandend op zijn muil ging, een stad die van fakking ver moest komen om te zijn wie het nu is. Dáárom ben ik trots als import-Rotterdammert. Dat als ik op een zwoele zomernacht in 2018 bijna sta te janken van ontroering wanneer ik onder de verlichte Willemsbrug sta, zo trots ben ik.

Ik denk aan een brandend icoon en een stad die huilt. Ik hoop dat de Parijzenaren ook een soortgelijke trots hebben en zullen blijven houden na vanavond. Ze gaan het nodig hebben om het nieuwe, pijnlijke verhaal van de Notre Dame te vertellen. En te blijven vertellen. Met nóg meer trots dan ze al waren op deze Grand Old Lady. Ik gun het ze. Maar echt❤.

The Subway is the Only Way

Ik voelde me afgelopen 24 maart best een beetje feestelijk. Eindelijk, eindelijk na 100 jaar heeft Jakarta een metrolijn. Hun eigen Noord-Zuidlijn, de Jakarta MRT, is ready to rumble met 13 haltes dwars door de stad, over een lengte van 23 kilometer. Dit is pas fase 1, later komt daar nog de Oost/West-lijn bij. Ik ben serieus nog confuus van dit monsterproject, en dan praat ik over de afstanden. Hier in NL ben je met die metrokilometers bij elkaar opgeteld, gelijk het land uit. Zou wat wezen, dan kun je mensen gelijk én goedkoop het land uitzetten. Ok, dat was een niet echt geslaagde grap. Verre van subtiel ook. Ik schrijf gauw verder. De nieuwe metro in JKT is dus een gigantische stap voorwaarts in de Indonesische infrastructurele geschiedenis zoals dat deftig heet. En ik maak het mee hoor in mijn Facebooktimeline. Aan de lopende band flitsende pictures van vrienden, kennissen en pamilies. Allemaal striking a pose bij/in/op de metro. Hysterisch. Hysterisch mooi, dat ook. Glanzende ultramoderne metrostations (met tourniquets!) en voetgangerstunnels vol ledlampjes die steeds heel nice van kleur veranderen, echt fakking hipster. Jakarta heeft er serieus een kermisattractie bij, een compleet nieuw hoofdstuk in civilisation. Het werd tijd ook. Jakarta (16 miljoen inwoners) moest het tot nu toe doen met een bescheiden tram/forenzentreinlijntje, een op zich prima busnetwerk en taxi’s. Maar vooral moest Jakarta zichzelf levend zien te houden in die intense CO2-spugende soep vol filetwerkende waggies. Dat het doodnormaal is om elk uitje, ritje, uitstapje en tripje met je car binnen de stadse ring in te calculeren met een marge van minstens een uur, is natuurlijk ridiculously insane. Allemaal de schuld van de nieuwe rijken in Jakarta (en in Indonesië in general). Deze moneymaking Asians hebben nou eenmaal standaard gemiddeld drie auto’s (en 1 chauff) per huishouden. Die metro was daarom het laatste redmiddel voordat Indonesië uberhaupt uit alle internationale klimaatconventies zou worden gegooid. En een wereld zonder Indonesië, mijn landgenoten; sorry maar dat kan natuurlijk niet. Hoe dan. We pinda’s belong in this world. Eindelijk horen we erbij met dit hoofdstedelijke metronetwerk. En they rock it real hard mensen.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Hier in Roffa kunnen we er ook wat van hoor. Van een ander kaliber maar toch. Op z’n Hollands dus met een boel gemekker over een stukkie metrolijn wat maar niet afgemonteerd wil worden (lees: ze hebben het steeds over het testen van de software van de spoorwegbeveliging maar wat ze bedoelen is frikkin budgetoverschrijding zoals ever). Maar waar heb je het dan over, Aapje? Ik heb het over de Hoekse Lijn, het stuk treinspoor dat getweaked gaat worden naar een metrolijn richting het strand van Hoek van Holland. Maar het is al twee jaar uitgesteld. Dus nog steeds kunnen we onze strandstoelen, parasol, BBQ en schoonouders niet in de metro schuiven zodra de thermometer de eerste 22 graden aantikt. En elke rechtgeaarde Rotterdammer gaat natuurlijk nooitnie naar Schevie. Waar ze sowieso al niet eens een paar kerstbomen fatsoenlijk in de hens kunnen steken. Maar goed, dat geheel terzijde. Dit is dan gelijk het enige smetje op het verder supermooie metronetwerk plus stations dat Roffa rijk is. Want man man man, wat is dit type OV in de havenstad toch gruwelijk goed gelukt. Vergeleken met Damsko, waar met de net nieuwe metro Noord/Zuidlijn, ook eindelijk een beetje beschaving is ingetreden, is Roffa toch echt smooth en sexy hoor. Keje nagaan: Alle stations en metrostellen clean, strak en glanzend in de lak. Zelfs in de oksels van metrostation Roffa centraal ruikt het bloemig oriëntaals. Ik sei toch: sexy. Plus het feit dat metro Roffa de oudste en grootste in NL is. Ol’, big én sexy dus.

Toch nog iets kwijt over Damsko. Onlangs is daar de beruchte metro/tramlijn 51 opgeheven. Berucht vanwege zijn storingsgevoeligheid, maar vooral berucht omdat het nog een metrostel uit 1980 was en er ever since nooit iemand meer met een swiffer doorheen is gegaan. Ik ben een jaartje met die metro geweest toen ik op de Vrije Universiteit werkte. Metro 51, een wandelend stuk geschiedenis, de rockster van alle metrostellen. Je kon gewoon bijna ruiken hoeveel junkies, sigarettenrokende peoples (toen het nog mocht), honden en toeristen hier in hebben gezoend, gevloekt, gedreigd, gehoest, geniest en gekotst. Metro 51 is de enige metro waar als het vol was, ik standaard mensen aan hun rugtassen vasthield. Of aan iemands haar(stukje). Je hand aan de stang of stukje wand was vragen om AIDS. Het idee dat je hand gewoon bleef plakken aan whatever shit happened. Metro 51, by far de meest vuige, rauwe en compleet uitgewoonde metro die ik heb gekend. Dat resulteerde btw in dit blog.

Recap:
Jakarta heeft er een machtig mooie showpony erbij, in Roffa wachten we nog een jaartje ongeduldig op de strandsluiper en in Damsko namen ze afscheid van lijn 51, de metro die decennialang Amsterdam Centraal – Amstelveen heeft zitten rocken. Een goed metronetwerk is superonmisbaar in een big city, zoveel is duidelijk toch?
Of op z’n Roffiaans: ‘je ken er nie van buite ja toch niet dan.’