De Mannetjes van de West Side #1

Afgelopen donderdag mocht ik mijn spoken wordkunstjes loslaten op argeloze passanten in hartje West. De Mathenesserbrug was tijdelijk dicht omdat er een prachtig gedicht op de binnenkant werd geschilderd. Een groepje dichters had de (on)dankbare taak om al die Westside homies die de brug eigenlijk over wilden, zoet te houden met eigen werk. Ongevraagd entertainen while waiting voor de pendelbusjes. Busjes speciaal ingehuurd om de bewoners naar de overzijde van de brug te droppen. De vraag is: gaan de Westside-peoples dit Insya Allah wel trekken?

Tijdens mijn shift komt een groepje mannen op leeftijd aanlopen. Vier Marokkanen type buurtvader en één trotse Surinaamse wijze mijnheer. Deze middelbare mannetjes uit West zitten natulek niet te wachten op deze voor hun volslagen onbekende chick. Die wat ook alweer gaat doen? ‘Iets met gediegt?’ Nee mang, ze willen gewoon naar de overkant van hun brug wandelen, zoals ze altijd doen. Maar dat gaat op deze random donderdagavond niet gebeuren. Omdat de binnenkant van de brug nou eenmaal een woordensoepje kado krijgt van dichter Dee. Geduld gaat hier heftig op de proef worden gesteld, for sure. Wat doen we deze oude Rotterdamse kraaien ook eigenlijk aan, denk ik wanhopig als ik dit groepje zit te luistervinken. Ze willen namelijk geen bruggediegt. Nee, ze willen die ‘aaandere’ voetbalwedstrijden kijken, mopperen ze opgewonden. ‘Want er speelt meer als Juventus tog, als het mag van de vrouw, vrouwtje kijkt toch naar Dubai-shows op de schotel, daarom. Maar als ik geweten had van deze brug dan had ik beter tram gepakt’, bromt De Surinamer licht verontwaardigd in puntige zinnen. Het is even stil, en dan, een van de Marokkaanse mannetjes triomfantelijk: ‘warum jij vrouw vragen? Vrouw moet boven boek lezen jij beneden voetbal kijken, geen problem tog?.’

Voorzichtig schuifelen de mannetjes naar het pendelbusverzamelpunt slash spoken word-middenstip. Ze kijken naar mij, vol verwachting. Streng en met argusogen, dat ook. Ze wilden brug, geen pendelbus, remember? Ik wapper demonstratief en slightly nervous met mijn spoken wordpapierwerk, while aankondigend dat ik een ‘mooi gedicht’ ga voorlezen. Ondertussen ga ik al behoorlijk dood van binnen want ik moet real time schrappen. Schrappen als een idioot man. Ik kan deze mannetjes, waarvoor je hands down respect dient te hebben, onmogelijk vertellen dat ik allochtonen en hoeren categoriseer. In één zin. Of dat er doden zijn gevallen in pornoportiekjes. Nee man. Kan echt niet, wollah. Ondertussen hebben de grijze wijze mannetjes uit District West zichzelf als een kring om mij heen opgesteld. Vragende, nieuwsgierige blikken én de Surinaamse wijze mijnheer. Hij geeft mij gratish en voor niets die o zo strenge Suri-‘ik ga naar je toe komen maar vertel mij geen onzin meisje’-blik. Intimiderend but harmless tho. Ik moet beginnen want pendelbusje komt zo. Dus ga ik, in het hol van de West Side-leeuw.

'The streets belong to those who know their way with words'

‘The streets belong to those who know their way with words’

Ik geef de oude kraaien van West een gekuiste, zachtere versie van mijn brutale aap-verhaal. De kring luistert half eerbiedig half onwennig met een vibe van ‘wat segt die meisje allemaal’. Ik kon dat voelen. Dat, terwijl tegelijkertijd achter ons langs, een complete collone aan geïrriteerde tüterende waggies luidruchtig hun plek kwamen ownen. De pendelbus en pylonnen staan hinderlijk in de weg als het aan deze lokale Verstappen-boys ligt. Rustig jongons, rustag dacht ik nog.

En toen, na vier minuten was ik klaar. Mijn bescheiden gedicht had voor zich gesproken. Ik keek op van mijn papier en keek recht in de face van De Wijze Surinamer. ‘Wie heeft dat geschreven’, vroeg hij met vet accent op gebiedende wijs, zijn stemgeluid donker. ‘Ik heb dit zelf geschreven meneer’, antwoordde ik boven het verkeer uit. Zijn blik. Die was nu van een totaal andere orde. Ineens een stuk zachter dan vier minuten terug. Aaibaar haast. Wait. Zag ik ontroering in zijn verschrompelde oogjes? Ogen die vast al te veel hadden gezien van deze soms mooie, soms kapotlelijke wereld. ‘Dat was echt mooi jongedame, echt mooi hoor.’ De Wijze Surinamer had zijn vonnis zojuist uitgesproken en draaide zich vervolgens om. Samen met zijn Mocro posse stapte hij het pendelbusje in. Ik keek hoe het busje de diepe nacht van West in dook, op weg naar de boekenlezende vrouwtjes en Dubai via de schotel. Ik bleef achter op de middenstip met een groots gevoel van surrealness. Hier stonden Het Aapje en De Leeuw zojuist tegenover elkaar, hier was zojuist iets moois gebeurd.

Hier praat een nederig Aapje

Soms moet je als blogger een beetje nederig zijn. Door wat je eerst uitgebreid en luidruchtig wilde vertellen, even door te schuiven naar de next time. Nederig zijn omdat momenteel in de stad van Stokbrood&Lobi, een stokoud en wereldberoemd bouwwerk in de hens staat. Wat een tristesse. Ik val daar gewoon spontaan van in het nachtslot. Mijn woordenwaterval stopt, voor even. Gewoon even chill.

Toegegeven, in Parijs ben ik nooit naar de Notre Dame geweest. Maar als je niet weet what de hek de ND is, dan is er echt iets gruwelijk misgegaan met je algemene ontwikkeling afdeling Frankrijk (Hint: The Hunchback). Mijn gedachten deliveren mij meteen bij mijn eigen woonstad Roffa. Je kunt je toch echt niet voorstellen dat deze bloedmooie stad ooit compleet in de fik stond. Of dat de Erasmusbrug vlammend ten onder zou gaan. Tering wat trek ik die gedachte slecht. En daarom voel ik die huilende Parijzenaren ook echt. Markante gebouwen of ze nou shiny nieuw zijn of in elkaar geklust zijn in het jaar kruik, het hoort bij de ziel van een stad.

Stadsiconen zijn eigenlijk kapotluie verhalenvertellers bedenk ik me net. Want het zijn de peoples door de jaren heen die het verhaal achter gebouwen vertellen. Dat doen níet de gebouwen zelf natuurlijk. Duh. Alleen in Disneyfilms krijgt een kerk een bekkie opgeplakt en een wolkenkrabber een paar lippen op de plinten gesoldeerd zodat ze de film gezellig vol kunnen lullen.

Kerken, bunkers, gerechtsgebouwen, campussen, moskeeën, tempels, concertgebouwen. De hele wereld staat vol met dit soort units. Allemaal vertellen ze verhalen.
Indrukwekkende, treurige, heftige, mooie, onwerkelijke, ongelofelijke en avontuurlijke. Bedoeld om de liefde voor cultuur en history forever te koesteren.

Soms moet je als blogger een beetje nederig zijn. Door stil te staan met wat je hebt als stadse inwoner. En boy wat ben ik trots op Rotterdam. Een stad die brandend op zijn muil ging, een stad die van fakking ver moest komen om te zijn wie het nu is. Dáárom ben ik trots als import-Rotterdammert. Dat als ik op een zwoele zomernacht in 2018 bijna sta te janken van ontroering wanneer ik onder de verlichte Willemsbrug sta, zo trots ben ik.

Ik denk aan een brandend icoon en een stad die huilt. Ik hoop dat de Parijzenaren ook een soortgelijke trots hebben en zullen blijven houden na vanavond. Ze gaan het nodig hebben om het nieuwe, pijnlijke verhaal van de Notre Dame te vertellen. En te blijven vertellen. Met nóg meer trots dan ze al waren op deze Grand Old Lady. Ik gun het ze. Maar echt❤.

The Subway is the Only Way

Ik voelde me afgelopen 24 maart best een beetje feestelijk. Eindelijk, eindelijk na 100 jaar heeft Jakarta een metrolijn. Hun eigen Noord-Zuidlijn, de Jakarta MRT, is ready to rumble met 13 haltes dwars door de stad, over een lengte van 23 kilometer. Dit is pas fase 1, later komt daar nog de Oost/West-lijn bij. Ik ben serieus nog confuus van dit monsterproject, en dan praat ik over de afstanden. Hier in NL ben je met die metrokilometers bij elkaar opgeteld, gelijk het land uit. Zou wat wezen, dan kun je mensen gelijk én goedkoop het land uitzetten. Ok, dat was een niet echt geslaagde grap. Verre van subtiel ook. Ik schrijf gauw verder. De nieuwe metro in JKT is dus een gigantische stap voorwaarts in de Indonesische infrastructurele geschiedenis zoals dat deftig heet. En ik maak het mee hoor in mijn Facebooktimeline. Aan de lopende band flitsende pictures van vrienden, kennissen en pamilies. Allemaal striking a pose bij/in/op de metro. Hysterisch. Hysterisch mooi, dat ook. Glanzende ultramoderne metrostations (met tourniquets!) en voetgangerstunnels vol ledlampjes die steeds heel nice van kleur veranderen, echt fakking hipster. Jakarta heeft er serieus een kermisattractie bij, een compleet nieuw hoofdstuk in civilisation. Het werd tijd ook. Jakarta (16 miljoen inwoners) moest het tot nu toe doen met een bescheiden tram/forenzentreinlijntje, een op zich prima busnetwerk en taxi’s. Maar vooral moest Jakarta zichzelf levend zien te houden in die intense CO2-spugende soep vol filetwerkende waggies. Dat het doodnormaal is om elk uitje, ritje, uitstapje en tripje met je car binnen de stadse ring in te calculeren met een marge van minstens een uur, is natuurlijk ridiculously insane. Allemaal de schuld van de nieuwe rijken in Jakarta (en in Indonesië in general). Deze moneymaking Asians hebben nou eenmaal standaard gemiddeld drie auto’s (en 1 chauff) per huishouden. Die metro was daarom het laatste redmiddel voordat Indonesië uberhaupt uit alle internationale klimaatconventies zou worden gegooid. En een wereld zonder Indonesië, mijn landgenoten; sorry maar dat kan natuurlijk niet. Hoe dan. We pinda’s belong in this world. Eindelijk horen we erbij met dit hoofdstedelijke metronetwerk. En they rock it real hard mensen.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Hier in Roffa kunnen we er ook wat van hoor. Van een ander kaliber maar toch. Op z’n Hollands dus met een boel gemekker over een stukkie metrolijn wat maar niet afgemonteerd wil worden (lees: ze hebben het steeds over het testen van de software van de spoorwegbeveliging maar wat ze bedoelen is frikkin budgetoverschrijding zoals ever). Maar waar heb je het dan over, Aapje? Ik heb het over de Hoekse Lijn, het stuk treinspoor dat getweaked gaat worden naar een metrolijn richting het strand van Hoek van Holland. Maar het is al twee jaar uitgesteld. Dus nog steeds kunnen we onze strandstoelen, parasol, BBQ en schoonouders niet in de metro schuiven zodra de thermometer de eerste 22 graden aantikt. En elke rechtgeaarde Rotterdammer gaat natuurlijk nooitnie naar Schevie. Waar ze sowieso al niet eens een paar kerstbomen fatsoenlijk in de hens kunnen steken. Maar goed, dat geheel terzijde. Dit is dan gelijk het enige smetje op het verder supermooie metronetwerk plus stations dat Roffa rijk is. Want man man man, wat is dit type OV in de havenstad toch gruwelijk goed gelukt. Vergeleken met Damsko, waar met de net nieuwe metro Noord/Zuidlijn, ook eindelijk een beetje beschaving is ingetreden, is Roffa toch echt smooth en sexy hoor. Keje nagaan: Alle stations en metrostellen clean, strak en glanzend in de lak. Zelfs in de oksels van metrostation Roffa centraal ruikt het bloemig oriëntaals. Ik sei toch: sexy. Plus het feit dat metro Roffa de oudste en grootste in NL is. Ol’, big én sexy dus.

Toch nog iets kwijt over Damsko. Onlangs is daar de beruchte metro/tramlijn 51 opgeheven. Berucht vanwege zijn storingsgevoeligheid, maar vooral berucht omdat het nog een metrostel uit 1980 was en er ever since nooit iemand meer met een swiffer doorheen is gegaan. Ik ben een jaartje met die metro geweest toen ik op de Vrije Universiteit werkte. Metro 51, een wandelend stuk geschiedenis, de rockster van alle metrostellen. Je kon gewoon bijna ruiken hoeveel junkies, sigarettenrokende peoples (toen het nog mocht), honden en toeristen hier in hebben gezoend, gevloekt, gedreigd, gehoest, geniest en gekotst. Metro 51 is de enige metro waar als het vol was, ik standaard mensen aan hun rugtassen vasthield. Of aan iemands haar(stukje). Je hand aan de stang of stukje wand was vragen om AIDS. Het idee dat je hand gewoon bleef plakken aan whatever shit happened. Metro 51, by far de meest vuige, rauwe en compleet uitgewoonde metro die ik heb gekend. Dat resulteerde btw in dit blog.

Recap:
Jakarta heeft er een machtig mooie showpony erbij, in Roffa wachten we nog een jaartje ongeduldig op de strandsluiper en in Damsko namen ze afscheid van lijn 51, de metro die decennialang Amsterdam Centraal – Amstelveen heeft zitten rocken. Een goed metronetwerk is superonmisbaar in een big city, zoveel is duidelijk toch?
Of op z’n Roffiaans: ‘je ken er nie van buite ja toch niet dan.’

De week waarvan we wisten dat die zou komen. Not.

Vorige week kon de monkey even geen blog fiksen. Gewoon. Want er kwam niks zinnigs. Na de Utrecht-aanslag had ik meer behoefte aan een hoekje om in te chillen. Maakte ik me meer druk om die ramptoeries op Facebook. Zo’n muts die dan haar dinnetjes gaat lopen taggen onder de foto van die treurige Utrechtste tram, nog nagloeiend van de slachtoffers: ‘Kijk dan Lyn, daar was ik ook donderdag!😱😱😱.’ For fecks sakes pleur op. Al was je er de hele week met je Primark-boodschappentas, nobody ever cares.

Maar goed. Het was een bizarre week afgelopen week. Een aanslag op het veilige gevoel. Plus een aanslag op de democratie. Omdat meneer Lavendelzakje Baudet de senaat en provincie gaat bezetten met mensen die nog nooit een vinger om politiek hebben gegeven. Ja, ze vinden dat het anders moet in ‘hun’ NL. En het liefst alleen met mensen met een roomblanke huid. Weet je wat ook anders moet? Mijn haar. Want de balayage begint rap uit te groeien. En mijn scheve ondertandjes wil ik ook rechtop hebben a.u.b. Het liefst met roomblanke facings erop geknald. Maar daar hoort U mij ook verder niet over.

Maar goed. Het was een intense week. Ik heb mijn politieke plicht gedaan, mijn partij met liefde gesteund als lijstduwert. Ik heb gezegd dat ik zaadjes aan het planten ben. Wie dit jaar nog niet gehoord heeft van Rapinda eh Ramona M., zal bij de volgende verkiezingen nog eens heel gek gaan opkijken. Eigenlijk te vergelijken met de opmars van Thierry Lavendelzak. Want wie o wie had ooit bedacht dat deze pianoboy zo verpletterond het rechtse geluid van NL in klinkende gouden muntjes uitbetaald zou zien krijgen? Inderdaad. Niemand.

Maar even zonder gekkigheid: ik beloof helemaal niks met alles waar ik op dit moment mee bezig ben. Ik heb inderdaad grootse plannen voor dit jaar en it’s all work in progress. Ik werk daarvoor samen met de fijnste peoples die gezellig allemaal verschillende kekke huidskleurtjes hebben. Hoor je me? ik sluit dus geen mensen uit om tot iets moois te komen. Dat is al een verschil met Thierry Lavendelzeepje Baudet.

Ik heb grote dromen voor dit jaar en beyond. Ik beloof dat ik het resultaat met liefde met jullie ga delen. Horen jullie dat apenkoppen? Met liepde. Dus niet met de H van Haat zoals het motief van de Utrechtse schutter.

Laffe baas Gökmen Tanis opereerde op basis van haat. Lavendelzakje doet dingen op basis van uitsluiting. Is dat vreselijk? Ja. Maar zulke mensen bestaan nou eenmaal op deze wereld, so suck it up. Dat deze mensen op hun eigen verwerpelijke manier van zich laten horen, sorteert bij mij juíst een groots tegeneffect: Het zorgt er namelijk voor dat ik nóg beter weet waar ik wél voor sta: liefde, samenwerking en heel veel bananen. Wat voor tegengeluid geven jullie?

PS: ik geef bij deze toestemming dat bananen ingezet mogen worden. Hoe dan? Nou gewoon goed mikken. Complete trossen heel hard naar alle mensen gooien die racisme, haat en uitsluiting als middle name hebben.

Oh, Oh Rotterdamt de mooiste stad achter alle duinen

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Ik merk dat elke keer als ik de Westelijke tunnel van Amsterdam Centraal uitwandel, en de hoofdstedelijke lucht inadem. Die typische lichtranzige walm waar ik altijd zo goed op ging, hypnotiseert niet meer. Het is voor mij het herkenbare parfum van grachtenwater, wiet, roestende fietsen. duivenpoep en Febo-friet, maar die niet langer meer in mijn feels zit. Oh hallo Amsterdam-achterban: rustag maar. Ik zal mijn Amstelveense afkomst nooit verloochenen. Ook al kom ik daar eigenlijk nooit meer, maar ik weet waar mijn (oude) huis woont. Respect.

Maarrrr, Rotterdam begint na een dikke twee jaar serieus in mijn ziel te sluipen. Geleidelijk maar gestaag en heel doelgericht. Dat ik als een kind zo blij ben als ik weer in de trein terug zit van Damsko naar 010. Als na 40 minuten Intercity Direct snoozen, vanaf de noordzijde van het Rotterdamse spoor de zwoelie rode neonletters van mijn favo nachtclub Annabel soepel in mijn blikveld vallen. Rotterdam dat zo lekker in mijn actieradius ligt wat betreft de inwoners met grote muil en mini-hartje, de intense architectuur-eyecandy, de vrije opmars van allerlei toffe horecaconcepten en clubs. Ok, ok, ik moet kanttekening doen. De heftige discussie rondom de huidige clubscène-situation hiero, parkeren we even. De gloednieuwe club Reverse aan de Schiekade moet/gaat Roffa als nachtvlinderstad weer op de kaart brengen. Dus chill out iedereen.

Alle nachtvlinders en vlinders in de buik nog an toe en toch en toch en toch moest ik moeite doen voor deze stad. En alles waar ik moeite voor moet doen heeft direct mijn aandacht en laat ik moeilijk los. Ik lijk wat dat betreft net een guy. Als er niets meer te jagen valt dan verdwijnt de interesse rap. Amsterdam is de pretty girl die zichzelf, op het afzichtelijke af, makkelijk presenteert. Roffa? Neeuuh. Ga eerst maar even tien keer op je bek in dat rare NYC-avenue stratenpatroon. Alles rechtdoor zo die gaat en nergens van die organisch-schattige fietsbochtjes te bekennen zoals in Damsko. Nee, dan al die hinderlijke gangsta-waggies waar Roffa zo berucht om is. En als je eindelijk dat stratenpatroon doorhebt, dán ontvouwt zich ook nog eens de concrete jungle waarin je je voedsel moet gaan zoeken. Om te overleven. Koffie en eettentjes zitten, alsof ze het erom doen, vaak kneitergoed dichtgemetseld in de betonnen periferie. Verstopt als geduldige parels om ontdekt en voor eens en voor altijd omarmd en gedragen te worden. Eenmaal gevonden, dan is de gruwelijke koffie en goddelijk voedsel ook je eeuwige overwinningsbeloning. Dát is Roffa. Zoek het eerst maar ff lekker uit, genieten en de held uithangen kan altijd nog.

Och och och, wat heb ik al belachelijk vaak mijn liefde voor Roffa geuit. In mijn blogs, in mijn spoken word, in mijn amateur-instapics. In 2016 nog aarzelend en verlegen, want toen nog helemaal onder de indruk van die grote brulaap. Daarna begon de liefde geleidelijk te groeien. Niet zo moeilijk als je dan ook nog eens verliefd wordt op een geboren Rotterdammert met inderdaad een brutaal bekkie maar met een hart so so sweet.

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Maar dat ik zo verliefd ben geworden op deze stad is ironisch genoeg altijd het meest voelbaar wanneer ik pendel tussen ‘oude liefde’ Amsterdam en Rotterdamt. Nee mensen, het ís geen verraad naar dat ijdele ADE-prinsesje op haar Prinsengrachtbed (niet huilen, plagen mag). Het is gewoon een proces. Een kwestie van groeien en iets ontgroeien. Groeien naar iets nieuws. Jezelf ontwikkelen, blijven bewegen en nieuwe dingen ontdekken.

Amsterdam is where I come from. Dat gaat nooitnie weg. Maar als je vraagt wie mijn grote liefde is: ik ga nog net geen Lee Towers zingen en twintig rondjes Hofpleinfontein zwemmen. Dat laatste heb ik in 2017 overigens echt gedaan toen Feyenoord landskampioen werd. Maar dat geheel terzijde.

Ja joh, nieuwe liefdes gaan diep. Heel diep. De Monkey heeft het er maar druk mee.

Het Aapje is een woordenhosselaar met slaapgebrek

Er is een keerzijde aan die God’s Gift of Heaven van mij. Tuuuuulek is het superchill dat ik op dagelijks basis vrij soepel een stukkie tekst op papier kan fiksen, terwijl de gemiddelde landgenoot jankt als een baby bij het moeten schrijven van een sinterklaasgedicht van twintig woorden only.

Elke schrijver herkent het: het niet vantevoren te voorspellen moment dat je in de ultieme schrijfbubbel valt en gegrepen wordt door die frikkin lekkere schrijfflow waar geen einde aan lijkt te komen. En dát lieve apenkoppen, is de keerzijde. Want van die schrijfbubbel word ik junkerig. Ik raak overprikkeld en gretig door bijna alles wat ik hoor. Een zinnetje uit de Libelle (WIE LEEST DIT NOG MENSEN) kan zomaar een geniaal begin zijn voor een spoken word. Iemand die met me praat onderbreek ik opeens, omdat net dat ene zinnetje mij triggert. Alles moet meteen opgeslagen op mijn foon, in mijn hoofd. Mijn tas en thuis liggen vol opschrijfboekjes want alles wat ik hoor kan een begin zijn van alweer een intens gedicht, die minitsunami van woorden en zinnenhussels in mijn hoofd. Het is druk in die bovenkamer van me. Voorbeeld: ik hoorde Eva Jinek laatst in haar talkshow iets zeggen met ‘koekje van eigen deeg’. Niet echt een superspannende uitdrukking toch? Iedereen kent ‘m. Maar in mijn hoofd gingen koekje en eigen deeg helemaal los én een eigen leven leiden. Want wat is er mis met koekje van andermans deeg? Precies. En zo vormt zich dan een compleet nieuwe woordenwaarheid in mijn apenkop. The works. Het is rijkdom geef ik toe, dat mijn hoofd woorden weet te processen tot nieuwe dingen. Maar tis ook best vermoeiend. De hyperness ervan, snap jij snap ik.

Het is de ultieme keerzijde van mijn skills: ik slaap onrustig omdat ik tot laat in de avond door zit te schrijven en ook nog eens hardop oefen om de woorden om te zetten in een loeistrakke spoken word performance, die andere liefde die ik weer heb opgepakt. Het is ook een soort bedrijfsrisico want de schrijfbubbel is eigenlijk één grote sexy verleider; ik vergeet andere dingen sneller, negeer verplichtingen die ik heb, ik laat me gewoon als een konijn in koplampen in deze schrijfbubbel zuigen. Het is maniakaal bijna, het is intens.

Het is de reden waarom ik twee maandagen MonkeyMondayBlogs heb geskipt. Want te moe vanwege doorhaalavondenschrijfuitbarstingendingen. Boy, wat moet ik aan de slag met concealer om die insomnia-wallen weg te poetsen. Alles voor Bassie. Ik beloof u plechtig dat deze gaten in mijn blogroutine iets gaan opleveren. Om te beginnen sta ik woensdag 10 april a.s. in de voorrondes van Poetry Slam Rotterdam (KOMT ALLEN, I NEED MY FANS OUT THERE!).

Precies, deze monkey is on a mission. Dus, laat haar lekker in die schrijfbubbel. Laat haar pruttelen in haar zelfgetrokken woordensoepje. Er komen mooie dingen van. Promise.
 

Het Aapje wil graag iets zeggon

Het is that time of the year again. Allerlei verkiezingen komen eraan en regeringsleiders staan weer lekker in de mediaspotlights heen en weer te paraderen. Niet omdat ze het betreffende land of stad zo kundig bij elkaar houden (of juist helemaal niet), maar omdat ze zo lekker knus ‘dicht bij het volk staan’ en zo superintens doodgewoon zijn gebleven. De zittende populaire president van Indonesië, Jokowi, heeft bijvoorbeeld een complete fanbase van duizenden aanhangers. Hij schijnt een van de eerste Indonesische presidenten te zijn die echt heel vaak bezoekjes pleegt aan de arme peoples in de kampung en desa’s. Mijn Facebook timeline knalt sowieso al weken uit elkaar van filmpjes waarin Jokowi wijken in het land bezoekt, zich door een haag van mobiele foons en gillende hoofddoekjes moet zien te rammen like a rock star next level. Dichter bij huis komen onze regeringsleiders uiteraard altijd in het nieuws met dat eeuwig uitgekauwde fietsthema. Hoe bestaat het toch dat deze bewindspersonen met loodzware landsverantwoordelijkheid, weer en wind battelen, miljoenen aan waterschade aan hun verregende maatpak riskeren omdat ze gewoon op de fiets naar het Haagse parlement rijden. Huh? Niet in een zwaargepantserde Audi A8, hoedan? Nee, dan mijn eigen Rotterdamse burgemeester Appie Aboutaleb die al tien jaar king of the hill is van de brutaalste stad van NL. Overal hangt die gast rond. Van de rauwe Tarwewijk tot Noord, van berucht Delfshaven tot aan uptown Kralingen. En wat zijn Jokowi, Rutte, Abou en consorten ondanks het hoge piefengehalte, lekker gewoon gebleven hè. Ja klopt. En poepen op de wc doen ze ook allemaal. Waarmee ik wil zeggen dat peoples met bepaalde aanzien en functie die vaak het label ‘maar ze zijn zo gewoon gebleven’ op hun voorhoofden geplakt krijgen, inderdaad ook maar gewoon mens zijn.

Ik moet bij dit soort dingen vaak aan mijn vader denken. Hij is mijn supergrote voorbeeld. Als voorzitter van de veteranen van de provincie Noord-Sulawesi zag en sprak pa veel hoogwaardigheidsbekleders, ministers, generaals, belangrijkbelangrijkmensen, jeweettog. Tel daarbij zijn sociaalmaatschappelijke rol op in de stad waar hij woonde, voor onze familie, voor de kerkgemeenschap en de buurt. In al deze gewichtige en respectabele rollen bleef pa, inderdaad U komt er al lekker in, verschrikkelijk ‘gewoon’. Elke zaterdagochtend wandelde hij op zijn dooie gemakkie in t-shirt en celana kolor (korte broek) naar de markt voor verse vis en groenten. En lulde hij vervolgens zijn hele ochtend vol, gezellie samen met de marktlui en bekenden uit het dorp. Met exact dezelfde jovialiteit als waarmee hij met een willekeurige generaal sprak. Pa had sowieso de gave om met werkelijk íedereen te praten. Of die persoon nou twintig militaire ordes op zijn jasje had hangen of dat het een straatarme satéverkoper was. Voor iedereen had pa een bemoedigend woord, een verhaal (over voetbal) en meestal ook een dijk van een mopje over. Pa maakte geen onderscheid in rangen of standen. Want pa zag altijd de mens voor zich. Voor dorpsgenoten die het moeilijk hadden bad hij en vertelde hij opbeurende verhalen. Verwaande pipo’s met stropdas won pa altijd voor zich met zijn charme en met behulp van een geintje. Pa kon de sfeer opwarmen en ontdooien at the same time. Meesterlijk.

Ik dank God op my bare knees dat ik deze eigenschap van pa heb geërfd. Mijn karakter volgt hem hierin als twee druppels watert. En dan vooral bij de underdog in de samenleving. Bij bijna alle bedrijven waar ik heb gewerkt was ik altijd beste vriendjes met de afdelingssecretaresse. Waar andere collega’s alleen langs kwamen wanneer strikt noodzakelijk (‘heb je die afspraak al ingeboekt?’, ‘oh en waar liggen de pennen ook alweer?’), vroeg ik altijd naar andere dingen zoals hobbies en het gezin. Of ik maakte grapjes over de luidruchtige en totaal nutteloze papierversnipperaar die standaard bij het secretariaat stond weg te roesten. Maar het gaat me vooral om dit: ik heb respect voor elke managementassistente die als een vliegende keep al die stinkende kantoorafdelingen bij elkaar zit te houden. Hij of zij is niet alleen een vergaarbak van post-its en enveloppen, ben je helemaal gek geworden. Het zijn ook gewoon mensen. Net als Jokowi, Rutte en Abou. Met je paperclipvraag. Dat geldt ook voor onze schoonmaakster, de dame achter de balie bij mijn sportschool en de schoonmakers die de treinprullenbakken legen. Ze vallen nog net niet uit het treinstel als ik hun een ‘fijne werkdag!’ wens als ik de trein uitstap. Wat een armoede denk ik dan. Dat veel treinreizigers zich blijkbaar te goed voelen om maar één simpele zin uit hun mond te produceren. Die ene zin waarmee je een kneiterhardwerkende bevolkingslaag de dag van hun leven kunt bezorgen. Het gevoel geven dat ze gewaardeerd worden. Geldt ook voor de bouwvakker die laatst de gasleidingen voor het huis aan het fiksen was en in onze keukens de gasfornuizen dubbel moest checken. Glimmend van trots vertelde hij over zijn eigen aannemersbedrijf dat hij samen met zijn vader met bloedzweettranen uit de grond had gestampt. Dat verhaal kon hij bij mij kwijt, gewoon, omdat ik hem een vraag stelde. Uit interesse. Uit nieuwsgierigheid. Het is echt niet zo moeilijk hoor mensen. Gewoon een beetje lief zijn voor elkaar. Wees onbevreesd en kijk door maskers, directeurenpraat, brallende pipo’s met stropdas en bescheiden harde werkers heen. De premier zit op de wc, net zoals jij en ik. Net zoals de peoples die de (openbare) toiletten schoonmaken waar jij, ik zij en jullie op zitten. Ook die verdienen een ‘fijne werkdag!’ en een ‘goedenavond’. En misschien nog wel een tikkie meer van je aandacht, een bemoedigend schouderklopje als de situatie dat toelaat. Ja, we zijn allemaal mopperende belastingbetalers, alles kost duur, het Hollandse weer sucks, we zijn druk en janken hard als de kantoorpennen op zijn (bij wijze van, bij wijze van). Maar aandacht voor de ander hebben en houden, jezelf niet beter, maar ook beslist niet minder voelen dan je medemens, kost niets in deze maatschappij. Het kost je hooguit het kweken van meer
B.E.W.U.S.T.Z.I.J.N. Niet opzoeken in een woordenboek. Gewoon doen. Lobi, joe!

Oud West Thuis Best

Ik ben import-Rotterdammert. Mezelf geïmporteerd naar de stoffige straten van het Oude Westen. Mijn actieradius concentreert zich grofweg tussen het Weena/Beukelsdijk, West-Kruiskade en de Nieuwe Binnenweg. In die driehoek zit alles wat ik nodig heb: mijn favo fluffy pancaketent (Altijd in de Buurt), de buurtgym, de Chinatown voedselstrip over de gehele lengte van de West-Kruiskade tot aan de Eerste Middellandstraat. In theorie kun je jezelf letterlijk doodeten aan voedsel in al die eettentjes en je salaris stukslaan in de Asian supermarkets. Omdat het kan. En dan heb je mijn stokoude huisarts, dokter Oudemans op de ´s Gravendijkwal, die niet onder de indruk is van wat voor hysterische kwaal je dan ook naar de spreekkamer meebrengt. Deze man heeft in de roerige jaren ’80-’90, zware drugsverslaafden en crackhoertjes in zijn wachtkamer gehad. Dus hij lacht je uit hoor. Met je keelontsteking.

Het Oude Westen. Ik ben hier niet opgegroeid, maar moest als volwassene serieus opnieuw opgroeien als bewoner in een buurt met gebruiksaanwijzing. Deze hectische, luchtvervuilende brutale brulaap met een ingewikkeld verleden die het Oude Westen heet. Het doet iets met je. Slalommen tussen tüterende waggies en autoportieren die onaangekondigd openslaan en tegen je fiets en face aanknallen. Mijn middelvinger is inmiddels de meest getrainde vinger die ik heb. Jullie snappen mijn punt. Het Oude Westen. Het verkennen van deze roemruchte wijk doe je nooit alleen. Er wandelen altijd lekker neuriënde daklozen met je mee, die een muntje voor de nachtopvang aka jonko komen vragen. Ik zeg nooit get out of my air, een muntje geef ik altijd. Maar ze staan vaak nét iets te dicht op de huid. De West-Kruiskade zit sowíeso dicht op je huid. Overdag bubbly, ’s avonds een no go-area (irritant want het is de snelste weg van avondje binnenstad naar huis).

De West-Kruiskade flirt met je in de zomer wanneer je langs de bakabana- en schaafijskraampjes flaneert, samen met de buurtprinsessen met hun instagramgeboetseerde lichamen. Vriendelijk toegesproken door de coole boys van de fashionstores die altijd buiten voor hun etalages staan te shinen met hun gouden tanden. En vergeten dat ze binnen distressed jeans en shirts met v-halsjes moeten omzetten.

De West-Kruis irriteert, als je net lekker windowshopping doet in sloom Aziatisch tempo en opeens een blik white peoples vanuit je dode hoek, het nodig vindt om snel en lomp dwars door je heen te gaan lopen, hoedan. Sommige mensen zijn hier niet op hun plaats. Maar de West-Kruiskade vertedert ook. Vooral als er kleine Marokkaanse en Turkse kindjes met grote diepe ogen en lange wimpers zorgeloos uit de zijstraten komen huppelen. Straten met meestal een moeilijk heden en verleden vol inwoners met issues: de Bajonetstraat, Gouvernestraat, Johannes de Vouplein, het opgroeipleintje van doodgeschoten rapper Feis.

Daarover gesproken: yep mijn buurt het Oude Westen gedraagt zich een beetje als het Wilde Westen de laatste tijd. Fake cowboys, importlui met graftakkenfaces die met creepy souplesse en vooral nul geweten, hardvochtig en kil pistooltje trekken. Sommige mensen zijn hier gewoon niet op hun plaats.

De West-Kruis leeft dagelijks op de rand, over de rand om te overleven. De buurtbewoners zijn soms beetje doelloos, doelbewust, dwaas, dolend misschien. Maar het mixt allemaal goed en het lukt best om een beetje fatsoenlijk langs en met elkaar te bewegen en te viben. In Oud-West leven de mensen 24/7 op de rand om te leven, te overleven en soms om het juist níet te overleven.

Vandaag liep ik op de West-Kruis en zag ik bij koffietentje mr. Beans, een groepje hoodies waar geluid uit kwam. Een straatsoldaat is onlangs dan wel doodgeschoten, maar de nieuwe lichting is alweer opgestaan. Deze capuchonboys in broederschap zullen de buurtprinsessen van nu en straks willen beschermen, hier in hun Oude Westen.

Naar deze buurt heb ik mezelf geïmporteerd. En ik vind daar wat van. Sinds de schietpartijen, een buurtillusie armer maar wél een stukje wijktrots rijker. Want karakter hebben ze hier allemaal. Grote waffels, kleine hartkleppen, hard op je bek pleuren en hup, doorgaan. Ik ben hier niet opgegroeid maar boy, wat klopt het hart van het Oude Westen hard en luid en wat hoor ik die inmiddels goed mang, maar echt. Het Oude Westen, koning in het stapelen van verleden, heden, verdriet, verlies en vooruitgang. Uw import-Rotterdammert heeft gezien, gevoeld en gesproken.

De Top Tien Broodje Aap-blogs 2018

Hallo fans van overal ter wereld. Hier issie dan, mijn eigen top 10 aan lulverhalen. Een fijne selectie aan apenkool, van al die andere aapverhalen die jullie allemaal verplicht moesten lezon in 2018. Kom op, vooral op 1 januari is het zaak om die lamgezopen hersens vol te stoppen met intelligentie. Go!

1. Het Aapje kan heel goed plannen #not
2. Het Aapje is verliefd op de buurtgym
3. Het Aapje loert naar peoples in het zwembad
4. Het Aapje gaat los op Balinese fissa
5. Het Aapje huilt bij de KFC
6. Het Aapje is een taalopschepper
7. Het Aapje weet alles eigenlijk al
8. Het Aapje en moedermonkey
9. Het Aapje enters the start up-wereld
10. Het Aapje eet bananen, geen rapportages, snap dat nou eens.

Bonustrack: Wat de monki betreft de mooiste van 2018: Het Aapje en de uil van de Minahasa.

Kus, banaan en tot snel in 2019!

Het Aapje en de uil van de Minahasa

Het is een proces. Mijn eerste belandde op mijn rechterrib. Ik wilde het klein en privé houden, ik hoefde hiermee niet per se naar de buitenwereld te flexen. Je zou het alleen zien als je met mij naar het strand zou gaan of samen met mij onder de douche zou stoeien. Heul privé dus. Het idee voor mijn eerste ontstond op Bali, nadat ik mijn vader op 4 Maart 2016 had begraven in Tondano. ‘Anak spanggal’ noemde Maramis senior mij altijd. Het betekent ‘enige kind’ in Menadonees dialect. Ik wilde papa niet random herdenken met een ketting of een steen met zijn naam erin. Het werd ‘anak spanggal’ als kleine, intieme tattoo op mijn rechterzij, op een stukje ribbenkast om voor altijd bij me te dragen. Na pa’s overlijden dook ik in het voorjaar van 2016 the Interwebs op, verder en verder op zoek naar mijn roots. Op de Minahasa-site las ik meer over het wapen van de Minahasa. Samen met de verhalen van mijn Menadonese familie, groeide mijn patriotistische eilandgevoel. Dat groeiproces voelde als niet uit te leggen-zo-speciaal, I can tell you that allright.

Een kleine toelichting tussendoor want het kan confusing zijn als je topografie sucks en je bovendien denkt dat Noord-Sulawesi op de Noordpool ligt: Noord-Sulawesi (aka Noord-Celebes voor de ouwe kolonialen onder ons), is een van de 34 provincies van Indonesië. De hoofdstad van Noord-Sulawesi is Manado en daarom noemen we onszelf Menadonezen. De regio/streek op Noord-Sulawesi waar mijn ouders vandaan komen heet de Minahasa, dus noemen we onszelf ook wel ‘orang Minahasa’. Tondano, dat ook in de Minahasa ligt, is het geboortedorp van pa. Capisce?

Anyway. Dat groeiproces over mijn roots zette lekker door. Drie jaar later, in november van dit jaar, is de tweede gekomen. Het was een proces. Met een van mijn meest dierbare personen deelde ik deze zomer het verhaal van mijn vader, waar ik vandaan kom, mijn cultuur. We praatten over tattoos next level, over symboliek en speciale betekenissen. Over zijn cultuur, over mijn cultuur, mijn adat, zijn adat. Over rituelen vertaald naar eilandsymbolen die veel en veel verder gaan dan een blije dolfijn op je schouder. Ik dook volledig geïnspireerd door onze persoonlijke verhalen, weer in mijn eigen Minahasa-roots. Opnieuw zocht ik naar het wapen van de Minahasa op de site. Een burung manguni (wijze uil) gedragen op de krijgersleus van de Minahasa ‘I jayat usanti’ (ferm & krachtig). Gebiologeerd sloeg ik het wapen met een groots gevoel van trots en eerbiedigheid als plaatje op in mijn hoofd.

Man, wat raakte mij dit. Deze pinda die na het overlijden van haar pa, bij wijze van rouwverwerking, steeds verder onderzoekt naar wie ze is en waar ze vandaan komt. Een pattriotistisch proces dat groeide en groeide. Ik begon te denken aan een nieuwe, tweede tattoo, drie jaar na de eerste. Superkieskeurig als ik ben, vind ik maar een paar locaties op het lichaam sexy en waardig voor een permanent plaatje. Een sexywaardige plek voor een indrukwekkend plaatje met betekenis. Een plaatje dat alles zegt over mijn dna, mijn roots. Ik ging diep met het nadenkproces. Een enorm persoonlijk proces dat, drie jaar na de eerste, werkelijkheid is geworden.

Het wapen van de Minahasa, de regio waar ik, mijn ouders en voorouders vandaan komen, pronkt nu sinds een maand op de binnenkant van mijn rechteronderarm. Anderhalf uur had Amsterdamse tattookoning Fabian Manuputty nodig om ‘m te zetten. Een tijd waarin hij normaalgesproken een complete Maorisleeve rondom een biceps tattoëert. Om aan te geven hoe gedetailleerd en precies Fabian de burung manguni naar het origineel op mijn arm moest fiksen. Het is dan ook geen dolfijntje hè. Terwijl Fabian een partij inkt en naalden door mijn lederhuid ramde, vertelde hij over zijn opa die overleed toen Fabian 18 jaar oud was. Hét moment voor hem om in zijn Molukse roots te duiken. Het was mooi om verhalen over onze roots te delen. Net zoals ik al eerder in de zomer mijn verhaal had gedeeld met dierbare. Het proces klopte.
tattoo s

Nu kijk ik dagelijks naar mijn wijze uil, mijn burung manguni. Dit keer wél op een plek for everybody to see. Zodat, elke keer als iemand ernaar vraagt, ik met gepaste pattriotistische trots kan vertellen dat ik Minahasa-meisje ben. Glunderend en ‘bangga’ (= trots in het Indonesisch) loer ik nu dagelijks naar mijn fasung -Menadonees dialect voor iets dat mooi of knap is- tattoo. Ok, ok, hij is zo verschrikkelijk pretty dat ik er nu wél vaak mee flex (lees: met korte mouwen op kantoor lopen shinen al is het freaking winter) en heb ik natuurlijk allang gezorgd voor een paar vette Instadrips. All for the likes, all for the likes. Ik ben per slot van rekening een ijdel aapje, duh.

Mijn burung manguni is geland op mijn arm. Geland om voor altijd te blijven. I jayat usanti, I jayat usanti.

Voor C.