De Mannetjes van de West Side #1

Afgelopen donderdag mocht ik mijn spoken wordkunstjes loslaten op argeloze passanten in hartje West. De Mathenesserbrug was tijdelijk dicht omdat er een prachtig gedicht op de binnenkant werd geschilderd. Een groepje dichters had de (on)dankbare taak om al die Westside homies die de brug eigenlijk over wilden, zoet te houden met eigen werk. Ongevraagd entertainen while waiting voor de pendelbusjes. Busjes speciaal ingehuurd om de bewoners naar de overzijde van de brug te droppen. De vraag is: gaan de Westside-peoples dit Insya Allah wel trekken?

Tijdens mijn shift komt een groepje mannen op leeftijd aanlopen. Vier Marokkanen type buurtvader en één trotse Surinaamse wijze mijnheer. Deze middelbare mannetjes uit West zitten natulek niet te wachten op deze voor hun volslagen onbekende chick. Die wat ook alweer gaat doen? ‘Iets met gediegt?’ Nee mang, ze willen gewoon naar de overkant van hun brug wandelen, zoals ze altijd doen. Maar dat gaat op deze random donderdagavond niet gebeuren. Omdat de binnenkant van de brug nou eenmaal een woordensoepje kado krijgt van dichter Dee. Geduld gaat hier heftig op de proef worden gesteld, for sure. Wat doen we deze oude Rotterdamse kraaien ook eigenlijk aan, denk ik wanhopig als ik dit groepje zit te luistervinken. Ze willen namelijk geen bruggediegt. Nee, ze willen die ‘aaandere’ voetbalwedstrijden kijken, mopperen ze opgewonden. ‘Want er speelt meer als Juventus tog, als het mag van de vrouw, vrouwtje kijkt toch naar Dubai-shows op de schotel, daarom. Maar als ik geweten had van deze brug dan had ik beter tram gepakt’, bromt De Surinamer licht verontwaardigd in puntige zinnen. Het is even stil, en dan, een van de Marokkaanse mannetjes triomfantelijk: ‘warum jij vrouw vragen? Vrouw moet boven boek lezen jij beneden voetbal kijken, geen problem tog?.’

Voorzichtig schuifelen de mannetjes naar het pendelbusverzamelpunt slash spoken word-middenstip. Ze kijken naar mij, vol verwachting. Streng en met argusogen, dat ook. Ze wilden brug, geen pendelbus, remember? Ik wapper demonstratief en slightly nervous met mijn spoken wordpapierwerk, while aankondigend dat ik een ‘mooi gedicht’ ga voorlezen. Ondertussen ga ik al behoorlijk dood van binnen want ik moet real time schrappen. Schrappen als een idioot man. Ik kan deze mannetjes, waarvoor je hands down respect dient te hebben, onmogelijk vertellen dat ik allochtonen en hoeren categoriseer. In één zin. Of dat er doden zijn gevallen in pornoportiekjes. Nee man. Kan echt niet, wollah. Ondertussen hebben de grijze wijze mannetjes uit District West zichzelf als een kring om mij heen opgesteld. Vragende, nieuwsgierige blikken én de Surinaamse wijze mijnheer. Hij geeft mij gratish en voor niets die o zo strenge Suri-‘ik ga naar je toe komen maar vertel mij geen onzin meisje’-blik. Intimiderend but harmless tho. Ik moet beginnen want pendelbusje komt zo. Dus ga ik, in het hol van de West Side-leeuw.

'The streets belong to those who know their way with words'

‘The streets belong to those who know their way with words’

Ik geef de oude kraaien van West een gekuiste, zachtere versie van mijn brutale aap-verhaal. De kring luistert half eerbiedig half onwennig met een vibe van ‘wat segt die meisje allemaal’. Ik kon dat voelen. Dat, terwijl tegelijkertijd achter ons langs, een complete collone aan geïrriteerde tüterende waggies luidruchtig hun plek kwamen ownen. De pendelbus en pylonnen staan hinderlijk in de weg als het aan deze lokale Verstappen-boys ligt. Rustig jongons, rustag dacht ik nog.

En toen, na vier minuten was ik klaar. Mijn bescheiden gedicht had voor zich gesproken. Ik keek op van mijn papier en keek recht in de face van De Wijze Surinamer. ‘Wie heeft dat geschreven’, vroeg hij met vet accent op gebiedende wijs, zijn stemgeluid donker. ‘Ik heb dit zelf geschreven meneer’, antwoordde ik boven het verkeer uit. Zijn blik. Die was nu van een totaal andere orde. Ineens een stuk zachter dan vier minuten terug. Aaibaar haast. Wait. Zag ik ontroering in zijn verschrompelde oogjes? Ogen die vast al te veel hadden gezien van deze soms mooie, soms kapotlelijke wereld. ‘Dat was echt mooi jongedame, echt mooi hoor.’ De Wijze Surinamer had zijn vonnis zojuist uitgesproken en draaide zich vervolgens om. Samen met zijn Mocro posse stapte hij het pendelbusje in. Ik keek hoe het busje de diepe nacht van West in dook, op weg naar de boekenlezende vrouwtjes en Dubai via de schotel. Ik bleef achter op de middenstip met een groots gevoel van surrealness. Hier stonden Het Aapje en De Leeuw zojuist tegenover elkaar, hier was zojuist iets moois gebeurd.

by Ramona Maramis