Het Aapje pakt in

Uitpakken. Normaal gesproken hou ik daarvan. Kadootjes uitpakken. Met de tofste dress uitpakken als ik uitga. Maar woensdag begint voor mij het Grote Inpakken. Ik pak voor drie weken mijn koffer in voor een reisje naar Indonesië. Het is dan precies een jaar geleden dat ik halsoverkop naar de Gordel van Smaragd vloog om mijn geliefde papa te begraven. Donderdag a.s. vlieg ik opnieuw met een volgepakte koffer en hopelijk met een goed ingepakt hart dat bestendig gaat zijn tegen emoties waarvan ik nog niet weet hoe die gaan uhm, uitpakken. Want waar ik vorig jaar rouwde in een roes, en waarvan ik de roes kon uitsmeren over twee bijzonder intense maanden, moet ik straks met onbekende emoties dealen in slechts drie weken. Ik kijk er naar uit want ik houd wel van een challenge. Maar aan de andere kant kijk ik er ook helemaal verschrikkelijk zo níet naar uit. Zucht.

‘Hoezo onbekende emo’s en waar ben je precies bang voor?’, vragen lieve vriendjes van mij de afgelopen dagen als ik een beetje beklemd en peinzend uitleg dat ik niet weet hoe ik op dingen ga reageren als ik straks weer in Indonesië ben. Afgelopen jaar heb ik intens gerouwd, en heb ik ook een periode gehad waarin ik niet rouwde. Dat was het kwartaal waarin ik een nieuwe klus te pakken had (AMC) en een nieuwe woonstad regelde (010). Ik ging lekker en was gewoon goed bezig mijn post-rouwfase in te richten. Maar tegen het einde van 2016 voelde mijn gemoed steeds zwaarder. Emotioneel ging ik als een droef aapje alle kanten op. Blijkbaar was het rouwen net begonnen, en was het niet zoals ik zelf dacht, onder controle. Kak vond ik dat, oprecht kak. Want ik ben geen geboren controlfreak en al helemaal geen perfectionist. Maar ik dacht mijn rouwproces tot in de puntjes geregisseerd te hebben. Door te bloggen, door geweldige opdrachten binnen te hengelen, door te leven like monkeys do. Dat.

En dan komt zo’n onvoorspelbare procesmanager met een imposant businessplan getiteld: ‘Je Vader is Dood Deal With It From Now On’, je leven binnenwandelen. Een procesmanager met een zwaar onconventionele visie die alle strakke planningen uit het kantoorraam gooit en deadlines van tafel knalt. Een procesmanager die op de meest onvoorspelbare momenten een bak rouwkostsalade (ik weet het, dit is al by far de slechtste woordspeling van 2017) door mijn strot ramt, met de opdracht deze direct te consumeren, of ik er nu zin an heb of niet. Grote goedheid. Ik kan dit niet. Maar natulek kan ik dit wel. Ik ben een fiere Maramis, ik ben het aan mijn familieclan en vooral aan pa, verplicht. Ik kan dit. Maar wel met een forse vallen en opstaan-marge, omdat het kan.

Enfin. Ik ga inpakken. Bikini, strandjurkjes, kerkproof outfits, stroopwafels, Nijntje voor nichtje. Om over een paar dagen flink uit te pakken. Door in de Balinese lampen te hangen met de grootste bel tropische cocktail denkbaar. Door het afgelopen jaar te overdenken op locatie, met het besef dat het goed is dat ik er weer ben. Door pa een paar keer te verrassen met een grafbezoekje. Hem vervolgens de oren van het hoofd te lullen (vind ie leuk). Door zijn grafsteen weer extra glimmend te poetsen en hem te spammen met verse bloemetjes.

Dus kom maar door met die onvoorspelbare emo’s. Ik kijk er naar uit omdat ik er niet naar uitkijk. Het wordt mijn eerste grote uitdaging van 2017. Mijn hart zegt op zich dat ik dit kan. Wat jullie? #lobi #FransBernhardHereICome

Het Aapje heeft de ziekenhuisblues

Ik loop graag rond in werelden die niet de mijne zijn. Bijvoorbeeld de wereld van medische mensen. Ziekenhuizen, ik hou er zo van. Niet dat ik een morbide taste heb voor zieke mensen. Het gaat mij om iets anders: de klinische geur van een ziekenhuis. Dat zit sinds mijn kindertijd in het collectieve geheugen. Ik had met mijn longonsteking-bronchitisdingen namelijk een abonnement op het ziekenhuis in Amstelveen. Mijn eerste opname was vrij snel na mijn geboorte. In rap tempo droogde ik uit tot een rozijntje. Ik was zes jaar oud toen ik met een zware longonsteking op de quarantaine-afdeling belandde. En de laatste keer dat ik als kind de klapdeuren van een ziekenzaal aantikte was ik geloof ik acht. Na een logeerpartij van twee weken werd ik uitgezwaaid door de specialisten: ‘da-hagh Ramona, en nou niet meer terugkomen hè!’ Met lamme bovenbenen vol beurse plekken van de ontelbare penicilline-prikken, omringd door die sterke hospital-odeur, verliet ik het ziekenhuis voorgoed.

Tien dagen geleden was ik voor het eerst in het AMC in Amsterdam. Twaalf jaar geleden lag ik op de IC van het VUmc, dat andere grote academisch ziekenhuis op de Zuidas. Ik brak na een jaarclubkerstdiner mijn linkerdijbeen. Mijn bot als een dik potlood in tweeën geknakt na een vrije val van een binnentrap. Maar goed. Ik ging die vrijdag dus naar het AMC voor een werkafspraak. Vanaf metrostation Holendrecht zag ik een soort Berlijnse Muur opdoemen. Het AMC als een gruwelijkgrauwe betonnen kolos dat heftig naar een stuk of honderd hogedrukspuitsessies snakt. Of doe maar niet. Want de grauwigheid blends perfectly met de rest van Bijlmer Betondistrict.

Eenmaal binnen wachtte mij een enorme verrassing: een megagroot overdekt, lichtdoorlatend binnenplein. Dat plein gekoppeld aan een labyrinth met gangen naar de verschillende verpleegafdelingen en OK’s. Veel gezellige bedrijvigheid langs de plinten. Een AH To Go, een kapper, AKO, de Starbucks, een Rituals (omdat de patiënt anno nu je acuut gaat dissen als je durft aan te komen met zeepkettingen van de Action). Ik voelde hier de energie. Van herstellende mensen, van helende mensen. Van mensen die het niet gered hebben. Leven, dood, alles.

Maar ik vond vooral de mix van deze community intrigerend. Strompelende patiënten met infuus als statement-accessoire. Bezoekers met wallen tot aan hun middenrif. Zwijgend aan de koffie, herstellende van een nacht doorhalen. Hoopvol wakend over dierbaren die op morfineshots liggen te ijlen in hun IC-ledikanten. En vooral heel, heel veel witte jassen. Jongens en meisjes met co-schappenswag. Gearriveerde dames en heren-artsen en specialisten die vooral heel, heel knapzak zaten te zijn. Ik voelde me heel, heel happy als figurant op deze filmset van Grey’s Anatomy van de Lage Landen. Ik voelde me, tezamen met die o zo vertrouwde ziekenhuisgeur, 1000% thuis.

Negenduizend peeps werken er in het AMC. 24/7 draait dit academisch medisch centrum op mensen die stinkend hun best doen om mensen beter te maken. Om een beter leven te schenken èn te gunnen aan patiënten die zichzelf niet kunnen fixen. Ook werken hier mensen die al die hardwerkende medici een werkomgeving bieden, op zo’n manier dat ze hun werk goed kunnen doen. Dat zijn ook ongelofelijk veel mensen. Van schoonmakers, blije receptionisten, IT tot HR. Een machtig mooie organisatie die draaiende wordt gehouden aan de achterkant door allerlei complexe systemen. Zodat aan de voorkant, de specialisten, artsen en het verplegend personeel zorgeloos hun ding kunnen doen. Mensen beter maken. Of, van zieke mensen op zijn minst een betere variant maken op de hoopjes ellende die ze nu zijn. Oh oh AMC. Jij laat mijn oude 020-hart alsnog sneller kloppen. Wat tof om bij je geweest te zijn, ook al was ik niet ziek.

*Sinds donderdag 2 juni ben ik interim communicatieadviseur HR bij het AMC. Yeah!