Het Aapje heeft beef met de Westside

Het is officieel: ik heb de oorlog verklaard aan de West-Kruiskade. De straat die mij vanaf de cribs het snelst naar mijn andere opdrachtgever, Poetry International, brengt. De straat die mij in nagenoeg één rechte lijn via de Lijnbaan naar de Koopgoot lokt. Maar teringtyfus (sorry mensen, het zit me hoog) wat is dit een nare straat om te fietsen. Mag van mij het predikaat ghetto of all bikelanes dragen. Met het verschil dat je niet door een .22 wordt neergeknald, maar door narcistische automobilisten die rücksichtlos het portier met een brute swiep, aan de straatzijde opengooien.

De Westkruiskade. Ik heb een diepintense haat-liefdeverhouding met deze hysterische binnenstedelijke verkeersader. Lobi voor de aromatische toko’s, Turkse deli’s, sushibars en chinese nagelsalons aan beide kanten van deze haatstraat. Haat aan de laden-en lossensjappies en muffe sedans met vage lieden erin die denken dat ze king of the hill zijn. Gedragen door pompende dancehall, snijden ze harteloos de pas af van de argeloze fietser. De fietser die evenveel recht heeft om daar te zijn. Maar deze Westside jackasses erkennen dat recht simpelweg niet.

De West-Kruiskade, thuisbasis van 146 verschillende nationaliteiten heeft een kapotslechte relatie met de fietsende Rotterdammert. Want hier wordt niet gefietst, als het aan deze lieden ligt. Omdat de meesten zich profileren als aartsluie en ijdele arie’s (ja, U leest het goed, the monkey is boos). Allemaal bang dat hun kapsel door een gezond Hollands briesje voorgoed wordt vernield. Hier wordt geflaneerd in patserbakken die niet zouden misstaan in willekeurige pornofilms uit het B-circuit. De Westkruis. Als ik er fiets, dan is het vloekend. Of middelvinger in de lucht stekend. Of allebei. Omdat je heel, heel vaak moet uitwijken naar de autobaan. Omdat auto’s zonder knipperlicht opeens voorsorteren naar rechts. Of gewoon stoppen. Of al die idioten die vanuit parkeerplaats invoegen zonder mededeling. Echt fakking gevaarlijk. Ik ben gelukkig gezegend met een pijlsnelle reflex en grote ogen. Maar toch. De stoep is mijn back up als het me te gortig wordt. Dan maar beef met peoples op de stoep. Screenshot_20170501-232536

De Westkruiskade. Ik zou er bijna weer voor in de gemeenteraad willen. Om deze enorm hinderlijke straat te restylen naar Power to the Bikers (is Rotterdam wel al mee bezig, maar het moet sneller beter). Of rigoreuzer: acuut naar 020 terugverhuizen. Dé stad waar fietsers het ten minste voor het zeggen hebben. As it should be.

FRANS BERNHARD, BEDANKT

Omdat je sociale hart groter was dan het hele Ministerie van Sociale Zaken bij elkaar
Toen ik nog op de middelbare school zat en pa in Jakarta woonde, had hij een hulpje in huis, Sariman genaamd. Een straatarme dorpsjongen uit Oost-Java. Arm en analfabeet. Mijn vader nam hem in huis; leerde hem via simpele taalboekjes lezen en schrijven. Vervolgens liet hij Sariman rijlessen volgen. Stuurde hem ook nog eens naar een naaicursus. In een tijdsbestek van twee jaar waarin Sariman het huis van pa op orde hield en klusjes deed, gaf pa deze jongen behalve werk ook ècht waardevolle zaken mee: zelfstandigheid en waardigheid. En hoewel Sariman eerst tegenstribbelde ‘schopte’ pa hem na die twee jaar de deur uit. ‘Zo Sariman, je hebt nu voldoende bagage op zak om je toekomst op te bouwen.’ En ja hoor, Sariman verdiende niet veel later de kost als kleermaker in een naaiatelier in downtown Jakarta. Behalve dat Sariman zijn ouders nu vaker kon bezoeken, ging hij, trouw en dankbaar als hij was, nog regelmatig bij pa langs.

Omdat je duizend keer beter was dan Jos Verstappen

Supersimpel: pa was een beast in de auto. Wist een dikke Toyota Four Wheel Drive met 1 hand aan het stuur, in minder dan een halve minuut in de smalste favela-achtige steeg in Jakarta achteruit in te parkeren. Maar ga niet stoer lopen doen op de snelweg met pa. Voor je het wist zat ie je te bumperkleven tot je gek werd (en ik vervolgens pissed in the car zat te zijn. Hem standaard verweet dat ie niet zo stoer moest doen). Maar goed. Don’t diss my dad when he’s ridin’. Pa was in alles een bourgondiër. Maar vooral wat autorijden betreft. Twee jaar geleden was hij in NL. Samen met z’n longtime mattie Frida (stiefmoeder) en een bevriend bejaard echtpaar. Pa, inmiddels een vette 75-plusser, huurde meteen een auto en croste met dit krasse knarrenteam half Europa door. Die bejaarde vriend mocht na lang aandringen de lange snelwegstukken rijden. Pa nam de chaotische binnensteden van Parijs, Warschau en Hamburg voor z’n rekening. “Dat moeilijke rijden moeten ze natuurlijk aan een expert overlaten”, zei hij dan gespeeld opschepperig. Pa op z’n best. Oh ja, touren met pa was in zekere mate een risico. Geen Rihanna maar wel Country Road snoeihard over de speakers. Ik heb natuurlijk nulniks met countrygejengel. Maar die John Denver-indoctrinatie was inmiddels zo ver heen, dat ik uiteindelijk toch altijd ontroerd pa’s bijrijdster zat te zijn. Met Country Road schallend door de boxen al rijdend door het ruisende groene landschap van Noord-Sulawesi. Het kan verkeren mensen.

Omdat jij de VoedselKoning was en Kranenborg niet
In Jakarta was hij een bekende vaste klant op de plaatselijke markt. Het was pa die z’n groente, vis en kip haalde, steevast vergezeld door z’n twee chihuahua’s Ajax (ja, die voetbalclub) en Kunyuk (vrij vertaald: ‘sukkel’). Als we in een restaurant aten, dan verzamelde hij na de dis alle botjes, groenten en rijstrestjes voor de doggybag. Sterker: soms waren we nog niet eens uitgegeten en was hij al bezig met z’n voedselbankbakjes te vullen voor Ajax en, Sukkel. Tot grote hilariteit van vooral papa himself. Toen hij voorgoed in onze hometown Manado ging wonen kookte hij altijd Mujairvis en groenten van bittere papajablad, afgetopt met verse sambalpepers. Typisch Menadonees eten dat ik voedsel voor gevorderden noem. Gewone stervelingen verslikken zich namelijk in de epische visgraten (die wij gewoon rauw opeten). En mensen gaan überhaupt dood -bij wijze van- van de kleine, venijnige groene pepers (die wij gewoon rauw opeten). Pa kon serieus alles. Ik heb ‘m toen ik 8 jaar oud was, eigenhandig een varken zien slachten. Heel vakkundig en snel. Hij kan dat. Zielig voor porky misschien, maar papa kon toveren met varkensvlees en kruiden, niet normaal. Hij deed recht aan dat varken. Net zoals met alles wat pa kookte. Er zat zo enorm veel liefde in. En bezorgdheid. Dat kleefde ook standaard aan pa, vooral als hij mij in combinatie met voedsel zag. Hij dacht namelijk altijd dat ik niet genoeg eten op m’n bord had geschept. Ik moest voortdurend op m’n tellen passen tijdens het diner. Want als ik even niet keek, dan was mijn rijsttafelbord ‘opeens’ qua rijst, kip en vlees minimaal verdriedubbeld.

Screenshot_2016-02-29-17-43-18-1-1

Pa, jeweet, ik kan eindeloos doorgaan met de Grote Anekdote Show, maar het won’t be enough. Ik was je gedroomde Minister Presidentskandidate (ben alleen CDA-lid, maar dat terzijde), ik was je eigen professor (ben afgestudeerd maar niet gepromoveerd, maar dat terzijde). Ik was je kleine meisje (ik ben inmiddels volwassen, en inderdaad nog steeds klein van stuk. Maar dat terzijde). Voor alles wat je mij, je kleine meisje hebt meegegeven bedank ik je, en maak ik een enorm diepe buiging. Ik hou van je, voor altijd. Held ben je.

Dit blog is opgedragen aan mijn vader Frans Bernhard Maramis, die, na een week in coma te hebben gelegen als gevolg van een beroerte, vanochtend vredig op zijn 79e is ingeslapen in zijn hometown Manado, Noord-Sulawesi.