The Subway is the Only Way

Ik voelde me afgelopen 24 maart best een beetje feestelijk. Eindelijk, eindelijk na 100 jaar heeft Jakarta een metrolijn. Hun eigen Noord-Zuidlijn, de Jakarta MRT, is ready to rumble met 13 haltes dwars door de stad, over een lengte van 23 kilometer. Dit is pas fase 1, later komt daar nog de Oost/West-lijn bij. Ik ben serieus nog confuus van dit monsterproject, en dan praat ik over de afstanden. Hier in NL ben je met die metrokilometers bij elkaar opgeteld, gelijk het land uit. Zou wat wezen, dan kun je mensen gelijk én goedkoop het land uitzetten. Ok, dat was een niet echt geslaagde grap. Verre van subtiel ook. Ik schrijf gauw verder. De nieuwe metro in JKT is dus een gigantische stap voorwaarts in de Indonesische infrastructurele geschiedenis zoals dat deftig heet. En ik maak het mee hoor in mijn Facebooktimeline. Aan de lopende band flitsende pictures van vrienden, kennissen en pamilies. Allemaal striking a pose bij/in/op de metro. Hysterisch. Hysterisch mooi, dat ook. Glanzende ultramoderne metrostations (met tourniquets!) en voetgangerstunnels vol ledlampjes die steeds heel nice van kleur veranderen, echt fakking hipster. Jakarta heeft er serieus een kermisattractie bij, een compleet nieuw hoofdstuk in civilisation. Het werd tijd ook. Jakarta (16 miljoen inwoners) moest het tot nu toe doen met een bescheiden tram/forenzentreinlijntje, een op zich prima busnetwerk en taxi’s. Maar vooral moest Jakarta zichzelf levend zien te houden in die intense CO2-spugende soep vol filetwerkende waggies. Dat het doodnormaal is om elk uitje, ritje, uitstapje en tripje met je car binnen de stadse ring in te calculeren met een marge van minstens een uur, is natuurlijk ridiculously insane. Allemaal de schuld van de nieuwe rijken in Jakarta (en in Indonesië in general). Deze moneymaking Asians hebben nou eenmaal standaard gemiddeld drie auto’s (en 1 chauff) per huishouden. Die metro was daarom het laatste redmiddel voordat Indonesië uberhaupt uit alle internationale klimaatconventies zou worden gegooid. En een wereld zonder Indonesië, mijn landgenoten; sorry maar dat kan natuurlijk niet. Hoe dan. We pinda’s belong in this world. Eindelijk horen we erbij met dit hoofdstedelijke metronetwerk. En they rock it real hard mensen.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Apenkooien op station Bikini eh Cikini back in 2018🐒.

Hier in Roffa kunnen we er ook wat van hoor. Van een ander kaliber maar toch. Op z’n Hollands dus met een boel gemekker over een stukkie metrolijn wat maar niet afgemonteerd wil worden (lees: ze hebben het steeds over het testen van de software van de spoorwegbeveliging maar wat ze bedoelen is frikkin budgetoverschrijding zoals ever). Maar waar heb je het dan over, Aapje? Ik heb het over de Hoekse Lijn, het stuk treinspoor dat getweaked gaat worden naar een metrolijn richting het strand van Hoek van Holland. Maar het is al twee jaar uitgesteld. Dus nog steeds kunnen we onze strandstoelen, parasol, BBQ en schoonouders niet in de metro schuiven zodra de thermometer de eerste 22 graden aantikt. En elke rechtgeaarde Rotterdammer gaat natuurlijk nooitnie naar Schevie. Waar ze sowieso al niet eens een paar kerstbomen fatsoenlijk in de hens kunnen steken. Maar goed, dat geheel terzijde. Dit is dan gelijk het enige smetje op het verder supermooie metronetwerk plus stations dat Roffa rijk is. Want man man man, wat is dit type OV in de havenstad toch gruwelijk goed gelukt. Vergeleken met Damsko, waar met de net nieuwe metro Noord/Zuidlijn, ook eindelijk een beetje beschaving is ingetreden, is Roffa toch echt smooth en sexy hoor. Keje nagaan: Alle stations en metrostellen clean, strak en glanzend in de lak. Zelfs in de oksels van metrostation Roffa centraal ruikt het bloemig oriëntaals. Ik sei toch: sexy. Plus het feit dat metro Roffa de oudste en grootste in NL is. Ol’, big én sexy dus.

Toch nog iets kwijt over Damsko. Onlangs is daar de beruchte metro/tramlijn 51 opgeheven. Berucht vanwege zijn storingsgevoeligheid, maar vooral berucht omdat het nog een metrostel uit 1980 was en er ever since nooit iemand meer met een swiffer doorheen is gegaan. Ik ben een jaartje met die metro geweest toen ik op de Vrije Universiteit werkte. Metro 51, een wandelend stuk geschiedenis, de rockster van alle metrostellen. Je kon gewoon bijna ruiken hoeveel junkies, sigarettenrokende peoples (toen het nog mocht), honden en toeristen hier in hebben gezoend, gevloekt, gedreigd, gehoest, geniest en gekotst. Metro 51 is de enige metro waar als het vol was, ik standaard mensen aan hun rugtassen vasthield. Of aan iemands haar(stukje). Je hand aan de stang of stukje wand was vragen om AIDS. Het idee dat je hand gewoon bleef plakken aan whatever shit happened. Metro 51, by far de meest vuige, rauwe en compleet uitgewoonde metro die ik heb gekend. Dat resulteerde btw in dit blog.

Recap:
Jakarta heeft er een machtig mooie showpony erbij, in Roffa wachten we nog een jaartje ongeduldig op de strandsluiper en in Damsko namen ze afscheid van lijn 51, de metro die decennialang Amsterdam Centraal – Amstelveen heeft zitten rocken. Een goed metronetwerk is superonmisbaar in een big city, zoveel is duidelijk toch?
Of op z’n Roffiaans: ‘je ken er nie van buite ja toch niet dan.’

Oh, Oh Rotterdamt de mooiste stad achter alle duinen

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Ik merk dat elke keer als ik de Westelijke tunnel van Amsterdam Centraal uitwandel, en de hoofdstedelijke lucht inadem. Die typische lichtranzige walm waar ik altijd zo goed op ging, hypnotiseert niet meer. Het is voor mij het herkenbare parfum van grachtenwater, wiet, roestende fietsen. duivenpoep en Febo-friet, maar die niet langer meer in mijn feels zit. Oh hallo Amsterdam-achterban: rustag maar. Ik zal mijn Amstelveense afkomst nooit verloochenen. Ook al kom ik daar eigenlijk nooit meer, maar ik weet waar mijn (oude) huis woont. Respect.

Maarrrr, Rotterdam begint na een dikke twee jaar serieus in mijn ziel te sluipen. Geleidelijk maar gestaag en heel doelgericht. Dat ik als een kind zo blij ben als ik weer in de trein terug zit van Damsko naar 010. Als na 40 minuten Intercity Direct snoozen, vanaf de noordzijde van het Rotterdamse spoor de zwoelie rode neonletters van mijn favo nachtclub Annabel soepel in mijn blikveld vallen. Rotterdam dat zo lekker in mijn actieradius ligt wat betreft de inwoners met grote muil en mini-hartje, de intense architectuur-eyecandy, de vrije opmars van allerlei toffe horecaconcepten en clubs. Ok, ok, ik moet kanttekening doen. De heftige discussie rondom de huidige clubscène-situation hiero, parkeren we even. De gloednieuwe club Reverse aan de Schiekade moet/gaat Roffa als nachtvlinderstad weer op de kaart brengen. Dus chill out iedereen.

Alle nachtvlinders en vlinders in de buik nog an toe en toch en toch en toch moest ik moeite doen voor deze stad. En alles waar ik moeite voor moet doen heeft direct mijn aandacht en laat ik moeilijk los. Ik lijk wat dat betreft net een guy. Als er niets meer te jagen valt dan verdwijnt de interesse rap. Amsterdam is de pretty girl die zichzelf, op het afzichtelijke af, makkelijk presenteert. Roffa? Neeuuh. Ga eerst maar even tien keer op je bek in dat rare NYC-avenue stratenpatroon. Alles rechtdoor zo die gaat en nergens van die organisch-schattige fietsbochtjes te bekennen zoals in Damsko. Nee, dan al die hinderlijke gangsta-waggies waar Roffa zo berucht om is. En als je eindelijk dat stratenpatroon doorhebt, dán ontvouwt zich ook nog eens de concrete jungle waarin je je voedsel moet gaan zoeken. Om te overleven. Koffie en eettentjes zitten, alsof ze het erom doen, vaak kneitergoed dichtgemetseld in de betonnen periferie. Verstopt als geduldige parels om ontdekt en voor eens en voor altijd omarmd en gedragen te worden. Eenmaal gevonden, dan is de gruwelijke koffie en goddelijk voedsel ook je eeuwige overwinningsbeloning. Dát is Roffa. Zoek het eerst maar ff lekker uit, genieten en de held uithangen kan altijd nog.

Och och och, wat heb ik al belachelijk vaak mijn liefde voor Roffa geuit. In mijn blogs, in mijn spoken word, in mijn amateur-instapics. In 2016 nog aarzelend en verlegen, want toen nog helemaal onder de indruk van die grote brulaap. Daarna begon de liefde geleidelijk te groeien. Niet zo moeilijk als je dan ook nog eens verliefd wordt op een geboren Rotterdammert met inderdaad een brutaal bekkie maar met een hart so so sweet.

Mijn liefde voor Rotterdam neemt ernstige vormen aan. Maar dat ik zo verliefd ben geworden op deze stad is ironisch genoeg altijd het meest voelbaar wanneer ik pendel tussen ‘oude liefde’ Amsterdam en Rotterdamt. Nee mensen, het ís geen verraad naar dat ijdele ADE-prinsesje op haar Prinsengrachtbed (niet huilen, plagen mag). Het is gewoon een proces. Een kwestie van groeien en iets ontgroeien. Groeien naar iets nieuws. Jezelf ontwikkelen, blijven bewegen en nieuwe dingen ontdekken.

Amsterdam is where I come from. Dat gaat nooitnie weg. Maar als je vraagt wie mijn grote liefde is: ik ga nog net geen Lee Towers zingen en twintig rondjes Hofpleinfontein zwemmen. Dat laatste heb ik in 2017 overigens echt gedaan toen Feyenoord landskampioen werd. Maar dat geheel terzijde.

Ja joh, nieuwe liefdes gaan diep. Heel diep. De Monkey heeft het er maar druk mee.

Damsko vs Roffa: The Battle

Als oud-Amstelvener én voormalig Leidsepleinbewoner is het eigenlijk een godswonder. Een wonder dat ik überhaupt naar Zuid-Holland ben afgezakt (Delft). Maar vooral dat ik sinds een klein jaar openlijk de liefde heb verklaard aan Rotterdam.

Tien jaar geleden vond ik de bonkige havenstad tochtig en grauw, nooit matchend met mijn outfit. Het shopgebied tussen de Coolsingel en de Meent: een foeilelijke betonnen pukkel. De Kubuswoningen; tja ook lelijk. En over lelijk gesproken; Rotterdamse corpsgasten zijn bot én lelijk tegelijk (theorietje overgehouden aan mijn studententijd). Oh, en waren er ook kroegen dan in Rotterdam? Waar precies? Om vervolgens gewapend met een massieve The North Facelandkaart kilometers af te leggen van het ene ‘eindelijk gevonden tentje’ naar de andere.

Nee dan Damsko. Daar is álles charmant geordend in grofweg de Pijp, Jordaan, Nieuwmarkt en Plantagebuurt. Overzichtelijke districten volgepakt met de beste koffietoko’s, geheime cocktailbars, dansbarretjes en coole fashiondeli’s. En dan zijn daar nog de prachtige grachten en de glinsterende Amstel. De vloeibare boulevards waar je posh met je sloepje vol succesvolle randstedelijke vrienden kunt varenshinen.

NulTwintig, de stad waar je met je noncha matzwarte Veloretti-fiets en Ace&Tate sunnies op, het volste recht hebt om alle irritante toeries snoeihard van de tramrails te rijden. Muhaha. Om daarna samen met je bff chill de Noordermarktboodschapjes in de fietskratten te stapelen, de flessen rosé bovenop.

De weekenden spendeer je beurtelings bij Hanna’s Boom en Double Tree Rooftop Skybar. Want je moet je ingewikkeld drukke week natuurlijk wel inluiden met bellen Bobby’s gin en biologisch fingerfood. Amsterdam life. Ik kan het uittekenen want heb het zelf ook geleefd en beleefd. En mijn citycrush voor Damsko zal ook altijd blijven.

Maar daar was opeens die brutale opdonder 010. Subtiel in mijn leven gekropen dankzij lieve vriendinnetjes (en nichtje) die daar wonen. En mij vervolgens op sjouw namen door die rare betonnen vesting. Rotterdam, de stad die in korte tijd de hipster citylijstjes bestormde met De Rotterdam en Markthal als gloednieuwe landmarks. Het Rotterdamt dat de Kinfolks van deze wereld wist te imponeren met vernieuwende resto-concepten en on spot cocktailbars.

Rotterdam, de brutale aap met een enorme bouwdrive en een niet aflatende creatieve, poppin’ drang voorwaards. Met bijvoorbeeld het indrukwekkende centraal station als resultaat. Zo indrukwekkend dat voor elke toerist nu het credo geldt: “wie geen selfie heeft met de belachelijk fotogenieke stationsgevel op de achtergrond, is níet in Nederland geweest.” Amen to that.

Het duurde even maar dan heb je ook wat. Want opeens landde het, dat Rotterdam. Wat ik eerst kil en grauw vond, voelt nu hip Berlijn-ish aan. Wat ik eerst zo tochtig en hoekig vond aan 010-bouwsels, vind ik nu cool, architectonisch vet en imponerend. En wat ik altijd al tof vond aan Rotterdammers (nuchter, open en creatief), voel ik opnieuw aan de vibe met nieuwe mensen die ik hier ontmoet. De creatieve energie, het gevoel dat hier nog zoveel kan.

Dat is ook 1 van de redenen waarom ik mijn websitefoto en bedrijfslogo bewust heb laten maken door respectievelijk een Rotterdamse fotografe en Rotterdamse designer. Het resultaat is, as you all know, verpletterend.

Nee, vergeleken hiermee is Damsko inmiddels een soort van superverzadigde fat duck. Al het moois&lekkers, hip&happening is er, maar wel ramped to the roof. Ach Damsko, de hoofdstadknappie waar ik nog steeds een crush op heb. Knap maar wel chubby en vol. Burp*. Vol met lieve vrienden en familie. Waardoor ik altijd ungoing reden heb om in Damsko te willen zijn. En als oud-Amstelvener ook gewoon aan mijn stand verplicht. Amsterdam nooit uit m’n hart for sure.

Maar Roffa is als een brutale aap op mijn schouder gesprongen. Een apenkop in de groei, net als ik met Het Aapje. De sparkle, de dingen die ik allemaal wil bereiken met Het Aapje. De grote stap voorwaarts. De belachelijk royale bak aan creativiteit. De ruimte. Dát is het Rotterdam waar ik in wil duiken en in ronddobberen. 2016 als Het Jaar van Het Aapje in Rotterdam. Klinkt fantastisch, ja toch niet dan?

PS: Oh ja 1 ding waar ik als verwende 020-flaneerchick niet aan kan wennen hiero in 010: níemand let op je! Roffa guys, kijk ’s om je heen joh!

Ik treed op en ik neem mee

Een little black dress en m’n Guess stilleto’s. Of een highwaist skinny. Met daaronder m’n luipaardprint booties. Oh nee wacht. Ik kan ook helemaal camping gaan yo. Met m’n topfavo joggingpants, meegesleept uit Top Shop Bali twee jaar geleden. Soepel gecombineerd met een American shirt met de opdruk ‘Dork’. Is dat een plan?

Mensen, ik heb keuzestress aka een luxeprobleem. Komende zaterdag sta ik het podium van de Tolhuistuin in Damsko te rocken. Ik weet wat er uit m’n mond komt. Maar ik weet niet what to wear. En dat is een gruwelijk luxeding. Warum? Omdat ik met mijn tiny ass op een schaamteloos grote berg kleding en schoenen woon. En dan toch niet weten wat aan te doen. Drama.

Ik ben sowieso niet van de wandelende kerststal met discolichten-uitstraling. Publiek moet natuurlijk gewoon naar mijn spraakwaterval luisteren. Niet naar een pratend glitterjurkje. Aight. In dat geval, I might as well perform met een vuilniszak over m’n hoofd. Nay, daar ben ik toch nét iets te ijdel voor, vrees ik. En ik heb sinds een maandje weer mooie hairpaint in m’n haar. Mag ook gezien worden.

Geen vuilniszak, geen sexy jurk. En ook geen hysterische signatureketting of oorbel. Als ik een chick zie optreden compleet behangen met moeilijke oorhangers en in een jurk die makkelijk drie maten te klein is, dan denk ik: ‘gast, wat wil je nou’. Dit is geen jaloezie, maar gewoon mijn point of view als presentatiecoach. Gecombineerd met Giorgio Armani’s filosofie: ‘Elegance is not about being noticed. It’s about being remembered.’ Kijk, die Italo designer snapt het.

Terug naar de kledingstressbrainstorm. Ik ben fan van shirts en sweaters met opdruk. Ik droeg ooit op doorreis in de VS, een shirt met daarop in neongroene letters ‘Don’t drink water. Fish fuck in it’. Bleken die conservatieve Amerikanen op Chicago O ‘Hare vliegveld m’n shirt helemaal geinig te vinden: ‘Awesome crazy shirt you’re wearing.’ Dus mijn “Bloggers do it better”-sweater zou ik zaterdag in theorie aan kunnen trekken. Maar het is een vrij dominante trui. En de aandacht moet vooral naar de performance. Nja.

Dat dominante effect geldt ook voor mijn naamketting die geen naamketting is. In plaats van mijn naam, staat er ‘snotaap’. Werkt gegarandeerd super in een kantoortuin of kroeg waar het kapotsaai is. Die ketting roept namelijk altijd vragen op en lokt reacties uit. “Huh. Snotaap? Dat zeg je toch niet van jezelf?” Ik houd hier zo van. Want niets is leuker dan de meest humorloze peeps uit een groepje te filteren. Gaat easy met zo’n ketting. Maar goed, ik sta op het podium en niet in de kroeg.

De opzet voor zaterdag, een dichtersmarathon, is gelukkig niet stijf of officieel. Dichters lossen elkaar in rap tempo af. Per dichter drie gedichten in vijf mins. Dus je bent sowieso weer weg before the audience knows it. Dat betekent dat ik een onuitwisbare indruk moet achterlaten. En dat ik mezelf moet onderscheiden van The Others. In een heul kort tijdsbestek. Niet echt een loodzware opdracht. Ik ben hands down de meest mini van het clubje mooiewoordenfluisteraars. Daar scoor ik vast dikke gunfactor-punten mee. En het publiek schuift vanzelf naar voren als ze ontdekken dat ze ‘iets’ horen praten maar niet kunnen zien.

Nog een ander vet voordeel: ik begeef me onder mijn waarde vakgenoten, namelijk dichters en schrijvers. Nou niet het meest fashionably hipster volk dat er rondloopt (sorry Adriaan van Dis). Dus dit win ik. Zo, en nu ga ik gelyncht worden. Met rotte boeken, pennen, alles. Anyhows. Dat imponeren ga ik voor negentig procent natuurlijk doen met ferme poëzie die ik uitspuug op het podium. En in de tijdelijke state of shock waarin ik het publiek wentel, moet mijn vlammende outfit het even overnemen. Dit is de sluitpost van 10 procent weliswaar, maar het moet wel kloppen. Zonder dat het te gekunsteld wordt. Sjucht.

Ik ga lekker door met hardop nadenken. Die outfit wordt een mix van opvallend en rustig aan. Eigenlijk is de stelregel simpel. Draag altijd datgene waarin je jezelf het meest comfortabel voelt. Bij mij kunnen dat shorts, shirt, blazer en mijn cognacbruine Sendralaarzen zijn, bijvoorbeeld. Maar een supersimpel jurkje met m’n Nike Air Max eronder is ook leu-heuk. En past gelijk in het marathonthema. Aargh, Mr. Keuzestress, ga eens weg joh.

Maar goed. Ik ben voorspelbaar as hell. Dus trek ik zaterdag waarschijnlijk dat ene setje uit die hele berg privé-fashion van mij. En precies het setje dat überhaupt drie weken daarvoor al in mijn hoofd zat (lees: helemaal onderop de berg). Gewoon iets wat comfortabel, lekker, onverwachts, nice, sharp en cool tegelijk is. Eigenlijk net zoals mijn gedichten. Easy does it.

En zoals blond bombshell Marilyn Monroe ooit zei “give a girl the right shoes and she can conquer the world”. Voeg daar the right dress (heb ik, zaterdag) en the right words (check) aan toe, en klaar is Klara. Dus dit dramablog was voor niks. Maar meisje hè. Dus moest dit gewoon even kwijt. Muhaha. Beter komen jullie kijken op 3 oktober om 20.30 in de Tolhuistuin aan het IJ. Vind ik leuk.