Mag ik uw aandacht voor hamburgers en friet?

Ik ben nu een kleine maand onderweg met heel uitsloverig sporten (gemiddeld vier keer per week) en het uitbannen van gezellige doordeweekse drankjes waarbij ik in het weekend (lees: een donderdag schuurt ook tegen het weekend aan duss) af en toe een cheat day mag hebben. Afgelopen donderdag voelde dus als een mooie dag om los te gaan op mijn eeuwige liefde voor friet en snacks. Het was toevallig zo’n avond na werk waarin niet-rijdende treinen vanaf Amsterdam-Zuid een hoofdrol speelden. Mijn beste escape is dan altijd om via Schiphol naar Roffa te reizen. Werkt altijd vet prima. En recht zo die gaat, liep ik van de roltrap direct door naar de Burger King. Met een frietje mayo en crispy kipnuggets ging ik met een intens gelukkige glimlach aan een tafeltje zitten. Dit dienblad vol diepgefrituurde snacks voelde niet slecht maar juist als beste besluit van de dag. Een andere beslissing die vrij rap kwam was om mijn foon een keertje onaangeroerd te laten. Want aandachtig en rustig eten past in een gezond en verantwoorde manier van consumeren. Je raakt gewoon verstandiger verzadigd i.p.v het standaard snel wegroeren van snacks (om een uur later gewoon weer trek te hebben, maar dat geheel terzijde). Enfin. Met mijn foon diep in mijn tas geduwd genoot ik van elk frietje en van elk hapje nugget. Het niet doelloos naar schermpje staren leverde ook gewoon een soort mindfulness-moment op. Wat heerlijk om een keer gewoon je omgeving te observeren. Of gewoon de tijd nemen om je knapperige nugget te bestuderen: de goudgele korst, het sappige kippenvlees (really, Ramona).

Ook was ik even vergeten hoe chill de Burger King is om mensen te observeren. En erachter komen dat de meesten toch corresponderen met het doel van Burger King: fastfood verkopen aan mensen die nul boodschap hebben aan mindfulness, aandachtig eten en rust. Welnee. Ik heb nog nooit zo veel mensen zo hard whoppers, friet en nuggets naar binnen zien werken. En die telefoons hè. Die belanden nog net niet in den slokdarm der mensheid. Naast mij zat natuurlijk zo´n paradijsvogel. Een soort theelepelvrouwtje met te grote jas en te lelijk haar. Lelijke bril ook. Ze praatte tegen haar foon. Doe ik misschien ook weleens, maar dan thuis uit het zicht van het volk. Het klonk een beetje Willy Wartaal-ish. Ze had ook een speakertje bij zich. Net gekocht, want ze frutselde het ding uit een kartonnen doosje, waarna het een prominente plek kreeg tussen de friet en haar hamburger. Tegen deze opstelling begon ze opnieuw te pruttelen. Af en toe belde ze ook (niemand). Ik kreeg een beetje een brok in mijn keel. Normaal gesproken omdat ik te gulzig een hamburger weg probeer te kauwen en nu om het hoopje sneu naast me. Is er dan niemand die dit vrouwtje opvangt of iemand die voor haar zorgt? Of misschien maakte ik me te druk en is het gewoon helemaal prima met haar en is ze met al haar beperkingen juist knap zelfstandig dat ze erop uit is en haar eigen mindfulnessmoment bij de Burger King heeft.

Wie ben ik om daarover te oordelen?

Over Vlaamse wortelsoep die niet Pinterest-proof bleek

Af en toe een restaurantreview als blog. Ik vind het nu al een goed plan. En daarom trap ik af met een resto in Brugge, u weet wel dat snoezige Belgische stadje, waar ik afgelopen weekend was met twee freundinnen. Geen random review natuurlijk, maar een blog met een smakelijke terugblik vol gebruikelijke apekool.

Eigenlijk is het nooit een goed idee om na een semi-lange autorit acuut ergens te willen chillen. Maar toch. Principes gaan bruut overboord omdat je nou eenmaal zin hebt in een vet lekkere kroket. Om te vieren dat je het deprimerende Vlaamse snelweglandschap hebt overleefd. Maar vooral omdat er tussen Rotterdam en Brugge nul pompstations bestaan met als gevolg: drie chica’s met een plasbuis als een tijdbom. Dan word je vanzelf makkelijk en totaal niet kieskeurig. Zelfs als het restaurant van buiten er een beetje vaag uitziet. Of kneuterig. Of treurig. Of campy-toeristisch. Of alle vier die dingen tegelijk.

Anyway. Wij doken zo’n vier-dingenrestaurant in genaamd de Middenstand, aan de toeristische strip het Zand, vlak boven de parkeergarage. Een resto dat qua interieur heftig is blijven hangen in de jaren ‘90, volgehangen met sfeerverlagende Valentijnshartjes aan het plafond. Bij de bar stond op een verhoging een bak met supertroebel water waar, bij nadere inspectie, aan elkaar gekoekte kreeften in lagen. Ik vond het een vrij traumatische déjà vu-achtige ervaring en m’n dinnetjes ook.

Het publiek hadden we supersnel gescand: die bestond uit de top drie van de beste Bingospelers van heel Vlaanderen, in de leeftijdscategorie 75 jaar en ouder. En omdat deze doelgroep natuurlijk megavatbaar is voor het Zika-virus, dacht het restaurant daar iets geniaals op gevonden te hebben, namelijk door de cv-ketel op stand max te zetten. Wij hadden wortelsoep besteld (kom ik zo nog op terug), maar temperatuurtechnisch had ik daar enorm spijt van. Beter had ik de fles stokoude jenever besteld inclusief de hele voorraad ijsblokjes plus ijskoude tonic. Een fakking sauna was het daar. Wel waren alle Zika-bacillen zo ongeveer verdampt in de hitte. Dus doelgroepwise wel weer slim van die Middenstanders.

Terug naar de wortelsoep. Die hadden we alledrie superenthousiast besteld omdat we daar alledrie hetzelfde beeld bij hadden: een Pinterest-achtige creatie van verse wortels, gepureerd in een slowjuicer en gekookt met biologische bouillon, afgetopt met een kakelvers takje peterselie. Bovendien was de soep het enige gerecht onder de zes ekkies wat perfect in het kneiterige budget van ons Hollandse deernes paste. Maar we hadden het kunnen weten. Wij zaten in restaurant de Middenstand waar de Bruggense rollatorposse elke zaterdagmiddag haar gerimpelde zegeningen telt. Daar hoort gewoon rechttoe rechtaan voedsel bij, het liefst gepureerd, doorgekookt en stukgeprakt.

De wortelsoep bleek ook in die categorie te vallen: een roestbruine bouillon die vooral heel zoutig smaakte met een hint van ossenstaart (huh). Prima vloeistof om de zouttekorten van 80-plussers aan te vullen. Doelgroepwise wederom heel slim van de Middenstand. Maar geen carrot te bekennen dus. En daarom gingen wij gewoon een stukje dood. Er kwam trouwens ook een mandje bij, met daarin kuipjes roomboter en vier sneetjes brood onder een servetje. Net zoals je je brood in het ziekenhuis krijgt. Maar goed. Op hun site staat dat ze dinsdag en woensdag gesloten zijn. Aha. Dat zijn natuurlijk dé dagen dat de chefkok z’n bouillon met een kiloblok gaarkeukenzout prepareert, en daarna in de vriezer knalt. En als er nog tijd over is dan punnikt z’n vrouw Valentijnsslingers om de systeemplafonds wat op te leuken. Denk ik.

Back to the scene. Ik keek op gegeven moment om me heen en zag die ouwelui borden vol mosselen en friet wegwerken. Echt serieus niemand had die wortelsoep besteld. Wij waren de enigen. En die bak ossenstaartbouillon, sorry wortelsoep, maakte ons melig joh. Echt abnormaal. Overigens was die meligheid ook wel rap voorbij na de zoveelste hap zout water zonder wortel. En de martelbak met zielige lobsters erin hielp ook niet echt. En die ouwelui? What about them. Die waren helemaal de chillheid zelve met hun royale borden vis en friet. Oud maar slim, die Vlaamse wafels. Slimmer dan wij stadschicks in elk geval qua menukeuze. Maar wil je je opa en oma keertje fancy verrassen, dan zou de Middenstand best een optie kunnen zijn (Sarcasmemodus AAN*).

PS: weekend was verder helemaal prima btw. Zaterdagavond enorm lang op cafè gezeten om *kuch* die soep weg te spoelen en hebben we het koolhydraten-tekort netjes aangevuld met episch lekkere frietkotfriet. Eind goed al goed.