Het Aapje in de battle met Griekse pollen en melancholische dingen

Ik was op jaarclublustrum in de derde week van September. Een memorabele week waarin de enige conclusie die getrokken kon worden is dat wij, 10 chicas sterk, met elkaar, goud in handen hebben. Alle huidige negatieve publiciteit rondom het Groninger Studenten Corps ten spijt; de band die we hebben is onaantastbaar en waardevast tot het einde der tijden. Ja, daar hebben we excessief bier voor moeten drinken. En ja, daar hebben we geheel vrijwillig infantiele maar best taaie ontgroeningsrituelen voor moeten doorstaan. En nog een paar andere typische studentendingen die buitenstaanders nooit zullen begrijpen.

Geeft niks. Want ik was op jaarclublustrum in de derde week van September en het was magisch. Een ABBA revival poolparty was genoeg om überhaupt alle epische party’s die ik ooit had afgevinkt, te doen verbleken. Samen in je nakie in het zwembad springen in de donkere Griekse zwoelie nacht terwijl je een longontsteking riskeert, het boeide niet. De Griekse eilandwind föhnde ons droog (toch?). Diezelfde wind bracht trouwens ook een container aan pollen mee. Een woeste Sirtaki in mijn neus en ogen vond plaats, waardoor ik Griekse hooikoortstranen in mijn cocktail moest plengen. Maar het boeide niet want we hadden elkaar.

Vijf dagen lang genoten we van bourgondisch Griekenland. Units in wijn gekookte octopus soepel in de fusie met wijn en Ouzo (wie btw Ouzo drinkt, verklaar ik voor gekkie. Maar dat geheel terzijde). We gingen goed op ijskoffies want daarentegen bleken de Griekse traditionele koffieblends totaal ondrinkbaar te zijn, maar ach wat boeit zoiets. Wij hebben elkaar.
Picture_20181005_100918254

Telkens als de hectiek van downtown Athene ons teveel werd, parkeerden we onze huurbolides bij een random strandclub en gooiden we de glossy’s, dolmades, strandhaar en diepe gesprekken in de hussel. We aten zandkorrels en lachten de supergeestige Groninger-anekdotes weg op een zeilboot later in de week. En dan kon het zomaar gebeuren dat tijdens ons fietstripje the next day, dwars door de vismarkt van Athene, ik superemotioneel werd. Want papa, ouwe visliefhebber, had spontaan bedacht zichzelf even op ‘aanwezig’ te zetten. Mij te laten voelen dat ie er was. En hoe, want ik brak volledig. Wat is het dán rijkdom dat de meisjes er zijn om troost te geven (ok en wijn daarna voor de schrik).

Ik was op clublustrum in de derde week van September. Het was magisch om vijf dagen lang zoveel lobi te voelen. En dat we die rijkdom delen voor de rest van ons leven.

Zomaar een melancholisch hooikoortsverslag van een oud-Vindicater die op lustrum was in Griekenland. Hoort U de snik ook in mijn stem? Nee? Lees dit blog dan opnieuw. Codewoord: vriendschap tot in de eeuwigheid.

Mijn meisjes

Het is vrijdagavond 25 november 18u. Heb een opgezwollen bovenlip, opgesierd met wat bloedvegen hier en daar, een licht tintelend voorhoofd en het jaarclubdiner is nog niet eens begonnen. Watskebeurd vertel ik later. Maar het voorval valt (nog steeds) in het niet, vergeleken met het ziekenhuisavontuur in mijn corporale Groninger studententijd. Ik zat in de eerstejaarshoek van onze sociëteit Mutua Fides, op de stinkende houten banken, twee jaargenoten gade te slaan die heftig jasje-dasje aan het trekken waren. Helaas voor mij, vlogen de twee lamme gasten als twee versgebakken straaljagers in mijn richting. Ze knalden met hun volgetankte bierlichamen hard tegen mij aan, waardoor ik viel. Voor ik het wist lag ik onder hen, als een soort judomat. Ik werd afgevoerd naar het UMCG, waar een internist vroeg of ik even in zijn lampje wilde kijken. Waarop ik redelijk alert mompelde: ‘heb meer behoefte aan een bakje eigenlijk.’ Waarna ik het hele huiseten van een paar uur daarvoor, in één soepele peristaltische beweging in het kartonnen bakje kotste. De internist hoorde ik nog net ‘jongens, tis weer een student’ verzuchten. Ik mocht, mits onder strenge supervisie van een jaargenoot, naar huis.

Terug naar het clubdiner. Gelukkig heb ik dit event heel bewust meegemaakt (that is, tot een bepaald tijdstip van de avond). En het was mooi. Clubgenoot aka commissaris gastvrouw, had haar woonkeuken helemaal conform thema Duizend-en-één-nacht’ afgestyled met kleurrijke glanzende gordijnen, palmen, flikkerende lampjes en Marokkaans aardewerk op een met sfeerlichtjes bezaaide lange tafel. Mijn clubgenoten uit Den Haag hadden op de Haagse bazaar knap geborduurde gewaden inclusief hoofddoekje geregeld. Weer twee andere clubgenoten hadden burka’s in blije kleuren online (!) gefixt. Hier was even geen ruimte voor een geëngageerde discussie over multiculturaliteit en integratie-perikelen. Hier was enkel plaats voor voedsel, drank en confessions of the past. Nou vooruit, clubgenoot moest bekennen dat ze het lastig vond om die burkaspullen in te slaan op de markt onder het mom van een ordinair verkleedfeest. Dus had ze heel verhaal verzonnen dat ze binnenkort naar Iran zou vertrekken. Waarop die marktkoopman zei: “ooh burka hoeft niet nodig, Iran veilig wallah!” Uiteraard hebben we clubgenoot in kwestie snoeihard uitgelachen/toegelachen, met haar mislukte lullenpot.

Maar het was mooi. Vooral toen het clublied al vrij vroeg in de avond werd ingezet. Dat die dan zo mooi en melancholisch kon klinken zonder het kneiterlamme effect (lees: de vette snik), zegt wat over de kwaliteit van het liedje. Dat kon niet gezegd worden van het repertoire naarmate de avond vorderde. Geloof me, als er in een clublied ‘anders wordt mijn oester nat’ in het refrein zit, dan weet je dat het hoog tijd is voor de volgende batch wijn. Opdat het nog te volgen gebruikelijke lalrepertoire enigszins onverstaanbaar wordt, als een soort natuurlijke censuur.

Ondertussen werd mijn Kylie Jennerlip die steeds grotere proporties aannam, nog even gecheckt door de twee oud-geneeskundestudenten in de club. Tijdens het bliksemconsult werd ik volgestopt met paracetamol en heengestuurd met een bel wijn. Het was hoog tijd voor het diner. De borrelhapjes in de vorm van pitabrood met acht soorten zelf in elkaar gedraaide humus werden gevolgd door goddelijke hoofdgerechten. Deze kregen geheel in lijn met onze traditie, een hilarische inleiding van de chefkokclubgenoten van dienst. Moussaka (“schatjes, dat is Grieks, maakt niet uit”), kip met kokos (“hebben ze auch in Marokko”), tabouleh, en gehaktballetjes in saus waarvoor ze met liefde samen uren in de keuken hebben lopen ploeteren. Er volgde nog een indrukwekkende pavlova met aardbeien en slagroom (“sinds wanneer is dit Arabisch precies?”).

Niemand van de club haalde daarna nog de koffiegang met mijn Koekela-koekjes uit Rotterdam. Ook wist niemand meer wie jaargenoot Jetkse B. was. Maar wat boeide het ook. De grote sociëteitsquiz wordt gek genoeg ook altijd ingezet op het moment dat serieus niemand meer een helder moment heeft. “Hey hallo, wie zat er ook alweer in de almanakcie?”. “Met welke gast was jij ook alweer toen we met kerstdiner al die kerels in de liedjes tweakten?”. “Ik was sjaak afhaak toen en weet niet meer why.” “Huh”. Juist, wat was het weer mooi. Het was genietings met mijn meisjes. Met dezelfde meisjes die mij begin maart en begin mei van dit jaar in een enorme bak met liefde pleurden toen ik het nodig had, zwom ik nu samen met ze rond in een fust wijn vol reminiscensies onder de twinkelende lichtjes van Duizend-en-één-nacht.

PS: Kylie Jenner-bovenlip krijg je zonder botox, als je zoals ik heb gedaan, maar hard genoeg full face tegen een glazen deur aanknalt. Oh ja. Vervang alle zinnen met ‘zelfgemaakt/gekookt’ door ‘catering’.