Een huis vol schitterende zooi

Ouders worden..oud. Het woord zelf zegt het al en je doet er helemaal niets tegen. Zolang ze maar gezond verschrompelen tot rozijntjes, dan vind ik het allemaal prima. Mijn ma en stiefvader zijn anno 2018 gezond, gelukkig. Maar dat dus, ze worden ouder. Dat kan ik vooral zien aan de binnenkant van het huis in Jakarta. De hoeveelheid spullen die ze in de afgelopen jaren hebben verzameld. Bewust onbewust. Je wordt oud en je vergeet gisteren dat je vandaag die handtas bovenop de kast hebt gepositioneerd. Naast tig andere zaken die gewoon niet op die kast horen te staan. Dat werk. Het is er echt ingeslopen. Mijn ex-schoonmoeder zei altijd: ‘Geld hebben we niet maar spúllen?!’ Waarvan akte. Op de trolley bij de plasma-tv op de tweede verdieping staat een indrukwekkende verzameling dvd’s (!) en fotoboeken. Met als absolute show pony een kartonnen dvd-box in de vorm van een huis. In de raampjes (ja echt) portretten van de cast van ‘Everybody loves Raymond’. De badkamer van moeders en stiefpa is ook een soort toonkamer vol spullen die daar in principe niet helemaal horen. Een soort walk in closet en  jacuzzi in 1. Nou vooruit, handig is het wel. Douchen, aankleden en gaan met die bakbanaan.

Op de begane grond staan gelukkig geen dozen, wel veel meubels. Maar dat is niet hinderlijk, eerder functioneel. In de voor- en achterkamer, eetkamer en hal samen, kun je rustig een stoelendans-event voor 100 man plus houden. Dus je kunt hier wel wat zithoeken kwijt. Het valt me dan wel opeens weer op hoe ecclectisch de interieursmaak van moeders is. Tegen de muur tussen voor- en achterkamer, een witgeschilderde houten spiegeltafel met iets te weelderig uitgesneden krullen rondom de spiegellijst. Op het marmeren blad staan witte keramieken vogels te shinen (ik noem dit de Frans Bauertafel). Gelukkig wordt dit stukje woonwagenstyling op tijd gebroken door de rest van de meubels in Victoriaanse stijl en mahoniehouten vitrinekasten vol stijlvolle Wedgewood. Hier doe je aan Indonesische high tea met je pink omhoog, for sure.

Ik check of mijn piano het nog doet en hoor dat ‘ie net zo oud en kraai klinkt als mijn ouwelui (nee grapje, dat ding klinkt nog superhelder tot mijn grote verbazing). Ik ga meteen op zoek naar een souveniertje, een nachtblauwkleurige keramieken mini-tajine, ooit van mijn Marokko-reis meegenomen. En omdat moeders vrij vaak haar interieur omgooit, doe ik altijd Inspector Gadget na om te checken waar die tajine nu weer uithangt. Ik vond de unit uiteindelijk op het dressoir in de eetkamer (locatie nummer zes). Ik tilde nieuwsgierig het dekseltje op. Het tajine-bakje puilde uit van zilveren ringen en andere troepjes. Ik moest even lachen. Als de plastic bakken op zijn, dan zijn er blijkbaar genoeg andere opbergwegen naar Rome. Ouwe mensen en dingen. Als ze maar gezond oud worden tussen al die herinneringen en historische meuk.

Tajine jeweetog.

Tajine jeweetog.

PS: kon het toch niet laten om mijn moeder te pinpointen op die plastic containers in huis en de vet vage ‘mama weet ook niet meer wat er allemaal in zit’- inhoud daarvan. Ze beloofde plechtig een garage sale te organiseren met een van haar vriendinnen. You Go Mom. Ik kom snel checken of je dat ook gelukt is.

 

Kerst, kaas en nepwimpers

Mijn diva-vriendinnetje uit Jakarta heeft het net uitgemaakt met haar Italian boyfriend en wil op rebound-kerst in Europa. En ze wil kaas, appt ze nog snel. Daarom stond ze vier dagen geleden bij ons op de stoep, met een knalroze Samsonite-trolleykoffer waar met gemak vier Chineze bootvluchtelingen in passen.

Ik wijs met rollende ogen naar haar roze container-unit, “ja luister, ik móest deze Zara-winterjassen (drie stuks!) inslaan, ik run twee bedrijven in Jakarta en heb personeel, en wil hier dus niet doodvriezen, dat snap je toch wel?’

Nadat ik haar heb gevoerd met stroopwafels en wijn, ontdooit ze. En gaan we vet goed op heerlijke onderwerpen zoals de gierende corruptie in Indonesië (‘over 200 jaar is het uitgeroeid’), over het fenomeen wasmachine (‘en hoeveel betaal ik jullie schoonmaakster om mijn was te doen?’) en over de liefde. Op het laatste onderwerp lach ik haar standaard snoeihard uit. Want wie guys beoordeelt op basis van horoscoop en reportages uit de Cosmopolitan kan ik gewoon echt niet serieus nemen.

Op kerstavond is het frêle knappe poppetje opeens stil en ontwaar ik een paar traantjes. Ik zeg dat het niet erg is om een beetje de kerstblues te hebben, maar volgens haar komt het door de verkeerde wimperlijm van haar nepwimpers. Ook goed schat, wat jij wil. Het kan overigens óók gewoon slaapgebrek zijn aangezien we de avond daarvoor om 06.00 uit de Suïcide Club zijn gegooid. Wie nachtelijk Rotterdam wil beleven, krijgt het dan ook van mij. Op een presenteerblaadje vol shots en cocktails. Het werd een epische avond.

In preparation op het familiekerstdiner in Molenschot, schuiven we chill door het huis in onze kerstpyjama’s, kook ik antikater-voedsel met omelet en Hollands gehaktprutje, en vertelt la Diva meanwhile verder over haar intense leven in Jakarta. Over een van haar vriendinnen die haar droomleven leidt. Op mijn vraag wat ze precies bedoelt met droomleven, krijg ik ‘rijke man, dik huis en een Hèrmes-tas’ als antwoord. I rest my fucking case. Ook schijnt Jakarta inmiddels een gevaarlijke thug city te zijn voor chicks zoals zij. Om die reden heeft ze geblindeerde ramen in haar SUV ‘anders kom ik echt nergens’. Dit zijn van die momenten waarop ik oprecht blij ben dat ik in Nederland woon. Zo lekker normaal gebleven ook. Je hele leven op de fiets, zwierend van de Appie naar vrimibo en buurtcocktailbar, dat werk.

Aan de andere kant is het juist van een ontroerende schoonheid hoe zij vol bewondering geniet van dat kneuterigekleine hier, ver weg van die ordinaire Indonesische del die Jakarta heet. Een dappere en teringhardwerkende chick die over twee jaar haar IT-bedrijf gaat verkopen voor 2,5 miljoen dollar. Ja u leest het goed. Deze wandelende premium goldcard-monniemachine kiest ervoor om de plane te nemen naar Europa. Ze kiest Holland boven kaviaarcocktails in Jakarta skybars. Ze kiest ons little frogcountry om af te kicken van de liefde in sexy Roffa en om kerstkaas te kunnen eten bij mijn familia in het Brabantse Molenschot.

Bam, some kerstverhaaltje of niet dan apenkoppen?!

Hello and Goodbye Professor Zonnebloem

Wat een keloel lately over het onderwijs in NL. Vroegselectie my ass. Met HAVO/VWO-advies op zak deed ik als brugklasser, nota bene in Jakarta, mijn eigen assessment en besloot eigenhandig om een niet voor de hand liggende richting te kiezen. Dat niet goed uitpakte. En toch ben ik supergoed terechtgekomen. Ik leg het uit.

Mijn toekomstige carrière (in de communicatie) was al voorbestemd toen ik zes jaar oud was. Op de 2e Amstelveense Montessorischool verslond ik taalboekjes alsof het spekkies waren. Over mijn Montessori-indoctrinatietijd later meer. Ook op mijn katholieke middelbare school, Tarakanita I Jakarta, was ik King of the Hill in taal. Proefwerken Engels en Duits haalde ik slapend. Voor Bahasa Indonesia schommelde de cijferbuit tussen zevens en achtens. Niet gek voor een Belandameisje met een Indonesische taalachterstand (ben een jaar blijven zitten hierdoor). Een eigenaardige Indische kaaskop die analfabeet haar eerste taalles binnenkwam. En ‘Hallo nasi goreng en kroepoek’ op het schoolbord kalkte op de vraag of ik mezelf even wilde voorstellen.

Enfin. We kregen ook schei- en wiskunde. En sterrenkunde. Machtig boeiende vakken waarmee je later professor Zonnebloem kon worden. Helaas, ik snapte er de ballen van. De logica van basisformules ging er nog wel in. Maar van elke schijnbeweging in functie- en formulereeksen ging ik steeds opnieuw een stukje kapot van binnen. Niet omdat ik het eng vond, maar ik baalde dat ik het niet in m’n vingers kreeg. Scheikundige proeven doen vond ik trouwens geweldig. Van scheikundesommen maken kreeg ik echter maagperforaties. De proefwerken Engels en Bahasa waren de troostende Sesamstraatpleisters op de gapende Bètawond. In Geschiedenis was ik trouwens ook heul goed. In plaats van stampwerk, maakte ik er epische verhalen van in mijn hoofd. Vervolgens schreef ik de hele zooi met flair uit, afgetopt met die eindeloze reeks jaartallen waarin koninkrijken en generaals sneuvelden.

Het alfazaadje was zoals gezegd al vroeg geplant: een taalverslindster was ik. Een kleine keizer in verhaaltjes schrijven, dat ook. Des te oeniger werd ik in rekenen. Thanks to Maria Montessori. Haar befaamde onderwijssysteem was deels geschikt voor mij: voor mijn vrije talige geest was het walhalla, heaven, Unicornland. Voor de ontwikkeling van complexe inzichten (wat rekenen toch wel een beetje is) had La Montessori een verwoestende uitwerking. Terwijl mijn hersenkwab dat eigenlijk best had kunnen processen. Er werd alleen totaal niets mee gedaan. Niet geprikkeld, niet gepord. Tot zover het Montessorisysteem. Met een deels luie, ongetrainde hersenhelft gecombineerd met een opgepompte taalspier, vinkte ik de basisschool af en was ik klaar voor de middelbare school. Mijn juf schreef nog het volgende in mijn rapport: ‘als Ramona beter was in rekenen, dan had ik haar VWO in plaats van HAVO/VWO-advies gegeven.’ Prima. Dubbelplaatsing of niet, ik ging hoe dan ook toch naar het Montessori Lyceum in 020 (dat werd het niet, want ik verhuisde naar Jakarta).

Back to Tarakanita I. Inmiddels was ik brugpieper af, en kon ik kiezen uit twee richtingen: A1 (Exact) A2 (Sociaal). Beide richtingen hadden maatschappijleer en Bahasa. A1 had wiskunde, biologie en A2 had geschiedenis en geografie als extra. Ik dacht toen een briljante ingeving te hebben, namelijk deze: mijn Alfa-hersenhelft was al bovenmatig ontwikkeld. Kom, laat ik eens even mijn krukkige bètahersens aan het werk zetten en voor A1 kiezen. Ik ging dus voor de ultieme shocktherapie. Hup, met m’n smoel in de vuurlinie van formules en variabelen staan. Kom maar! Kom maar! Kom maar! En zo geschiedde. Waarna een driejarige ramp zich voltrok. Want ik bakte er natuurlijk helemaal niets van. Had wel enorm veel bewondering voor exacte vakken. Maar ja, daar redde ik de wereld natuurlijk niet mee. Adoratie voor het vak (!). Toch vond ik mijn keuze destijds best stoer. Want nu kan ik zeggen dat ik er zelf bewust voor koos. Een Veni, Vidi zonder Vici. Ik blijf een avonturier. Stap altijd nieuwsgierig in werelden die niet de mijne zijn. Waar hebben we die eerder gehoord. En uiteindelijk is het alsnog goed gekomen. Ik ben Alfa gebleven. Een Alfa met een dikke A.

LOVE IS IN THE APPLE PIE, MY FRIEND

Ik ben kind van gescheiden ouders. Ik weet het. Een niet zo’n bijster fijn introzinnetje, zo vlak na Valentijnsdag. Permanent vlammen in de liefde. Het is serieus niet iedereen gegeven namelijk. Ondanks de scheiding, heb ik toch een groot deel van mijn jeugd veel lobi gekregen. Direct en indirect. Ik zat bijvoorbeeld op een Montessorischool. Dat kan een praktische keuze van mijn moeder zijn geweest. Maar een Montessorikind leert wel autonoom het maximale uit haar creatieve brein te halen. Dus dat heeft mijn moeder mij gegund. Is ook liefde.

De fietstochtjes met mijn mama en stiefpa naar ongelofelijk sprookjesachtige beekjes in het Amsterdamse Bos. Eenmaal aangekomen, hup met de blote voetjes in het kraakheldere water. Dat herinner ik me als liefdevolle momenten. Ik heb überhaupt leren fietsen in het Amsterdamse Bos. De valpartijen waren supernasty, maar het geduld van mijn stiefpapa om mij van die zijwieltjes af te krijgen zie ik als een genereus en liefdevol gebaar. Hij had me ook gewoon kunnen verwaarlozen. Als soort van boze stiefmoeder met snor. Dan was ik voor eeuwig een krukkig, vierwielig kind gebleven dat gepest werd op school. Hoeveel kinderen groeien wel niet op onder een dictatoriaal, liefdeloos regime van vet rare ouders/stiefouders? Precies dat bedoel ik.

Ik ben kind van gescheiden ouders. Grotendeels opgevoed door mijn moeder in Amstelveen. En van een afstand gemanaged door een vader die mij platbelde uit Hong Kong. Of uit Jakarta waar hij uiteindelijk lang woonde. De liefde ging dwars door de telefoon. En de opvoeding, die ging ook door de telefoon: ‘schatje, als je oversteekt op het zebrapad, dan..’, onderbrak ik hem met rollende oogjes en maakte ik de zin af met: ‘jaaahaaaa, eerst links en dan rechts kijken, en dan, en dan, oversteken.’ Ik weet trouwens zeker dat pa mijn zinnetje altijd lip syncte, zo aan de andere kant van de oceaan. Echt vreselijk lief. Overigens voel ik mij tot op de dag van vandaag superoncomfortabel als ik een stuk straat strafbaar oversteek (lees: ongeciviliseerd stuk straat zonder zebrapad). Bedankt pap, voor die eindeloze zebrapadliefdebezorgd-achtige telefoonmantra’s. Nu is je kind een zebrapad-autist.

Mijn ouders wonen nu alweer flink wat jaren in Indonesië. Wanneer ik naar ‘huis’ ga, zoals ik dat noem als ik naar Indo vlieg, logeer ik standaard een week bij mijn moeder, stiefvader en broertje in Jakarta. Daarna vlieg ik door voor een dag of tien bij mijn pa in Sulawesi. En om het mooi af te toppen, chill ik de rest van La Holiday de ballen uit m’n bikinipants bij m’n zussie op Bali Paradise. Maar mijn laatste avond in Jakarta is altijd memorabel. Dan kookt m’n moemie bijvoorbeeld een gezellig afscheidsdiner. Een 20-gangig Indische fissa waar de liefde in elk stokje sate, rijstkorrel en sambalpepertje is gestopt. En wat helemaal prachtig is; mijn moeder nodigt dan ook altijd mijn vader en zijn vrouw (mijn stiefmother) uit. Nog uit de periode dat mijn ouders en aanhang allemaal in Jakarta city woonden, vertel ik jullie nu een knetterzoete anekdote. Zo zoet dat het glazuur van jullie tandjes afknalt:

Na de gigantische rijsttafel zitten we met z’n allen lekker uit te buiken op de veranda; met uitzicht op palmbomen en bougainvillestruiken waar m’n moeder zo idolaat van is. Als dessert eten we mama’s homemade appeltaart. The one and only. Wanneer ze mijn vader een schoteltje met een punt apple pie aanreikt, kijkt hij vertederd naar het taartje, neemt een hap en zegt: ’Ah heerlijke appeltaart, Jeanne — yep, zo heet di mama —, precies zoals je het vroeger in Amstelveen ook altijd maakte.’ Waarop mijn moeder hem bescheiden ‘dat-had-je-niet-hoeven-zeggen’-bedankt.

Ik weet eigenlijk niet wat mooier is: de vlammende liefde die ooit was, of het eindeloze respect dat mijn ouwelui tot op de dag van vandaag naar elkaar hebben. Allemachtig wat is dat toch prachtig.

Jakarta, Jakarta

Chauvinisme, het is overdreven vaderlandsliefde. En een woord dat niet echt in mijn Top 5 staat. Maar als eencellige mensen bommen gaan gooien op mijn twee landen, NL en Indonesië, dan ben ik Miss Chauvinistia herself. Inclusief superlange krabnagels en vuurspuwende ogen.

Ik werd donderdag 14 januari wakker met het nieuws dat Jakarta was lastiggevallen door een brute bomaanslag. Precies in het centrumdistrict waar m’n mama shopt, m’n little bro supervaak in de file staat en waar mijn stiefpapa langsrijdt naar z’n werk. Gelukkig zijn ze momenteel alledrie op Bali. Maar ze hadden er kúnnen zijn. Voordat we allemaal leeglopen over deze laffe Harry-daad, even wat duiding. Ik ben namelijk allergisch voor ramptoeristenreacties. Die social mediaposts ‘oh wat vreselijk, ik reed daar vijf jaar geleden ook langs in een taxi, nou gelukkig ben ik daar niet uitgestapt want het is toch best gevaarlijk als ik dat nou zie.’ Dit soort braakbalreacties, echt, I can’t even. En die truttige Pinterest-tegels ‘Pray for Jakarta’ vind ik ook mwah. Niet iedereen gelooft ergens in en iedereen moet zelf weten hoe ze over aanslagen denken, waar ook ter wereld. Je kunt ook een bloementekening met een krans van hartjes posten op je sociale mediawall. Lekker neutraal en ook dikke prima. Maar goed, ik ben nog steeds pissig op die aanslag en daarom is dit blog ook zo zuur. Laat deze aap maar even.

Waar het om gaat is dat ik vorige week donderdag een acute woede voelde. En onmacht omdat ik de plaats van delict kan uittekenen, ruiken en visualiseren. Het is overbekend terrein voor mij, het stuk downtown Jakarta tussen het VN-gebouw en Sarinah shopping mall bij de Thamrinstraat. Ik hoor jullie denken:’net zei je nog allergisch te zijn voor ramptoeries-comments’. Dat klopt nog steeds maar ík mag dit zeggen omdat het voor mij meer is dan een vakantiebestemming: deze stad, het land zit letterlijk in mijn dna. Mijn fakking land, waar mijn familie woont en waar ik vanuit moet kunnen gaan dat ze rustig hun rijsttafelboodschapjes kunnen doen, naar hun werk kunnen gaan, een rondje kunnen hardlopen bij het Senayan stadion daar vlakbij. Een onmachtig gevoel omdat Pray for Jakarta de lading niet dekt. Omdat een bloementekening niet groot genoeg kan zijn om mij en vooral de nabestaanden te troosten, te kalmeren.

Dus afgelopen donderdag was ik vooral belachelijk boos. En had ik zin om een rood-witte vlag uit het raam te hangen en keihard Indische liedjes te gaan zingen. Chauvinisme doet rare dingen met je. Ik voel me dan een soort pauw met drie verschillende kleuren; rood wit en blauw, afhankelijk van waar de shit aan is. Nederland of Indonesië. Nee, chauvinisme is alleen leuk met een WK als Oranje erin zit. Of als Miss Jakarta doordringt tot de Miss World finales. Het chauvinisme van donderdag deed pijn, echt heel veel pijn. En nu ga ik mijn familie bellen en zeggen dat ik enorm veel van ze houd. Want overdreven familieliefde, daar is nog nooit iemand heel lelijk van geworden. Klef hoogstens, nooit lelijk.