Het Aapje en de uil van de Minahasa

Het is een proces. Mijn eerste belandde op mijn rechterrib. Ik wilde het klein en privé houden, ik hoefde hiermee niet per se naar de buitenwereld te flexen. Je zou het alleen zien als je met mij naar het strand zou gaan of samen met mij onder de douche zou stoeien. Heul privé dus. Het idee voor mijn eerste ontstond op Bali, nadat ik mijn vader op 4 Maart 2016 had begraven in Tondano. ‘Anak spanggal’ noemde Maramis senior mij altijd. Het betekent ‘enige kind’ in Menadonees dialect. Ik wilde papa niet random herdenken met een ketting of een steen met zijn naam erin. Het werd ‘anak spanggal’ als kleine, intieme tattoo op mijn rechterzij, op een stukje ribbenkast om voor altijd bij me te dragen. Na pa’s overlijden dook ik in het voorjaar van 2016 the Interwebs op, verder en verder op zoek naar mijn roots. Op de Minahasa-site las ik meer over het wapen van de Minahasa. Samen met de verhalen van mijn Menadonese familie, groeide mijn patriotistische eilandgevoel. Dat groeiproces voelde als niet uit te leggen-zo-speciaal, I can tell you that allright.

Een kleine toelichting tussendoor want het kan confusing zijn als je topografie sucks en je bovendien denkt dat Noord-Sulawesi op de Noordpool ligt: Noord-Sulawesi (aka Noord-Celebes voor de ouwe kolonialen onder ons), is een van de 34 provincies van Indonesië. De hoofdstad van Noord-Sulawesi is Manado en daarom noemen we onszelf Menadonezen. De regio/streek op Noord-Sulawesi waar mijn ouders vandaan komen heet de Minahasa, dus noemen we onszelf ook wel ‘orang Minahasa’. Tondano, dat ook in de Minahasa ligt, is het geboortedorp van pa. Capisce?

Anyway. Dat groeiproces over mijn roots zette lekker door. Drie jaar later, in november van dit jaar, is de tweede gekomen. Het was een proces. Met een van mijn meest dierbare personen deelde ik deze zomer het verhaal van mijn vader, waar ik vandaan kom, mijn cultuur. We praatten over tattoos next level, over symboliek en speciale betekenissen. Over zijn cultuur, over mijn cultuur, mijn adat, zijn adat. Over rituelen vertaald naar eilandsymbolen die veel en veel verder gaan dan een blije dolfijn op je schouder. Ik dook volledig geïnspireerd door onze persoonlijke verhalen, weer in mijn eigen Minahasa-roots. Opnieuw zocht ik naar het wapen van de Minahasa op de site. Een burung manguni (wijze uil) gedragen op de krijgersleus van de Minahasa ‘I jayat usanti’ (ferm & krachtig). Gebiologeerd sloeg ik het wapen met een groots gevoel van trots en eerbiedigheid als plaatje op in mijn hoofd.

Man, wat raakte mij dit. Deze pinda die na het overlijden van haar pa, bij wijze van rouwverwerking, steeds verder onderzoekt naar wie ze is en waar ze vandaan komt. Een pattriotistisch proces dat groeide en groeide. Ik begon te denken aan een nieuwe, tweede tattoo, drie jaar na de eerste. Superkieskeurig als ik ben, vind ik maar een paar locaties op het lichaam sexy en waardig voor een permanent plaatje. Een sexywaardige plek voor een indrukwekkend plaatje met betekenis. Een plaatje dat alles zegt over mijn dna, mijn roots. Ik ging diep met het nadenkproces. Een enorm persoonlijk proces dat, drie jaar na de eerste, werkelijkheid is geworden.

Het wapen van de Minahasa, de regio waar ik, mijn ouders en voorouders vandaan komen, pronkt nu sinds een maand op de binnenkant van mijn rechteronderarm. Anderhalf uur had Amsterdamse tattookoning Fabian Manuputty nodig om ‘m te zetten. Een tijd waarin hij normaalgesproken een complete Maorisleeve rondom een biceps tattoëert. Om aan te geven hoe gedetailleerd en precies Fabian de burung manguni naar het origineel op mijn arm moest fiksen. Het is dan ook geen dolfijntje hè. Terwijl Fabian een partij inkt en naalden door mijn lederhuid ramde, vertelde hij over zijn opa die overleed toen Fabian 18 jaar oud was. Hét moment voor hem om in zijn Molukse roots te duiken. Het was mooi om verhalen over onze roots te delen. Net zoals ik al eerder in de zomer mijn verhaal had gedeeld met dierbare. Het proces klopte.
tattoo s

Nu kijk ik dagelijks naar mijn wijze uil, mijn burung manguni. Dit keer wél op een plek for everybody to see. Zodat, elke keer als iemand ernaar vraagt, ik met gepaste pattriotistische trots kan vertellen dat ik Minahasa-meisje ben. Glunderend en ‘bangga’ (= trots in het Indonesisch) loer ik nu dagelijks naar mijn fasung -Menadonees dialect voor iets dat mooi of knap is- tattoo. Ok, ok, hij is zo verschrikkelijk pretty dat ik er nu wél vaak mee flex (lees: met korte mouwen op kantoor lopen shinen al is het freaking winter) en heb ik natuurlijk allang gezorgd voor een paar vette Instadrips. All for the likes, all for the likes. Ik ben per slot van rekening een ijdel aapje, duh.

Mijn burung manguni is geland op mijn arm. Geland om voor altijd te blijven. I jayat usanti, I jayat usanti.

Voor C.

The White Face en de angst voor gorilla’s

Twee fenomenen in Indo die maar niet wennen: het Aziatische schoonheidsideaal en de sociale controle die altijd aan staat. Ik word er recalcitrant van. De Indonesische familie compleet horendol van mij.

Die sociale controle komt voort uit de sterke Indonesische gemeenschapszin in het algemeen. Men let, met de beste bedoelingen, heel goed op elkaar. En al helemaal als de dochter van Frans, all the way from Holland komt. Er gaat direct een glazen stolp over me heen. Toen ik hier net was, heb ik geluld als Brugman. Om het voor elkaar te krijgen zelf boodschapjes te doen in de buurtsuper, twee koprollen van het huis vandaan. Maar echt. De eerste keer ging de dochter van de ranchbewakers, Fanessa mee. De brugklasser vond het zelf ook zwaar ‘OMG’ dat ze mee moest lopen. We lachten er maar om en hebben nog een paar goeie grappen over die overbezorgde ouwelui gemaakt. Dus de eerste keer ben ik meestal nog beleefd, voor de vorm. Daarna wals ik soepel over de sociale omgangsvormen heen. Door een paar keer te roepen dat iedereen in NL zelfstandig/alleen/solo in staat is om, in dit geval, boodschappen te doen. En dan gewoon gaan met die banaan. Wat een ellende die sociale controle. Een diplomatieke familierel ligt hier permanent op de loer. Maar ergens, heel, heel erg in de verte vind ik die overbezorgdheid ook wel weer zoet. Je zou maar geen TLC in je leven ontvangen. Dan ga je gewoon dood hoor.

Het was trouwens in de buurtsuper dat ik opnieuw werd geconfronteerd met het heersende schoonheidsideaal: the white face. Alle mooie Indonesische smoeltjes moeten wit, waar wij in het Westen een fijngebruind bekkie sexy vinden. Dus toen ik à la Keuringsdienst van Waarde naar een crème zonder whitening vroeg, hoorden ze het op het hoofdkwartier van The White Skin Movement donderen. ‘Die bestaan niet hoor mevrouw, schoonheidsproducten zonder whitening. U wilt geen blanke huid?!’ Er lag zelfs Dove deodorant ‘for white skin’ in de schappen. Lelieblanke oksels dankzij Unilever. Ik trek me even terug in de bovenste kruin van mijn casa di banana. Kan ik rustig nadenken over witte oksels. Door die White Skin Movement, is zon(nen) uit den boze. Mijn oom Leo bezorgde ik van de week nog een rolberoerte. Ik stond naar zijn smaak iets te chillaxt tegen een muurtje in de zon te roosteren. ‘Kind, ga weg uit die felle zon, je wordt zwart!’ Nee oom Leo, blijven jullie inderdaad maar weg uit die lelijke zonnestralen, ik slurp dit vitamine D-infuus met alle liefde voor jullie op. Ik krijg gelijk zin om te twitteren. ‘Oe-hoi Quincy Gario, In Indonesië is white face de norm. Nou jij weer.’

Terug naar de sociale controle. Alleen thuis zijn is sinds pa’s overlijden überhaupt niet aan de orde. Er zijn altijd mensen die op het huis passen. Personeel, de lieve buufjes, de mensen van de ranch. En/of familieleden. Ze vinden het ook allemaal heel ongezellig als je in je kamer zit weg te stinken. Niet dat ik de hele tijd op mijn kamer zit. Daar is Tondano te mooi voor. Toch moet ik soms even weg van alle goedbedoelde lobi, aandacht en de continue stroom van voedsel (van dat laatste weghollen lukt niet echt. Snap jij, snap ik). Deur dicht. Hoofd leeg en wegmijmeren naar mooie momenten met pa. Maar toegegeven, die Indonesische social hub werkt als een supermagneet. Iedereen kneitergezellig hangend op de veranda. Of op de binnenplaats rondom het Centre of the Fooduniverse aka de keukentafel. Helemaal fissa wordt het, wanneer een schaal vol verse snackjes van de markt op tafel komt. Ik heb er een neus voor om exact op dat moment mijn kamer uit te rollen en álle empanada’s van de schaal af te jatten.

Dan de auto. Dit oververtegenwoordigde vervoersmiddel in Indonesië heeft indirect met die sociale controle te maken. Afstanden zijn hier enorm. De auto is dan wel zo efficiënt, veilig en comfortabel. Maar ik inhaleer graag de pure luchten van de binnenlanden van de Minahasa. Zo noemen we het regentschap in Noord-Sulawesi waar Tondano onder valt. De typische geuren opsnuiven tot ik stoned ben. De warme lucht voelen. Vorige week was er picknick op het familielandgoed van stiefmoeder, een kleine drie kwartier rijden vanaf Tondano. Halverwege de route ben ik, na een debatje waarin de oppositie (Partij Voor Sociale Controle) geen schijn van kans had, samen met neef David en pa’s petekind Raffa uit de auto gestapt. Tot grote ontsteltenis van de rest van de fam. Bang dat pa Maramis’ enige kind in een ravijn zou flikkeren. Of opgegeten zou worden door gorilla’s (niet dat die hier zijn. Althans niet in dit gebied). De sociale controle sloeg hier trouwens wel fors door. Dat vooral ik, het stolpenkind, beschermd moest worden en niet m’n neefjes. Hilarisch.

Het besluit om uit de car te vluchten was een dikke high five waard. Wandelend dwars door de jungle begeleid door krekels in a capella, wie wil dat nou niet? We verdwaalden bijna op een liaan na. Omdat we Roodkapje waren. En wij het moesten doen met de bandensporen van de jeepcolonne, die ons al ver vooruit was gereden (u weet wel, de karavaan met de familie erin die dacht dat La Gorilla inmiddels een soepje van mij had getrokken).

2016-03-14 02.19.45Eenmaal op de heuvel aangekomen werden David, Raffa en ik royaal beloond: een majestueus uitzicht over de groene vallei met daarachter een vette streep azuurblauwe zee. Het landhuis, een twee verdiepingen tellende unit in blokhutstijl. In elkaar geklust van hout uit de directe omgeving. Zo vet. Het huis ingelijst met een groene krans van acht hectare grond. Ramvol met eetbare spullen: kruidnagelbomen, cassave, mais, vruchtenbomen, kokospalmen en een vijver vol Mujairvis. De lunch kwam rechtstreeks van het land. De vis gevangen door de familie in vier stappen: 1) vijver halfleeg laten lopen 2) iedereen erin 3) wie het meeste en het snelst visjes vangt. 4) meesterlijk). Een oom vertelde dat pa hier dolgraag kwam. Ja duh zeg. Ik snap meteen dat m’n lieve ouwe hier zijn Fishermen’s Friend-momentjes had. Al Country Road neuriënd, de oogjes vochtig bij het zien van Minahasa’s hoorn des overvloeds. Geef pa een kapmes en goed keukengereedschap en hij draait in no time een visgerecht in elkaar. De kokosnoten en vis zelf in mootjes gehakt, de groenten en kruiden eigenhandig uit de vallei geplukt. Verdorie pa. Nu trek ik zelf een beetje wit weg, denkend in de tegenwoordige tijd aan jou. En dát zonder die crème. #fransbernhardbedankt