Ik gun iedereen het bananenparadijs

Afgunst. Ik ken het niet. Ik ben gewoon geen afgunstig persoon. Ik gun mensen van alles. De liefde, lekker eten, leuk werk, snoepreisjes, een paaldansdiploma, bananenschuimpjes, een miljoen, een gezond hart. Nah ok. Sommige mensen gun ik een vrije val in een bak met kakkerlakken. Maar dát geldt alleen voor heel nare mensen.

Ik ben niet afgunstig. En omdat ik dat niet ben, valt het des te meer op hoeveel mensen dat wél zijn. Het als hobby beschouwen. Zoals laatst, toen ik met tien andere werkmurwe forenzen in de Hall of Sardines stond van de Sprinter Holendrecht-Rotterdam CS. En uitgerekend op deze uitdagende twintig vierkante centimeters sloeg een heftige allergieuitbraak toe. Waardoor ik mijn poezelige neus onmiddelijk moest snuiten met een papieren zakdoekje. Even voor het beeld: mijn nagels waren op dat moment laguneblauw gelakt. Een nogal opvallend contrast in combinatie met mijn maagdelijk witte zakdoekje.

Ok. Ik hoor u denken: ‘waar wil deze op cliffhangerbeluste blogger heen?’. Ik ga het u nu vertellen. Op het moment van snuiten voelde ik opeens een priemende blik van de chick waarmee ik de middenpaal in de Hall of Sardines moest delen (lees: handen aan de paal, om in geval van botsing, niet meteen door drie coupé’s tegelijk te vliegen. En vooral om niemand eraan te helpen herinneren dat dwergwerpen ooit een serieus dingetje was op televisie). Dus, haar priemende blik, haar ogen vol afgunst. Wat ook niet hielp: de chick toornde minstens 38 cm boven mij uit. Dus haar ogen puilden niet alleen uit van afgunst, maar ze keek ook nog eens néér. Haar moeder zou echt heel trots op haar zijn geweest (not).

Ik dubbelcheckte na mijn snuitsessie voor de zekerheid haar gemoedstoestand, en keek ik haar op mijn beurt quasinonchalant aan. Zoals alleen katten zo niet-geboeid naar je kunnen loeren. Op dat moment trok ze met haar overbite haar linkerhandschoen uit, en gleed ze heel demonstratief met die hand door heur haar. Alsof ze een weggewaaide lok wilde terugzetten. Maar er viel niets te corrigeren. Haar kapsel stond namelijk compleet stijf van de haarlak, waardoor er een helling van 0,1 graden was ontstaan van kruin tot schouder. Geen speld tussen te krijgen. Ja, een longboard, die wel. Maar die superoverbodige hand was nu juist het antwoord op haar afgunst. Die was namelijk voorzien van de meest vilein gelakte Cruella de Ville-gelnagels ever seen. Bloedrood, glanzend, puntig en lang. Aha. Deze chick wilde dus even laten zien wie hier de onbetwiste nagelkoningin van de Hall of Sardines was, hahaha.

En zo keek ik ook. Triomfantelijk en geamuseerd keek ik naar haar op, in het felle licht van de Sprinter TL-bakken. Met mijn zelfingenomen bekkie (ik ben inderdaad niet afgunstig maar soms wel uhm zelfingenomen? Nee ook niet, maar is even leuk voor het beeld nu), liep ik soepel langs haar afgunstige aura heen. Met opzet tikte ik nog even heel parmantig mijn neusje aan met mijn gruwelijkgoedgelakte nagels, en daarna wandelde ik de trein uit op Rotterdam CS. Ik geloof dat naast afgunst, totale geshockeerdheid haar ten deel was gevallen. Don’t envy people, just don’t. Er is al genoeg lelijks op de wereld. Kies zoals gezegd gewoon een fijne hobby. Ga breien, ga koken voor vluchtelingen, ga voor het Guiness Book of Records nagellakflesjes stapelen. But don’t envy.

Het Aapje Loert. Aflevering #5: Treinstel 2956

‘Mijn lichaam ging doenk.’ De Sprinter stopt in Capelle Schollevaar. Drie stations gehad, nog zeven te gaan. Bij een vrouw met marktvrouwstem ging het licht uit. ’Doenk’ was het woord ter illustratie van haar medisch geïndiceerde knock-out. ‘Wat erg’, roept haar treinvriendin. Ze stappen uit. Een zucht van verlichting gaat door treinstel 2956 als de Sprinter met ritnummer 4022 weer optrekt. Een Sprinter vol slaapstandzombies die een poging doen de schijn van enige activiteit te simuleren. Ik zie laptophanden, krantenhanden, gevouwen, lege handen. Veel forenzen moesten in Rotterdam rennen voor deze trein, maar liever lurkten ze nu aan kioskenkoffie. De verslagenheid op de vale gezichten is groots.

In Woerden stapt een mevrouw in met een stuk roodkleurig gedrapeerde gordijn bij zich. Het blijkt haar rok te zijn. Mensen kleden zich serieus slecht in de ochtend. In de stoelenformatie schuin voor mij leest iemand al tien minuten pagina 3 van de Metro editie Rotterdam. De hele buitenste rij van de Sprinterstoelen in treinstel 2956 wordt bevolkt door jasje petje-gasten. Ze kijken doodop doods het gangpad in. Het zijn MTV EMA roadie-look alikes.

Ik wil de vrouw aantikken die nu al een kwartier bezig is met de Metro editie Rotterdam. Ik wil haar zo vreselijk graag vertellen dat de postbodetas die ze om heeft hangen, verboden zou moeten worden vanaf de dag dat ‘ie van de fabrieksband rolde. In plaats daarvan volgt een epische allergieattack vanwege de never nooit gereinigde stoffen Sprinterfauteuils. En zoek ik naarstig naar mijn drielaags-papieren zakdoekhulptroepen. De vrouw is gered van mijn vernietigende advies. En wij allebei van een ongemakkelijke treinreis. Een zeeblauwe leren portemonnee met mal bultjesreliëf steekt wulps uit een jaszak van een vrouw schuin rechts voor mij. De blauwe potvis is zeer geschikt om gestolen te worden door een zakkenroller uit het B-circuit. De vrouw heeft haar natte haar in een Spartaanse knot gedraaid. Binnenkort sterft haar haardos van knellende ellende. Wie een haarsadist is verdient gerold te worden.

De coupé is volledig in zwart gedompeld:
zwarte nylon rugzakken
zwarte suède pistol booties
zwarte 15 denier panties
zwarte cardigans
zwart brilmonturen
zwarte overjassen
zwarte mascara everywhere.

Ik raak de tel kwijt en ik weiger pertinent in deze mistroostige depressiekuil te vallen. De winter is schijnbaar één grote rouwperiode voor treinprovincialen. Behalve voor mij (en gordijn en potvis). Tevreden kijk ik naar mijn perzikrode Clarks. Voldaan bijna. Alsof ik net van een overdadig ontbijt met American pancakes, verse eitjes en pruttelende koffie vandaan kom, versus de rouwstoet die net een plak droge fabriekscake heeft moeten wegtijgeren met slootwaterkoffie.

Zwart broekie, blije Clarks.

Zwart broekie, blije Clarks.

Aan de voorbijschuivende grijsbruine viaductwanden te zien, naderen we station Abcoude. De Sprinter remt af. Ik hang mijn AMC-badge om met een overwinningsglimlach. Als we straks Abcoude verlaten, tik ik over precies drie minuten na nu, station Holendrecht aan. Blij dat ik geen gordijnen draag. Opgelucht dat ik geen postbodetas-fetisj heb. Ben ik fier op mijn blauwe mascara in de wetenschap dat er geen lelijke potvis in mijn kontzak steekt. Mijn haardos ademt frank en vrij sans elastiek, ondanks mijn hooikoorts.

Maar het allerbelangrijkste is dit: Holendrecht is in zicht, de eindsprint is gehaald. Het licht gaat bij mij nog lang niet uit.