Ik schrijf, you listen. Capisce?

Van de week las ik een nieuwsbericht over een debat slash discussie dat al langer in NL wordt gevoerd: de verengelsing van het onderwijs, en dan op de uni’s in het bijzonder. De Vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON) daagde de Universiteit Twente en Maastricht University en de Onderwijsinspectie voor de Utrechtse rechter. Voor het teveel aan Engels in de collegebanken, en de inspectie voor het niet goed handhaven ervan.

Ik snap de angst van BON deels. Want Nederlands is een prachtige taal dat het natuurlijk niet verdient om onderdrukt te worden door een foreign language. Kijk, daar heb je het al. Het Engels is ook al geïnfiltreerd bij Het Aapje. Het klopt als een bus dat ik in mijn blogs veel Engelse slang gebruik. Het klopt gelukkig ook dat we in een free country leven, dus is het mijn goed recht dat te doen. Maar daar gaat het hier even niet om. Het gaat niet om het recht, maar het warum ik er zo dol op ben. Het zit zo. De Engelse woorden en uitdrukkingen die ik vaak gebruik vallen allemaal in de categorie gevat, sexy en brutaal. Precies het jargon dat mijn manier van vertellen zo goed ondersteunt of extra aanzet. Daarom. En als je die taalbrille al niet van jezelf hebt -sorry voor deze bash- dan is het ook nog eens allemaal gratish en voor niets van sociale media te jatten. Volg de mediaplatforms Vice en Ballinn’ op Facebook een tijdje (of überhaupt sociale media), en je krijgt enigszins the hang of it. Over hoe of dat het werkt. Oh ja, vlak vooral niet de comments uit onder een willekeurige post. De genialiteit van instagrammers, reaguurders, tweeps en trollen overtreft vaak zelfs míjn talige brein. Maar waarom gebruik je daar dan niet gewoon degelijke Nederlandsche woorden en uitdrukkingen voor, Ramona Maramis? Daar kom ik zo op terug.

Mijn routine om Engels in mijn dagelijkse vocab te gebruiken gaat way back terug naar mijn studententijd. Een clubgenootje van mij was expatkindje. Daardoor husselde zij sowieso veel Engels door haar Nederlands. En omdat ik ook in het buitenland heb gewoond, vonden wij elkaar al snel in die gemixt tapete taal van NL en ENG. Tel daarbij op dat ik als televisiejunkie ontelbaar veel Engelse series en sitcoms heb geprocessed, en je creëert vanzelf een heel soepelwerkend internationaal ingesteld stuk brein dat je taalvermogen regelt. En ok ok, het is ook allemaal niet helemaal eerlijk: ik ben geboren Alfa. Was als kind al niet bang voor het husselen van letters en woorden. En de totaal verrassende uitdrukkingen die dat grammaticale proces dan weer opleverde. Daarnaast en daarnaast en daarnaast (ja mensen, opzettelijk maal drie) studeerde ik ook nog eens Communicatiewetenschappen met Engelse Taal & Letterkunde als propedeuse, en daar ga je eigenlijk al.

Sommige vrienden en bevriende taalpeoples vinden mijn liberale gebruik van Engels in onder andere mijn blogs superhinderlijk. Ik niet. Ik ga uitleggen waarom. Het mixen van talen is juist het bewijs dat ik in het bezit ben van breingenialiteit. En daarmee in staat ben mensen te entertainen met mijn bijeen gekluste woordenschat. Ik switch met finesse tussen het ABN en Amsterdams, of tussen Gronings naar Rotterdams. Of naar het Indonesisch zo je wilt. Daar kan ik ook een aardig moppie van opzetten, eventueel in de mix met Nederlands, stukkie Menadonees dialect en Engels, om het weer leuk te pimpen. Voel je de taalrijkdom al? Het mixen levert een soort zomercarnaval aan uitdrukkingen op. Elk woord in die specificieke taal krijgt de betekenislading die het verdient, óf wordt in combi met een andere taal juist in een verrassend daglicht gezet. Daar heeft elke luisteraar-lezer weer plenty plezier van en dat allitereert weer lekker. En while I am writing this, snapt iedereen waar ik het over heb. Nou dan.

Dus. Ik snap de bezorgdheid van BON-peoples deels. Ik snap dat je je moerstaal moet koesteren, het liefst met een rood-wit-blauwe strik eromheen. Want laten we heel eerlijk zijn, als je de gezelligheid van de Nederlandse taal niet kunt waarderen, wat voor pannenkoek ben je dan.

Ook snap ik dat we op onderwijslevel echt moeten kijken naar in hoeverre (volledige) Engelstalige colleges relevant zijn ja of te nee. Maar other than that: suck it up peoples. Zie het als rijkdom, als gevarieerdheid in de manier waarop homaans zich kunnen uitdrukken. Taal is iets ontstellends moois en krachtigs. Laten we er vooral niet ongezellig over doen. Mondje open als je wat wilt zeggen. Kun je dat in meerdere talen tegelijk, helemaal mooi. Mondje dicht als je een taalhooligan in je haarvezels bent en dus niks te vertellen hebt. Bij Het Aapje is geen ruimte voor zure peoples, capisce? ‘Word!’ zeggen jullie dan.

Hello and Goodbye Professor Zonnebloem

Wat een keloel lately over het onderwijs in NL. Vroegselectie my ass. Met HAVO/VWO-advies op zak deed ik als brugklasser, nota bene in Jakarta, mijn eigen assessment en besloot eigenhandig om een niet voor de hand liggende richting te kiezen. Dat niet goed uitpakte. En toch ben ik supergoed terechtgekomen. Ik leg het uit.

Mijn toekomstige carrière (in de communicatie) was al voorbestemd toen ik zes jaar oud was. Op de 2e Amstelveense Montessorischool verslond ik taalboekjes alsof het spekkies waren. Over mijn Montessori-indoctrinatietijd later meer. Ook op mijn katholieke middelbare school, Tarakanita I Jakarta, was ik King of the Hill in taal. Proefwerken Engels en Duits haalde ik slapend. Voor Bahasa Indonesia schommelde de cijferbuit tussen zevens en achtens. Niet gek voor een Belandameisje met een Indonesische taalachterstand (ben een jaar blijven zitten hierdoor). Een eigenaardige Indische kaaskop die analfabeet haar eerste taalles binnenkwam. En ‘Hallo nasi goreng en kroepoek’ op het schoolbord kalkte op de vraag of ik mezelf even wilde voorstellen.

Enfin. We kregen ook schei- en wiskunde. En sterrenkunde. Machtig boeiende vakken waarmee je later professor Zonnebloem kon worden. Helaas, ik snapte er de ballen van. De logica van basisformules ging er nog wel in. Maar van elke schijnbeweging in functie- en formulereeksen ging ik steeds opnieuw een stukje kapot van binnen. Niet omdat ik het eng vond, maar ik baalde dat ik het niet in m’n vingers kreeg. Scheikundige proeven doen vond ik trouwens geweldig. Van scheikundesommen maken kreeg ik echter maagperforaties. De proefwerken Engels en Bahasa waren de troostende Sesamstraatpleisters op de gapende Bètawond. In Geschiedenis was ik trouwens ook heul goed. In plaats van stampwerk, maakte ik er epische verhalen van in mijn hoofd. Vervolgens schreef ik de hele zooi met flair uit, afgetopt met die eindeloze reeks jaartallen waarin koninkrijken en generaals sneuvelden.

Het alfazaadje was zoals gezegd al vroeg geplant: een taalverslindster was ik. Een kleine keizer in verhaaltjes schrijven, dat ook. Des te oeniger werd ik in rekenen. Thanks to Maria Montessori. Haar befaamde onderwijssysteem was deels geschikt voor mij: voor mijn vrije talige geest was het walhalla, heaven, Unicornland. Voor de ontwikkeling van complexe inzichten (wat rekenen toch wel een beetje is) had La Montessori een verwoestende uitwerking. Terwijl mijn hersenkwab dat eigenlijk best had kunnen processen. Er werd alleen totaal niets mee gedaan. Niet geprikkeld, niet gepord. Tot zover het Montessorisysteem. Met een deels luie, ongetrainde hersenhelft gecombineerd met een opgepompte taalspier, vinkte ik de basisschool af en was ik klaar voor de middelbare school. Mijn juf schreef nog het volgende in mijn rapport: ‘als Ramona beter was in rekenen, dan had ik haar VWO in plaats van HAVO/VWO-advies gegeven.’ Prima. Dubbelplaatsing of niet, ik ging hoe dan ook toch naar het Montessori Lyceum in 020 (dat werd het niet, want ik verhuisde naar Jakarta).

Back to Tarakanita I. Inmiddels was ik brugpieper af, en kon ik kiezen uit twee richtingen: A1 (Exact) A2 (Sociaal). Beide richtingen hadden maatschappijleer en Bahasa. A1 had wiskunde, biologie en A2 had geschiedenis en geografie als extra. Ik dacht toen een briljante ingeving te hebben, namelijk deze: mijn Alfa-hersenhelft was al bovenmatig ontwikkeld. Kom, laat ik eens even mijn krukkige bètahersens aan het werk zetten en voor A1 kiezen. Ik ging dus voor de ultieme shocktherapie. Hup, met m’n smoel in de vuurlinie van formules en variabelen staan. Kom maar! Kom maar! Kom maar! En zo geschiedde. Waarna een driejarige ramp zich voltrok. Want ik bakte er natuurlijk helemaal niets van. Had wel enorm veel bewondering voor exacte vakken. Maar ja, daar redde ik de wereld natuurlijk niet mee. Adoratie voor het vak (!). Toch vond ik mijn keuze destijds best stoer. Want nu kan ik zeggen dat ik er zelf bewust voor koos. Een Veni, Vidi zonder Vici. Ik blijf een avonturier. Stap altijd nieuwsgierig in werelden die niet de mijne zijn. Waar hebben we die eerder gehoord. En uiteindelijk is het alsnog goed gekomen. Ik ben Alfa gebleven. Een Alfa met een dikke A.