Het Kantooraapje Huilt

Voor J.

Ik was als een puppy, nieuw op de HR-afdeling in het Metropolitan ergens in april van dit jaar. Beetje onwennig zoals dat altijd gaat bij een fonkelnieuwe baan. En tussen al die kennismakingsgesprekken, handjes, mails en eerste koffieautomatenkoffie-units wandelde jij opeens over de gang. Beetje voorovergebogen in roze overhemd, beige chino en rugzak. Je zei iets tegen een collega in vet studentikoze borrelpraattongval. Twee zinnen produceerde je. Twee zinnen en wat gemurmel, maar god wat klonken ze al geestig en geleerd tegelijk. Met jou wilde ik meteen vriendjes zijn.

Ik liep die week daarom meteen je kamer binnen omdat ik de perfecte haak had gevonden: als import-Rotterdammert hoorde ik van je Feyenoord-seizoenskaart. En dat je frequent naar Roffa toog met je zoon om dat stelletje brutale apen te zien voetballen. Een gesprekje van niks dat meteen vertrouwd aanvoelde. Daarna ging het snel: Facebook, Instagram. Vanaf nu waren we voor altijd verbonden. En schonk je me een inkijkje in je mooie gezin. De caravan, de bierselfies en het Bospopfestival dat je bezocht met Charlotte, je vrouw. Op je tijdlijn veel foto’s van een glimlachende mooie dochter en knappe zoon. Met precies datzelfde schalkse bekkie als hun vader.

Ik was nog maar net koud een paar weken binnen en voelde me nu al bevoorrecht kennis met je gemaakt te hebben. En het werd hélemaal feest toen we werktechnisch óók met elkaar te maken kregen. Nog nooít was ik zo vlakbij een wandelende arbeidsrecht-enyclopedie gekomen, nog nooit. En altijd probeerde je je kennis en kundigheid kleiner te maken met je inmiddels handelsmerk-geworden gemompel: ‘ja ik roep ook maar wat, niet gehinderd door enige kennis want ik ben natuurlijk ook maar een ouwe lul.’ Dat werk. Dat was jij Joop, 100%.

Wat ben ik blij dat ik vriendjes met je ben geworden Joop. Want je blijkt veel gemeen te hebben met mijn pa, realiseer ik me nu. De borrelpraat, je uitzonderlijke sociale vaardigheden, je vakmanschap, je oneindig geweldige gevoel voor humor. We zouden naar de film gaan, Borg McEnroe. Over hun epische Wimbledonfinale in 1980, weet je nog? Wíj allemaal hadden nog grootse en mooie plannen met jou Joop.

Deze puppy is in 1 dag in één klap volwassen geworden.

Dit stuk is opgedragen aan de beste arbeidsjurist die de Vrije Universiteit Amsterdam ooit heeft gehad. En aan de collega met het beste shirt ooit (qua print) – Amsterdam, 9 oktober 2017.

VUVUVOOM!

Sinds vorige week mag ik mezelf werknemer van de VU noemen, opgenomen in de grote familie der VU-kipjes*. In rap tempo heb ik het standaard inwerkrepertoire afgevinkt: jaarplannen, afdelingsplannen, cms, online personeelsregistratie. Als dit taarten waren geweest, dan had ik me nu officieel doodgevroten. Zo’n eerste week doet wat met je, het is intens. Maar vooral heul leuk, die nieuwe werkplek van me. Ben stiekem wel een beetje verliefd aan het worden. Dat komt omdat mijn entree Amsterdam Zuid is. Op het stationsplein moet ik me dus eerst invechten in de jasjes dasjes van de heren bankiers en advocaten die regeren op de Zuidas. En snijd ik uiteraard de pas af van chagrijnige dames vice presidents in hun Karen Millenpakjes en Prada high heels. Als midget zit ik namelijk continue in hun dode hoek. Vind ik leuk. Enfin. Zo’n 300 meter achter deze spiegelglazen kantoorkolossen van het grote geld, staan de VU-campus en VUmc mij tegemoet te shinen. Vastgoed waar in naam van de wetenschap belangrijke dingen worden gedaan. Misschien ook wel onderzoek naar Le Bankensector The Sequel?

Wat ik meteen al boeiend vind is de campus. Daar heerst serieus een superontspannen sfeertje. Hier lopen studenten en wetenschappers met een bepaalde attitude: chill, open, rustig. Maar ook heel opgewekt en positief. Ik vond het tijdens mijn studie op mijn Letterenfaculteit soms zo grauwig. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik mezelf de hipste vond tussen die Neerlandistiek-gekkies en studenten die onmogelijke studierichtingen als Algemene Taalwetenschap volgden. Maar we dwalen af.

Ik voel de filosofie die de VU-grondleggers voor ogen hadden én hebben, letterlijk door de campus stromen. De VU als centrum van de wetenschap met een open cultuur en sterke ‘sense of community’ waar alle nationaliteiten zich welkom en veilig voelen. En normaal ben ik niet zo van de Feng Shui en die inclusiviteitsmarketing, maarrrr hier moet ik toch echt concluderen: it works works works works works. Eerlijk gezegd heb ik nul benchmarkmateriaal wat campuslife betreft. De Rijksuniversiteit Groningen kent immers geen campusstructuur. De oude klassieke studies zoals Rechten en (mijn studie) Letteren staan bijvoorbeeld in de oude Groninger binnenstad. De bêtafaculteiten ver weg van het centrum. Overigens komt het AMC, mijn vorige werkgever, aardig in de buurt van een campus. Met het academisch ziekenhuis en geneeskundefaculteit onder 1 dak. Alleen is hier het personeelsbestand vrij homogeen in doelstelling: alles en iedereen werkt er in naam van de medische wetenschappen.

Op de VU-campus is het diversiteit troef. Niet alleen in het studentenbestand maar ook qua studieaanbod. Hier worden studenten onder andere klaargestoomd tot theoloog, advocaat, pedagoog en neurochirurg. Bezinning, rechtsbijstand, jeugdonderwijs en zorg. Allemaal mensen die nodig zijn in civil society, om de ‘kleyne luyden’ te helpen waar mogelijk. Precies zoals VU-founding father Abraham Kuyper het allemaal bedoelde. Prima. Ik ga in elk geval wel lekker op den campusvibe. Deze VU-kip goes vuvuvoom!

*) VU-kip is de bijnaam voor de blauwe griffioen (hybridisch fabeldier half leeuw, half adelaar), het logo van de VU.

Het Aapje heeft de ziekenhuisblues

Ik loop graag rond in werelden die niet de mijne zijn. Bijvoorbeeld de wereld van medische mensen. Ziekenhuizen, ik hou er zo van. Niet dat ik een morbide taste heb voor zieke mensen. Het gaat mij om iets anders: de klinische geur van een ziekenhuis. Dat zit sinds mijn kindertijd in het collectieve geheugen. Ik had met mijn longonsteking-bronchitisdingen namelijk een abonnement op het ziekenhuis in Amstelveen. Mijn eerste opname was vrij snel na mijn geboorte. In rap tempo droogde ik uit tot een rozijntje. Ik was zes jaar oud toen ik met een zware longonsteking op de quarantaine-afdeling belandde. En de laatste keer dat ik als kind de klapdeuren van een ziekenzaal aantikte was ik geloof ik acht. Na een logeerpartij van twee weken werd ik uitgezwaaid door de specialisten: ‘da-hagh Ramona, en nou niet meer terugkomen hè!’ Met lamme bovenbenen vol beurse plekken van de ontelbare penicilline-prikken, omringd door die sterke hospital-odeur, verliet ik het ziekenhuis voorgoed.

Tien dagen geleden was ik voor het eerst in het AMC in Amsterdam. Twaalf jaar geleden lag ik op de IC van het VUmc, dat andere grote academisch ziekenhuis op de Zuidas. Ik brak na een jaarclubkerstdiner mijn linkerdijbeen. Mijn bot als een dik potlood in tweeën geknakt na een vrije val van een binnentrap. Maar goed. Ik ging die vrijdag dus naar het AMC voor een werkafspraak. Vanaf metrostation Holendrecht zag ik een soort Berlijnse Muur opdoemen. Het AMC als een gruwelijkgrauwe betonnen kolos dat heftig naar een stuk of honderd hogedrukspuitsessies snakt. Of doe maar niet. Want de grauwigheid blends perfectly met de rest van Bijlmer Betondistrict.

Eenmaal binnen wachtte mij een enorme verrassing: een megagroot overdekt, lichtdoorlatend binnenplein. Dat plein gekoppeld aan een labyrinth met gangen naar de verschillende verpleegafdelingen en OK’s. Veel gezellige bedrijvigheid langs de plinten. Een AH To Go, een kapper, AKO, de Starbucks, een Rituals (omdat de patiënt anno nu je acuut gaat dissen als je durft aan te komen met zeepkettingen van de Action). Ik voelde hier de energie. Van herstellende mensen, van helende mensen. Van mensen die het niet gered hebben. Leven, dood, alles.

Maar ik vond vooral de mix van deze community intrigerend. Strompelende patiënten met infuus als statement-accessoire. Bezoekers met wallen tot aan hun middenrif. Zwijgend aan de koffie, herstellende van een nacht doorhalen. Hoopvol wakend over dierbaren die op morfineshots liggen te ijlen in hun IC-ledikanten. En vooral heel, heel veel witte jassen. Jongens en meisjes met co-schappenswag. Gearriveerde dames en heren-artsen en specialisten die vooral heel, heel knapzak zaten te zijn. Ik voelde me heel, heel happy als figurant op deze filmset van Grey’s Anatomy van de Lage Landen. Ik voelde me, tezamen met die o zo vertrouwde ziekenhuisgeur, 1000% thuis.

Negenduizend peeps werken er in het AMC. 24/7 draait dit academisch medisch centrum op mensen die stinkend hun best doen om mensen beter te maken. Om een beter leven te schenken èn te gunnen aan patiënten die zichzelf niet kunnen fixen. Ook werken hier mensen die al die hardwerkende medici een werkomgeving bieden, op zo’n manier dat ze hun werk goed kunnen doen. Dat zijn ook ongelofelijk veel mensen. Van schoonmakers, blije receptionisten, IT tot HR. Een machtig mooie organisatie die draaiende wordt gehouden aan de achterkant door allerlei complexe systemen. Zodat aan de voorkant, de specialisten, artsen en het verplegend personeel zorgeloos hun ding kunnen doen. Mensen beter maken. Of, van zieke mensen op zijn minst een betere variant maken op de hoopjes ellende die ze nu zijn. Oh oh AMC. Jij laat mijn oude 020-hart alsnog sneller kloppen. Wat tof om bij je geweest te zijn, ook al was ik niet ziek.

*Sinds donderdag 2 juni ben ik interim communicatieadviseur HR bij het AMC. Yeah!