Westsidezooi

De West-Kruiskade. Ik weet. Ik heb er al een paar dingen over geschreven. Het is ook makkelijk scoren als je er sinds een jaar slechts twee koprollen vandaan woont. Zo schreef ik eerder een blog over mijn zachtaardige huisarts die veel (junks en prostituees) in zijn praktijk voorbij heeft zien komen. En eentje over de West-Kruiskade zelf als onneembare vesting vol B-circuit straatgasten met hun leleke bakken. Een straat waar het de hel is voor fietsers zoals jij en ik. Over de snackbar om de hoek die een heel slechte kopie is van Kentucky Fried Chicken (door de slogan en look&feel letterlijk te kopiëren). Waarvan de Hindoestaanse eigenaar met priemende ogen nietsontziend over zijn nep-Kentuckytoko waakt. Zelfs de klanten die antisociaal gedrag vertonen eten hier eerbiedig en rustig hun kippetje op.

Van de week liep ik weer door mijn multiculi (ik haat dit woord) hindernisbaan. Voorbij een bakfietsmama die twee plastic Aldi-shoppers XL aan knusse weekendboodschappen had ingeslagen. Voor een bedrag waar de gemiddelde Westkruisert een maand of twee op moet teren. Voorbij een groepje Turken en Surinamers, waarbij een potige Surinamer een pokdalige Turk in houdgreep op de grond hield. Ze hadden ook publiek: een Turkse papa die het redelijk opgefokte stelletje gadesloeg, met een baby met porseleinkleurig gezichtje op de arm. ‘Hij doet agressief, bedreigt personeel met mes’ hoorde ik nog net in de BBQ-walm toen ik langszij dit sterk staaltje burgerplicht mijn weg vervolgde. Nog geen twee deuren verder geniet een vader en zijn blondekrullenkind op een bankje van een ijshoorntje bij ijsboer de IJssalon.

Wat langzamer –want ze zijn met veel-, loop ik voorbij een groep Chinezen die hoogstwaarschijnlijk door de Lonely Planet afdeling China naar dit deel van Rotterdam zijn genavigeerd. Vooral het stuk West-Kruiskade ter hoogte van wijkpark Oude Westen en Kruisplein, is het domein van de wok, de ramen, sushi, kampongfood, massages&nail en de Oriental supermarket. De Chinese toerie’s kijken hier gebiologeerd naar hun eigen achterland. Alsof ze voor het eerst de zonnebloemen van Van Gogh zien. Ik moet me een weg banen tussen deze generatie selfie-Chinezen.

Daarna bots ik bijna tegen twee alcoholisten op. Beiden in campy jaren tachtighemdje gestoken, en beiden in het bezit van knalrode neuzen. Zo op het oog zijn de drinkebroers in geanimeerd gesprek. Hoewel lam, lijken ze in opperbeste stemming. Kan ook niet anders onder deze aangename temperaturen. De zon doet ook op de West-Kruis goede zaken. Dat is vaak ook het moment dat de ouden van dagen van verzorgingstehuis Humanitas Leeuwenhoek worden gelucht aan de straatkant. In te ruime pakken zitten tengere, grijze Surinaamse mannen, verschrompelde vrouwtjes met kleurrijke jurken en grote zonnebrillen te keuvelen in Antiliaans op de houten bankjes, hun bewogen leven overdenkend. Leeuwenhoek is zo’n verzorgtehuis dat ‘midden in de samenleving’ staat. De houten bankjes worden vaak geconfisqueerd door hangjeugd, verdrietige jeugd, opgefokte stelletjes, junks. Al dan niet in gesprek met de inwoners die eigenlijk nog het meeste recht hebben op die chillbankjes. Maar dit is ook mooi, alles voor de ‘midden in de samenleving’-propositie. Ten minste, als alles goed gaat en het niet uit de hand loopt zoals daarnet, met die Turk en Surinamert.

De West-Kruiskade. Ik raak er niet over uitgepraat. Hoeft ook niet. Als ik er niks meer over heb te vertellen dan is het pas goed mis. Dat betekent namelijk dat deze kapotlevendige buurt in non-descript verval is geraakt.

En dan, als ik weer terug naar huis wandel, komen ze in mijn blikveld. Ik weiger er eigenlijk foto’s van te maken. Voel me dan zo’n buurttoerist. Maar ik doe het toch. Een feauteau van de prullenbakken die speciaal voor de West-Kruiskade zijn gemaakt.

Bananenschillen, apenkool, hup die bak in.

Bananenschillen, apenkool, hup die bak in.

Zooi als synoniem van de teringzooi die de West-Kruiskade ooit was. Zooi als synomiem voor de rugzakjes waar het gros van de West-Kruispassanten- en bewoners hun hele leven mee rondzeult. Vol moeizame verhalen en rijke anekdotes. Hoe een prullenbak symbool kan staan voor een hele wijk. Kan ook alleen hierzo op de West-side.

Blog over mijn toffe huisarts lezon? Hierrr issie.

En hier mijn blog over hoe niet tof fietsen op de West-Kruis is. Dan weet u dat.

Het Aapje heeft beef met de Westside

Het is officieel: ik heb de oorlog verklaard aan de West-Kruiskade. De straat die mij vanaf de cribs het snelst naar mijn andere opdrachtgever, Poetry International, brengt. De straat die mij in nagenoeg één rechte lijn via de Lijnbaan naar de Koopgoot lokt. Maar teringtyfus (sorry mensen, het zit me hoog) wat is dit een nare straat om te fietsen. Mag van mij het predikaat ghetto of all bikelanes dragen. Met het verschil dat je niet door een .22 wordt neergeknald, maar door narcistische automobilisten die rücksichtlos het portier met een brute swiep, aan de straatzijde opengooien.

De Westkruiskade. Ik heb een diepintense haat-liefdeverhouding met deze hysterische binnenstedelijke verkeersader. Lobi voor de aromatische toko’s, Turkse deli’s, sushibars en chinese nagelsalons aan beide kanten van deze haatstraat. Haat aan de laden-en lossensjappies en muffe sedans met vage lieden erin die denken dat ze king of the hill zijn. Gedragen door pompende dancehall, snijden ze harteloos de pas af van de argeloze fietser. De fietser die evenveel recht heeft om daar te zijn. Maar deze Westside jackasses erkennen dat recht simpelweg niet.

De West-Kruiskade, thuisbasis van 146 verschillende nationaliteiten heeft een kapotslechte relatie met de fietsende Rotterdammert. Want hier wordt niet gefietst, als het aan deze lieden ligt. Omdat de meesten zich profileren als aartsluie en ijdele arie’s (ja, U leest het goed, the monkey is boos). Allemaal bang dat hun kapsel door een gezond Hollands briesje voorgoed wordt vernield. Hier wordt geflaneerd in patserbakken die niet zouden misstaan in willekeurige pornofilms uit het B-circuit. De Westkruis. Als ik er fiets, dan is het vloekend. Of middelvinger in de lucht stekend. Of allebei. Omdat je heel, heel vaak moet uitwijken naar de autobaan. Omdat auto’s zonder knipperlicht opeens voorsorteren naar rechts. Of gewoon stoppen. Of al die idioten die vanuit parkeerplaats invoegen zonder mededeling. Echt fakking gevaarlijk. Ik ben gelukkig gezegend met een pijlsnelle reflex en grote ogen. Maar toch. De stoep is mijn back up als het me te gortig wordt. Dan maar beef met peoples op de stoep. Screenshot_20170501-232536

De Westkruiskade. Ik zou er bijna weer voor in de gemeenteraad willen. Om deze enorm hinderlijke straat te restylen naar Power to the Bikers (is Rotterdam wel al mee bezig, maar het moet sneller beter). Of rigoreuzer: acuut naar 020 terugverhuizen. Dé stad waar fietsers het ten minste voor het zeggen hebben. As it should be.

Hoe Het Aapje de binnenkant van een Rotterdamse stoeptegel ontdekte

Fietsen in Rotterdam wil ik per se doen met de Amsterdamse flair die ik nog steeds in mijn genen meen te hebben. Het dient geen enkel doel en het slaat ook nergens op. Maar we leven in een vrij land dus daarom. Dat betekende dat ik vorige week boodschapjes fietsend afvinkte in dowtown Roffa, gehuld in een strapless maxidress. Eerste honk was de Action op de hoek van de Westblaak en de Karel Doormanstraat. Dat ging zo. Eenmaal uitgewinkeld, slinger ik soepel mijn volle Actionshopper aan het stuur. Ik spring op de fiets. Vanwege de disbalans, val ik zijwaarts op de stoeprand. Komt ook omdat een stuk van mijn maxidress tussen de spaken is gedraaid. Op dat moment leek het alsof op elke stadsmuur en etalageraam ´niet janken maar poetsen’ stond. Ik trek m´n pruillipje in en fatsoeneer mijn tote bag-schoudertashengsels. Die zijn verstrikt geraakt tussen mijn stugge balayagelokken, muhu. Ik punnik mijn zomerjurk uit de fiets, veeg een likje spuug over mijn knieschram en hang nonchalant de shopper opnieuw aan het stuur, de tote bag aan de andere schouder voor de juiste balans. Dit keer een tikkie minder bijdehand, wel een stuk bedachtzamer. Rotterdam is niet zomaar onder de indruk. Van niemand niet. En zeker niet van fietspopje met een veelste moeilijke jurk aan.

Het tweede wegincident is bij de Meent, als ik van de Haagseveer over wil steken naar de Hoogstraat. Strakglimmende bolides worden door onduidelijke omleidingen in een fietsfuik gestuurd. Ik wurm mezelf tussen de auto´s in. En nu zijn de Rotterdamse Max Verstappens wél onder de indruk, in de zin dat ze annoyed raken. Bijna verdwijnt mijn voorwiel in de achterwielen van een achteruit rijdende Smeg-zwarte Mini Cooper. De maffiabril van de bestuurder verhult de helft van zijn irritatie. Ik, de hellefietser, mag van hem Reviaans ‘gewoon dood´. Ik fiets door naar station Rotterdam Centraal. Daar koop ik een kadootje bij de Feyenoordshop. De balie is imposant zwart en imposant hoog. Acht centimeter hoger dan ik. Ik vraag aan de kassadame of ik wel op ok heb gedrukt bij de pin. Hilariteit alom. Dit kassafort simuleert de perfecte tweedeling tussen het voetbalbestuur en de fans. Feyenoord mist al zestien jaar de aansluiting met de Champions League. Deze kassadoodskist helpt niet, maar wat boeit het ook.

Rotterdam de grote stadsaap die volledig zijn eigen gang gaat. Ik besluit mijn fiets te laten staan voor een wandeling door de rammende zon met mijn Skull Candy koptelefoon op. En direct word ik afgestraft als ik bijna door tram 4 richting Marconiplein word aangereden op de Mauritsweg, vlakbij de kruising naar de Schouwburg. Ik kan nog net het laaiende gezicht van de trambestuurder vertalen: ´pleurt een heel end op met die tyfusdoppies.’ Bij een posh cosmeticazaakje op de Van Oldebarneveltstraat stift ik, om bij te komen van de schrik, mijn lippen vol met een ordinaire Kim Kardashiankleur. Ik vind het bij mezelf beregoed staan. Maar de verkoper is resoluut en zet mij met twee zeebenen snoeihard terug op de Rotterdamse kade: ´deze kleurt doet niks voor je lippen want het loopt gewoon over in de rest van je landschap meid, echt niet doen.´

Terugfietsend naar de Henegouwerlaan, heb ik zin an een willekeurige kipsnacktest, en val ik op de Eerste Middellandstraat de Texas Chicken snackbar binnen. De muren hangen vol met vergeelde kwaliteitsoorkondes. De menukaarten met kipgerechten zijn qua naamgeving een rechtstreekse dupe van Kentucky Fried Chicken, de Amerikaanse franchiseformule, vijftig meter verderop. De eigenaar van dit kleine kiphuis is een typische Hindoestaanse ondernemer. Priemende ogen, lettend op álles wat in zijn zaak gebeurt. Voor de duvel niet bang, ook al zit zijn zaak in het hart van de West-Kruis, het ghetto van Roffa Centrum. In de zaak zitten Iraanse jongeren gedwee te genieten van hun diepgefrituurde kippen. Mijn kippendij- en vleugel smaken op zich niet slecht, maar Rob Geus zou flauwvallen vanwege de te lage frituurtemperatuur van het voedsel. Hier kom je om robuuste trek te stillen. Voor op maat gekookte vitamines ga je maar in de groentela van je koelkast wonen. Ik vertrouw op een goedwerkend peristaltisch systeem. Salmonella zou ik vrij snel uit moeten braken, wat niet gebeurde. Een paar straten verderop westwaarts op de Mathenesserlaan ontdek ik een groene oase waar half Rotterdam in chillstand looptfietstrijdt. Hier is het goed toeven, tussen panden van consulaire alllure en statige lanen. De straten verbonden door sierlijke populieren, vijvertjes en houten bruggen. Rotterdam is een borderliner. Letterlijk. Zeker als je weer terugwandelt richting West-Kruiskade. Het is onmogelijk om hier niet vastgeklampt te worden door een junk of zwerver. Een muntje heb ik altijd, een aansteker helaas niet.

Rotterdam, wat ben je indrukwekkend en mooi, intrigerend ook. Rauw en sexy tegelijk. ik beloof je plechtig de volgende keert een praktisch fietspakkie aan te trekken. En ja, ik geef het voltallige RET-personeel een rondje bananen. Als ik weer eens hinderlijk de trambaan oversteek met dolle muziek in mijn oren. Ja toch niet dan. Rotterdam de imponerende grote stadsaap en Het Aapje. Ze zouden zomaar vriendjes kunnen worden.