Gimme banana I play game

Ik en spelletjes. De relationship tussen die twee is wat ingewikkeld. Behalve woordspelletjes dan zoals Scrabble, Bananagram en Cards Against Humanity, duh.

Spelletjes dus. Soms heb ik zin en soms niet. Dat laatste meestal als al mijn vrienden er wél zin an hebben. Dan krijg je bijvoorbeeld dat een tros schreeuwende vriendinnen bloedfanatiek zit te kaarten, terwijl ik dan heel droog ernaast zit (‘Moo-hoon doe je nou mee of niet??’), al hun drankjes wegattend. Ik ben ook gekkie hoor af en toe. Afzonderings juist als het druk is. Nee, is niet gekkie, Het is de observator in mij. Ik ben een beelddenker en zie en hoor dan dingen. Vind ik leuk. Daar komen dan weer spoken words van die je tot in de lengte van dagen bij zullen blijven. Dat dan weer wel.

Maar ik dwaal af. We talk about games. En afgelopen week moest ik er toch aan geloven: mijn vriend die mij voor het eerst in mijn monkeylife introduceerde in backgammon aka TrikTrak. Ik had ‘m al een paar keer gewaarschuwd, want behalve achter mijn observatiegedrag verschuil ik me ook graag achter een high schooltrauma. Iets met wiskunde en duizend formules die ik real time voor de klas in een halve nanoseconde moest oplossen. Compleet met supernasty juf, niet normaal. Ze kneep in mijn arm telkens als ik een foute berekening maakte. Drama. Het werd gewoon blakka voor mijn ogen. En de formules werden dikke soep in mijn brein. Hopeloos. Kijk, lullen en schrijven kan ik als de beste. Maar iets uitrekenen no waayyy. Maar wat heeft dat te maken met spelletjes, Aapje? Nou, indirect alles. Als iemand mij iets uitlegt, in de trant van ‘als ik die dobbelsteen gooi en drie zetten doe, wat gebeurt er dan?’ Dan zeg ik: ‘ja uhhh weet ik veel, niks?’ Dat komt dus door die wiskundige terroristische aanslag op mijn hoofd. Ik sla dicht bij elke vraag wat om cijfers, logica en tactiek gaat. Mijn bovenkamer lijkt dan op een huis dat net is leeggehaald. Geen bank om op te chillen, geen voedsel om te snacken. Ik kan niks aan elkaar tweaken in een lege ruimte, toch? Daarom. Again, vrij hopeloos. En niemand die dan vraagt: ‘Ramoon, maak jij daar nou eens een mooi woordensoepie van’. Helemaal fucking niemand. Cijfers die dominant gaan zitten te doen. Zo oneerlijk.

Terug naar TrikTrak. Met het geduld van een sexy engel (maar met het fanatisme van een sporter want CIOS-achtergrond) loodste boyfriend mij door het spel heen. Wat de eerste helft betreft ging dat nog best smooth, al zeg ik het zelf. Nou vooruit confession, ik wilde stoer doen naar vriend. Dus zonder vakjes te tellen de stenen op de juiste plek leggen en keihard weigeren om de dobbelsteen om te draaien maar snel in mijn hoofd proberen te tellen, dat werk. Maar toen de stenen eenmaal aan de overkant lagen en dus het moment suprême was aangebroken om je stenen te ownen en zo snel mogelijk uit het spel te spelen, werd het ingewikkelings voor mij. Waar mijn nasty wiskundejuf mijn arm allang donkerblauw had geknepen, wist mijn supergeduldige boyfriend na drie extra uitlegpogingen het triktrakkwartje eíndelijk bij mij te laten vallen. Ik begreep namelijk niet (aka ik wilde het gewoon niet begrijpen of het was gewoon al soep geworden in de bovenkamer weet ik veel heb het verdrongen), dat als je in je laatste beurt bijvoorbeeld dubbel 1 gooit, jezelf uit het spel kan spelen, ook als je nog maar 1 steen hebt liggen. Snappen jullie het nog? Nee ik ook niet.

Biertje anyone?

PS: zonder gekkigheid, a) ik vind het een superdope spel en b) Manadonezen zijn gek van spelletjes en staan ook bekend om hun fanatisme erin (dus warum ik dat gen nou niet automatisch ingeprogrammeerd heb gekregen is worlds greatest mistery bruhh).

Anyway, na triktrak krijg ik hoogstwaarschijnlijk een masterclass schaken van boyfriend. Het spel wat mijn papa mij nota bene nog wilde leren. Hij zou trots zijn geweest op mij en op mijn vriend, for sure. De cirkel is rond. Ik ben game mang.

Hello and Goodbye Professor Zonnebloem

Wat een keloel lately over het onderwijs in NL. Vroegselectie my ass. Met HAVO/VWO-advies op zak deed ik als brugklasser, nota bene in Jakarta, mijn eigen assessment en besloot eigenhandig om een niet voor de hand liggende richting te kiezen. Dat niet goed uitpakte. En toch ben ik supergoed terechtgekomen. Ik leg het uit.

Mijn toekomstige carrière (in de communicatie) was al voorbestemd toen ik zes jaar oud was. Op de 2e Amstelveense Montessorischool verslond ik taalboekjes alsof het spekkies waren. Over mijn Montessori-indoctrinatietijd later meer. Ook op mijn katholieke middelbare school, Tarakanita I Jakarta, was ik King of the Hill in taal. Proefwerken Engels en Duits haalde ik slapend. Voor Bahasa Indonesia schommelde de cijferbuit tussen zevens en achtens. Niet gek voor een Belandameisje met een Indonesische taalachterstand (ben een jaar blijven zitten hierdoor). Een eigenaardige Indische kaaskop die analfabeet haar eerste taalles binnenkwam. En ‘Hallo nasi goreng en kroepoek’ op het schoolbord kalkte op de vraag of ik mezelf even wilde voorstellen.

Enfin. We kregen ook schei- en wiskunde. En sterrenkunde. Machtig boeiende vakken waarmee je later professor Zonnebloem kon worden. Helaas, ik snapte er de ballen van. De logica van basisformules ging er nog wel in. Maar van elke schijnbeweging in functie- en formulereeksen ging ik steeds opnieuw een stukje kapot van binnen. Niet omdat ik het eng vond, maar ik baalde dat ik het niet in m’n vingers kreeg. Scheikundige proeven doen vond ik trouwens geweldig. Van scheikundesommen maken kreeg ik echter maagperforaties. De proefwerken Engels en Bahasa waren de troostende Sesamstraatpleisters op de gapende Bètawond. In Geschiedenis was ik trouwens ook heul goed. In plaats van stampwerk, maakte ik er epische verhalen van in mijn hoofd. Vervolgens schreef ik de hele zooi met flair uit, afgetopt met die eindeloze reeks jaartallen waarin koninkrijken en generaals sneuvelden.

Het alfazaadje was zoals gezegd al vroeg geplant: een taalverslindster was ik. Een kleine keizer in verhaaltjes schrijven, dat ook. Des te oeniger werd ik in rekenen. Thanks to Maria Montessori. Haar befaamde onderwijssysteem was deels geschikt voor mij: voor mijn vrije talige geest was het walhalla, heaven, Unicornland. Voor de ontwikkeling van complexe inzichten (wat rekenen toch wel een beetje is) had La Montessori een verwoestende uitwerking. Terwijl mijn hersenkwab dat eigenlijk best had kunnen processen. Er werd alleen totaal niets mee gedaan. Niet geprikkeld, niet gepord. Tot zover het Montessorisysteem. Met een deels luie, ongetrainde hersenhelft gecombineerd met een opgepompte taalspier, vinkte ik de basisschool af en was ik klaar voor de middelbare school. Mijn juf schreef nog het volgende in mijn rapport: ‘als Ramona beter was in rekenen, dan had ik haar VWO in plaats van HAVO/VWO-advies gegeven.’ Prima. Dubbelplaatsing of niet, ik ging hoe dan ook toch naar het Montessori Lyceum in 020 (dat werd het niet, want ik verhuisde naar Jakarta).

Back to Tarakanita I. Inmiddels was ik brugpieper af, en kon ik kiezen uit twee richtingen: A1 (Exact) A2 (Sociaal). Beide richtingen hadden maatschappijleer en Bahasa. A1 had wiskunde, biologie en A2 had geschiedenis en geografie als extra. Ik dacht toen een briljante ingeving te hebben, namelijk deze: mijn Alfa-hersenhelft was al bovenmatig ontwikkeld. Kom, laat ik eens even mijn krukkige bètahersens aan het werk zetten en voor A1 kiezen. Ik ging dus voor de ultieme shocktherapie. Hup, met m’n smoel in de vuurlinie van formules en variabelen staan. Kom maar! Kom maar! Kom maar! En zo geschiedde. Waarna een driejarige ramp zich voltrok. Want ik bakte er natuurlijk helemaal niets van. Had wel enorm veel bewondering voor exacte vakken. Maar ja, daar redde ik de wereld natuurlijk niet mee. Adoratie voor het vak (!). Toch vond ik mijn keuze destijds best stoer. Want nu kan ik zeggen dat ik er zelf bewust voor koos. Een Veni, Vidi zonder Vici. Ik blijf een avonturier. Stap altijd nieuwsgierig in werelden die niet de mijne zijn. Waar hebben we die eerder gehoord. En uiteindelijk is het alsnog goed gekomen. Ik ben Alfa gebleven. Een Alfa met een dikke A.