Sterren&Bananen aflevering #2: Falafelbowlingballen en strafrechtravioli

Bij een versgebakken nieuw jaar hoort, nog in tamelijk brakke toestand, het afstruinen van horecatentjes die ernstig van de bucketlist moeten worden afgevinkt. Rotterdam is een dramastad daarvoor, want elke dag wordt er wel een tent vertimmerd waar je ‘beste koffie’ en ‘de lekkerste sandwiches’ kunt wegtijgeren. Nja. Het is hysterisch als je bedenkt dat het over koffie en brood gaat. Spullen waar niemand de wereld mee gaat redden.

Anyway. Lot&Daan, een lunchtent in de dode hoek van de Wijnhaven, vlak naast mijn alltime favorite cocktailbar Noah en tegenover hotel CitizenM, is er zo eentje. Net vorig jaar geopend en ever since jankt iedereen van happiness in Facebookreviews. Tijd voor een monkeyinterventie. Samen met twee eetgrage vriendjes Natasha en Erik bestelde ik afgelopen zaterdag hoopvol een tafel vol lekkere dingen. Een bol met kip voor E., een quinoabowl *sigh voor N., een falafelbol voor mij. En soms weet je, nog voor je je gebit in je voedsel hebt geparkeerd: kak, ik heb het verkeerde besteld, en mijn tafelgenoten het beste van de kaart. Op het moment dat de serveerster mijn witte bol met falafel-balletjes (vier stuks nog wel, hou op met me hoor!) voor mijn neus zette viel een van de falafel-units al als een soort gefossiliseerde gekrompen bowlingbal van het broodje af, en maakte het ding een ererondje op mijn bord. Dit was echt geen sappig falafelballetje mensen, I can tell you that. Het niet-verse broodje oogde ook wat schraal zo met die vier remi-falafels. Aan de donkere kleur kon ik ook al zien dat ze te lang onder de frituurzonnebank hadden gelegen. Niet sexy. Ik sneed zo’n midget bowlingbal open. Correctie: ik probéérde een balletje open te snijden maar die besloot met een lompe sprong van mijn mes weg te escapen. Zou ik ook doen als ik mislukt was. Na handmatig gepruts zag ik al waar ik bang voor was: een compleet drooggefrituurd balletje waar alle sappige blijheid uit was verschwunden. Ik huilde van binnen. En ik huilde nog harder toen ik zag dat de yoghurtsaus, jeweet, de romige friszure saus waarin falafel lekker kan borstcrawlen, hier slechts zo’n nasty culinair lepelstreekje op het brood was. Serieus, qua sausproportionering nog niet eens genoeg als dressing over de brokjes voor de cafékat die ze niet hebben.

Lot & Daan, wat doe je me aan. Ik geef je nul sterren en ook geeneens een banaan. Nou vooruit, twee voor de moeite en nog soort van tweede kans. Want zoals ik al zei, de bol met kip van Erik zag er goddelijk uit. Een royaal stuk kippenborst (?) in veel marinade. Niet geproefd maar ik zag aan Erik dat hij één werd met zijn chille bol met kip. Ik proefde vervolgens van Natasha’s quinoa-bowl en die was supersappig, met heerlijke toppings zoals ei en zalm. Hoera! En hoewel ik zelf al vet lang over die quinoaspelt-hysterie heen ben, wil ik deze de volgende keer best bestellen. Maar dan wel in een PLAT schaaltje en niet in van die onzinnig diepe drinkbakken voor chihuahua’s aka kommen waarin ze werkelijk álles serveerden. Of doen ze dat expres om die falafelknikkers op te kunnen vangen? Aight.

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Tip voor L&D: het is óf bowlen óf frituren, capisce?

Veel beter at ik de donderdag daarvoor op de Zuidas. Tussen die kantoorunits een goeie tent vinden is nogal een project. Of het is kneiterduur en niet per se lekker. Of het is average en gewoon niet lekker. Daarbij, gewoon ‘uit eten’ op de Zuidas doet geen culinaire sterveling. Voor een beetje fatsoenlijk eten in Damsko moet je eerst je postdoc halen op alle recensies van Hiske Versprille van het Parool, alvorens ergens in een fancy tent binnen de grachtengordelperiferie te belanden (en geen meter daarbuiten) omdat Hiske twintig sterren gaf voor de gepoftgelaktgesauteerde hertenfilet maar nul voor de beschimmelde amuses. Anyway, eten in Amsterdam kan prima, maar doe je niet voor je lol bij de kantoorklerkkantines op de Zuidas. Je zou bijna denken dat ze daar desserts met stukjes creditcard erover gesprenkeld serveren, zo slecht. Maar goed. Als je er werkt zoals ik en mijn collega’s, dan maak je van een nood een deugd en ga je research doen. Ik kwam uit bij Oliver’s, een restaurant/borrelhok in de plint van advocatenkantoor Baker&McKenzie. Daar loop ik sws altijd langs als ik naar the office ga, dus ik had ‘m al in mijn ooghoekjes geregistreerd. Oliver’s is een van de horecatenten op Le Zuidas die in vergelijking met de rest, aardig goed scoort in de reviews. En dat waren 100 % geen fake reviews beste mensen. Mijn tafelgenoot en ik hadden als inzet een bord eten (zij: ravioli met pastinaak, ik salade met eend en eendendumplings) en een glaasje of twee rode Portugese wijn pp. Dat werd uiteindelijk een tamelijk late avond waarbij de glazen samen goed waren voor een royale fles Vista Nova en leeggedineerde borden aan het eind. Alles klopt hier: de bediening supervlot en lief. De sfeer van het type zaliger dan zalig; een prettige hussel van brasserie en bruin café. En dan het voedsel: de eendenborstunits waren mals, de salade erbij (die vaak een soort zielige sidekickfunctie heeft) was supergoed aangemaakt en hoefde beslist geen onzeker saladeleven te leiden. Het gedoneerde hapje ravioli met pastinaak van tafelgenoot smaakte intens romig en smeuïg. Daar zou ik rustig nog een bordje van op kunnen (de volgende keer). Vijf klinkende bananen heeft deze tent verdiend. Plus twee nieuwe klantjes voor het leven.

Vorkje prikken?
De met Sterren&Bananen overladen Oliver’s.
Lot&Daan-goedvooreenbanaan. Zelfs le website is nog niet op orde. Ik zeg niks.

Maarre, wat zal ik de volgende keer voor jullie reviewen, apenkoppen?

Het Aapje Loert aflevering #8: Metro 51 & Lucy Zilverfolie

Alleen als het donderstraalt en regent. En alleen als de wind mij tegen de glazen kantoorplinten op de Zuidas kapotzweept, pas dán neem ik metro 51 naar de Boelelaan. Vanaf station Amsterdam Zuid is dat namelijk slechts een beschamend klein stukje metroboemelen. Een paar keer ademen en tops tien keer knipperen met de ogen en dan schuiven de deuren al open op perron Boelelaan. Maar liever schaamteloos in de metro chillen dan acht minuten lopend gemarteld worden door poepsjagrijnige weergoden.

Het is 9.45 uur als ik royaal buiten de spits in een zalig-lege metro 51 richting Westwijk stap. Ik blijf in het halletje staan dichtbij de deur die straks aan de andere kant opent op de Boelelaan. Ik heb dan al één keer ingeademd en twee keer met mijn ogen geknipperd. Totdat ik Lucy Ball zie. Althans, een exacte kopie van de belachelijk succesvolle Amerikaanse comédienne uit de jaren ’50. Met diezelfde loeigrote ogen en tuitende pin-up-mond, die Ball zo geweldig flex open kon trekken als ze weer eens in een hilarische scene was verwikkeld. Met het verschil dat deze Hollandse dubbelgangster in een scootmobiel zit. Het zwarte karretje is helemaal omwikkeld met aluminiumfolie. Het stuur, de armleuningen, alles stevig verpakt in zilverpapier. Daaromheen nog plastic folie, tegen de regen gok ik. Dat zilverpapier begrijp ik niet en daarom vind ik het dus boeiend. Een koosnaampje is meteen geboren: Lucy Z. aka Lucy Zilverfolie.

Ondertussen staart Lucy Z. strak voor zich uit, met haar gezicht richting de deur. Mijn deur die straks openschuift op de Boelelaan. En al zie ik haar markante gezicht slechts en profiel, ik voel de melancholie. Ogen die naar het niets staren. Dat had Lucy Ball ook weleens in haar schaars-serieuze momenten. Ik raak niet uitgeloerd. Niet alleen het scootmobiele kunstwerk van zilverpapier waarin Lucy Z. apathisch voor zich uit staart, maar haar hele voorkomen is het levende voorbeeld van stil verdriet en eenzaamheid. Haar baksteenrode (nep?)coupe is een eigenaardige mix van kroeskrullen en een suikerspin. Of het zijn plukken haar die te lang geen borstel hebben gezien. Op die verstikkende klittenberg pronken vijf schuifspeldjes met strass-steentjes die af en toe oplichten in het vale licht van metro 51. Een ekster had haar tot bloedens toe aangevallen. De vogel zou haar kapsel voor glitterende discobal hebben aangezien. Over het suikerspinkapsel is een kanten haarnetje gespannen dat meer weg heeft van een stuk antieke bruidssluier uit Lucy Z.’s weduwe-inboedel. Haar outfit is verder van het type droevig. Een vaalblauw regenjack, een grijsbruine sjaal uit de kringloopwinkel, haar donkerblauwe katoenen broek onder de vlekken. Daaronder gewatteerde skilaarsjes die ze waarschijnlijk thuis ook niet uitdoet vanwege onbetaalde elektriciteitsrekeningen. Lucy Z. begint te mompelen. De vorm van haar mond verraadt een wulpszoenend verleden. Ze zou nog best willen, gezien de hysterische vegen budgetroze lippenstift vlak naast haar mond en op de appeltjes van haar ingevallen wangen.

In het mandje dat aan haar stuur hangt zie ik alleen wat verkreukelde Metro-krantjes. Ik ga een beetje op mijn tenen staan om te koekeloeren of er misschien niet iets markants in dat mandje ligt. Maar tevergeefs. Het is verder leeg. Net zo leeg als haar blik. Lucy Z. mompelt nog steeds. Of misschien lipsynct ze wel een zoet jukeboxliedje, nog uit de tijd dat ze een jong blomske was. Nog twee seconden en dan trekt de metro na het stoplicht op, om vervolgens de Boelelaan aan te tikken. Ik werp nog een allerlaatste blik op de achterkant van Lucy’s scootmobiel, en dan zie ik het opeens. Aan het tassenhaakje bungelt moederziel alleen een wit fietslampje, als een eenzame kerstengel. Diep van binnen moet ik huilen. Ik huil om Lucy Zilverfolie. En mijn dag moet nog beginnen.

Lucy wie? Check het hierrr.

Lonely op de Zuidas

Pubquizzen met eenzame ouwe besjes en baasjes. Vorige week organiseerde één van mijn favoriete organisaties, De Nieuwe Poort, dit event in de Week van de Eenzaamheid. Ok, vooruit er zat ook een vet praktische reden achter. DNP zit op de Zuidas, om de hoek van station Damsko Zuid, twee koprollen van de VU vandaan. Enfin. Ik had écht zin, om na een dag knallen op de VU, die eenzame oudjes te entertainen. Maar dan niet only the lonely, dus nam ik mattie Maarten mee (die voor het gemak ook in Damsko Zuid woont). Wat ik tof vind aan DNP, is dat het eigenlijk een enorme ballentent is waar voornamelijk Zuidas-yuppen hangen, maar dat de events en lezingen allemaal een zinsgevings- en/of sociaal component hebben. Ik vind het dikke prima dat al die royaalverdieners lekker kunnen omrollen in hun targetgeladen borrelpraat. En daarna met datzelfde bierige enthousiasme, vol gaan voor een kletspraatje met een eenzame oudere bijvoorbeeld. Vind ik leuk.

‘Ik heb Gabriël gezien, badend in het licht, echt waar’, probeert Henk, een bijna tandenloze zeventigplusser het ijs te breken. We zitten aan een tafeltje waarin ik ben ingedeeld samen met nog een andere eenzame dame ‘uit Perzië’ en twee millennials, die allebei bij ABNAMRO werken. Ik word direct geconfronteerd met Henk’s confession. En ik moet heftig naar het toilet. Vet vervelend. Want je weet dat hoe eindeloos Henk ook in de herhaling valt over zijn Gabriël, jouw luisterend oor een niet in geld uit te drukken cadeautje voor hem is till the day he dies. Dus hield ik de boel op, en luisterde ik naar Henk. Ik vroeg Henk of ie het niet eng vond om opeens zo’n stralend engelenapparaat in zijn kamer te zien. Nope. Want voor hem was dit zijn meest mooie ervaring in een bewogen leven met te veel zware momenten die hij terloops noemde (maar die ik hier gewoon even níet ga noemen). Iemand die zo veel troost vindt in een engel, en dan toch doodeenzaam is. Taai vond ik dat. Mattie Maarten zat ondertussen supergeanimeerd aan een ander tafeltje, met twee zilvergrijsharige gesoigneerde dames aan de witte wijn. Strakke actie, die wat mij betreft valt in de categorie: Hoe regel ik chicks met levenservaring- les 1 voor gevorderden.

Dit zijn geen eenzame oudjes mensen. Dit zijn stiefpa en mijn mama. Prachtig stel, omringd door liefde. Ik wens elke oudere zo'n leven toe.

Dit zijn geen eenzame oudjes mensen. Dit zijn stiefpa en mijn mama. Prachtig stel, omringd door liefde. Ik wens elke oudere zo’n leven toe.

De pubquiz zelf was de volgende brute confrontatie. Wij youngsters dachten vantevoren natuurlijk alle ‘hedendaagse vragen’ met twee vingers in de neus te kunnen fixen. Maar, die hele trits superpopulaire hitjes van het niveau Ed Sheeran die de pianist eruit knalde, zorgden vooral voor veel samengeknepen oogjes en het welbekende ‘shithoeheetidiezangeresnou!!’-repertoire. Ook hielp het niet dat de aan ons team toegewezen gay-oudere, Ben, totaal niet aangehaakt was aan onze missie. Onze missie om de hoofdprijs (borrelhapplateau) binnen te halen en weg te kunnen tijgeren. Nee joh. Ben die herkende geen enkel liedje (‘is dat uit mijn tijd??’, ‘is het waar??’) en kon het plaatje met een houten unit uit het jaar 10 voor Christus (lees: een ouderwetse tol) ook ‘echt niet’ thuisbrengen. Uh, organisatie der DNP, volgende keer wel even strenger recruiten aan de verzorgingstehuispoort a.u.b. Want dit was echt té hard werken voor ons puppies met Ben. Die, ondanks dat hij schitterde in afwezigheid, een frequent DNP-ganger bleek te zijn. ‘De vorige evenementen hier waren ook altijd heel gezellig hoor’, aldus Ben. Nja Ben, we pakken zo je wandelstok nog af. Met je gezellig. Maar gelukkig bleek Ben wél zijn waarde te tonen bij het onderdeel quotes. Bij een wereldberoemde wie-kent-m-niet-uitspraak, sprong hij namelijk spontaan van zijn stoel. Vorige week had Ben namelijk nog een film gezien met deze memorabele uitspraak erin. ‘Het is van Ghandi’. Ghandi was natuurlijk niet het juiste antwoord, maar het bitterballenfestival sleepten we uiteraard wel glorieus binnen. Hoezo sterk staaltje scenarioplanning. Daarna liep de zaal langzaam leeg. Ben bleef nog even hangen en Henk was zoek. Die bleek beneden aan de bar te zitten. Alleen. Met zijn rug naar de bierdrinkende millennials, turend naar de lila neonverlichting boven de bar. Zou hij Gabriël weer hebben gezien?

‘This life is what you make it. No matter what, you’re going to mess up sometimes, it’s a universal truth. But the good part is you get to decide how you’re going to mess it up.’ – Antwoord C: Marilyn Monroe.

Kom vooral zelf een keertje buurten bij DNP, vind ik ook leuk.

‘Hey collega, walk jij even mee met je broodje rosbief-unit?’

Lunchwandelen. Moet ooit bedacht zijn door een kantoorknakker tijdens zijn meest lamlendige kantinesessie ooit. Vreugdeloze boterhammen met humorloze plakken ham. De remi appel, de good old glas karnemelk tegen osteoperose. Iedereen kent deze superinspirerende Hollandsche lunchattributen. Allemaal doen ze dienst als hulptroepen die het gros van de kantinetafelgesprekken nog een beetje van niveau, sjeu en jus moeten voorzien. Van de ‘he he, nou nou, poeh poeh, tis me een weertje wel vandaag hoor, gelukkig smaakt mijn boterham met boterhamworst me weer helemaal prima. Hoe is die van jou? Kan je kijken of ik soep tussen m’n tanden heb?!’ tot de eindeloos uitgemolken ‘keje die nieuwe Netflix over die pelisieagente die haar eigen echtgenoot per ongeluk doodschoot al, uhm hoe heet die blonde ook alweer Henk?’ Kantinelunches. Het moest toch een keer ophouden met die claustrofobische, volkomen kansloze kantoorgesprekken. Het halfuurtje van je baas waarin je wordt geacht dertig tergende minuten over een kleffe boterham en je seksloze glas fruitsap aka water met suiker en een stuk of twintig E-nummers te doen. Met dat verfoeide non-descripte weerpraatje als ultieme topping. Bleh (en iedereen die dat nu glashard gaat zitten ontkennen lach ik snoeihard uit, seriously).

Nog even voor de hardleerse peoples die hier net komen binnenvallen: kantoorhangen is uit want een aanslag op je hart. Nee, dan lunchwandelen alias dartelen in kantoorpak. In combinatie met de vrije buitenlucht zorgt het namelijk voor dat felbegeerde glanzendgezonde blosje op je bleke, slechtdoorbloedde officeface. Bovendien is het gewoon gezond om de corporate bubbel met enige regelmaat te ontvluchten. Zodat je niet in een bedrijfsrobot transformeert, die nog enkel kan pruttelon over targets en return on investment-units. Dus kom ik ze op mijn mini-Appie Heyn’sprees’ in de lunchpauze steevast gezellig tegen. Mijn knappie Zuidasburen; complete pelotons aan mooie maatpakken en strakke mantelpakken die rechtstreeks uit de advocatenkantoren op de Zuidas, de Boelegracht oversteken naar de intens groene Willem van Weldammestraat. Allemaal aan de lunchwandelings richting de broodjesbar in het Gelderlandplein winkelcentrum.

Eerst euries klappen op kantoor, dan pas mag je buitenspelen, denk erom.

Eerst euries klappen op kantoor, dan pas mag je buitenspelen, denk erom.


Lunchwandelen. Volgens de Nederlandse Norm Gezond Bewegen zou 30 mins per dag volstaan. Make that 10 mins effectief wandelen waarvan 20 mins sloomsjokkend slap lullen over ‘goh blijft toch nice, ff naar buiten, lekker vitamine D klappen jongens’ of ‘zullen we hier de agile-uitkomsten nog even delen, nu we het er toch (nog steeds) over hebben?’.

Het is eigenlijk heel geestig om te zien dat het kantoorleven zich gewoon verplaatst naar buiten. De saaie kantooronderwerpen veranderen niet, maar worden gewoon in dat ene half uurtje naar buutn getransferd. Maar voor het ‘gevoel’ zijn de dudes en dudettes van het grote geld dan toch even aan de crazy Zuidas ontsnapt.

Op de weg terug kom ik weer een groepje wandelende dassen tegen: ‘Ik had het al tegen Thomas gezegd, dus. En alles was al besproken en uhm, wat doet zij? Zij gaat het weer hé-le-maal.. [ ]’ Ah kijk an. De knappe (dat dan weer wel) roddeljongons. Dan is zo’n besloten VIP-innercircle lunchwandelings zonder nieuwsgierige business-unitcollega’s toch echt wel reuzehandig hoor!

VUVUVOOM!

Sinds vorige week mag ik mezelf werknemer van de VU noemen, opgenomen in de grote familie der VU-kipjes*. In rap tempo heb ik het standaard inwerkrepertoire afgevinkt: jaarplannen, afdelingsplannen, cms, online personeelsregistratie. Als dit taarten waren geweest, dan had ik me nu officieel doodgevroten. Zo’n eerste week doet wat met je, het is intens. Maar vooral heul leuk, die nieuwe werkplek van me. Ben stiekem wel een beetje verliefd aan het worden. Dat komt omdat mijn entree Amsterdam Zuid is. Op het stationsplein moet ik me dus eerst invechten in de jasjes dasjes van de heren bankiers en advocaten die regeren op de Zuidas. En snijd ik uiteraard de pas af van chagrijnige dames vice presidents in hun Karen Millenpakjes en Prada high heels. Als midget zit ik namelijk continue in hun dode hoek. Vind ik leuk. Enfin. Zo’n 300 meter achter deze spiegelglazen kantoorkolossen van het grote geld, staan de VU-campus en VUmc mij tegemoet te shinen. Vastgoed waar in naam van de wetenschap belangrijke dingen worden gedaan. Misschien ook wel onderzoek naar Le Bankensector The Sequel?

Wat ik meteen al boeiend vind is de campus. Daar heerst serieus een superontspannen sfeertje. Hier lopen studenten en wetenschappers met een bepaalde attitude: chill, open, rustig. Maar ook heel opgewekt en positief. Ik vond het tijdens mijn studie op mijn Letterenfaculteit soms zo grauwig. Dat kwam waarschijnlijk omdat ik mezelf de hipste vond tussen die Neerlandistiek-gekkies en studenten die onmogelijke studierichtingen als Algemene Taalwetenschap volgden. Maar we dwalen af.

Ik voel de filosofie die de VU-grondleggers voor ogen hadden én hebben, letterlijk door de campus stromen. De VU als centrum van de wetenschap met een open cultuur en sterke ‘sense of community’ waar alle nationaliteiten zich welkom en veilig voelen. En normaal ben ik niet zo van de Feng Shui en die inclusiviteitsmarketing, maarrrr hier moet ik toch echt concluderen: it works works works works works. Eerlijk gezegd heb ik nul benchmarkmateriaal wat campuslife betreft. De Rijksuniversiteit Groningen kent immers geen campusstructuur. De oude klassieke studies zoals Rechten en (mijn studie) Letteren staan bijvoorbeeld in de oude Groninger binnenstad. De bêtafaculteiten ver weg van het centrum. Overigens komt het AMC, mijn vorige werkgever, aardig in de buurt van een campus. Met het academisch ziekenhuis en geneeskundefaculteit onder 1 dak. Alleen is hier het personeelsbestand vrij homogeen in doelstelling: alles en iedereen werkt er in naam van de medische wetenschappen.

Op de VU-campus is het diversiteit troef. Niet alleen in het studentenbestand maar ook qua studieaanbod. Hier worden studenten onder andere klaargestoomd tot theoloog, advocaat, pedagoog en neurochirurg. Bezinning, rechtsbijstand, jeugdonderwijs en zorg. Allemaal mensen die nodig zijn in civil society, om de ‘kleyne luyden’ te helpen waar mogelijk. Precies zoals VU-founding father Abraham Kuyper het allemaal bedoelde. Prima. Ik ga in elk geval wel lekker op den campusvibe. Deze VU-kip goes vuvuvoom!

*) VU-kip is de bijnaam voor de blauwe griffioen (hybridisch fabeldier half leeuw, half adelaar), het logo van de VU.

Het Aapje heeft de ziekenhuisblues

Ik loop graag rond in werelden die niet de mijne zijn. Bijvoorbeeld de wereld van medische mensen. Ziekenhuizen, ik hou er zo van. Niet dat ik een morbide taste heb voor zieke mensen. Het gaat mij om iets anders: de klinische geur van een ziekenhuis. Dat zit sinds mijn kindertijd in het collectieve geheugen. Ik had met mijn longonsteking-bronchitisdingen namelijk een abonnement op het ziekenhuis in Amstelveen. Mijn eerste opname was vrij snel na mijn geboorte. In rap tempo droogde ik uit tot een rozijntje. Ik was zes jaar oud toen ik met een zware longonsteking op de quarantaine-afdeling belandde. En de laatste keer dat ik als kind de klapdeuren van een ziekenzaal aantikte was ik geloof ik acht. Na een logeerpartij van twee weken werd ik uitgezwaaid door de specialisten: ‘da-hagh Ramona, en nou niet meer terugkomen hè!’ Met lamme bovenbenen vol beurse plekken van de ontelbare penicilline-prikken, omringd door die sterke hospital-odeur, verliet ik het ziekenhuis voorgoed.

Tien dagen geleden was ik voor het eerst in het AMC in Amsterdam. Twaalf jaar geleden lag ik op de IC van het VUmc, dat andere grote academisch ziekenhuis op de Zuidas. Ik brak na een jaarclubkerstdiner mijn linkerdijbeen. Mijn bot als een dik potlood in tweeën geknakt na een vrije val van een binnentrap. Maar goed. Ik ging die vrijdag dus naar het AMC voor een werkafspraak. Vanaf metrostation Holendrecht zag ik een soort Berlijnse Muur opdoemen. Het AMC als een gruwelijkgrauwe betonnen kolos dat heftig naar een stuk of honderd hogedrukspuitsessies snakt. Of doe maar niet. Want de grauwigheid blends perfectly met de rest van Bijlmer Betondistrict.

Eenmaal binnen wachtte mij een enorme verrassing: een megagroot overdekt, lichtdoorlatend binnenplein. Dat plein gekoppeld aan een labyrinth met gangen naar de verschillende verpleegafdelingen en OK’s. Veel gezellige bedrijvigheid langs de plinten. Een AH To Go, een kapper, AKO, de Starbucks, een Rituals (omdat de patiënt anno nu je acuut gaat dissen als je durft aan te komen met zeepkettingen van de Action). Ik voelde hier de energie. Van herstellende mensen, van helende mensen. Van mensen die het niet gered hebben. Leven, dood, alles.

Maar ik vond vooral de mix van deze community intrigerend. Strompelende patiënten met infuus als statement-accessoire. Bezoekers met wallen tot aan hun middenrif. Zwijgend aan de koffie, herstellende van een nacht doorhalen. Hoopvol wakend over dierbaren die op morfineshots liggen te ijlen in hun IC-ledikanten. En vooral heel, heel veel witte jassen. Jongens en meisjes met co-schappenswag. Gearriveerde dames en heren-artsen en specialisten die vooral heel, heel knapzak zaten te zijn. Ik voelde me heel, heel happy als figurant op deze filmset van Grey’s Anatomy van de Lage Landen. Ik voelde me, tezamen met die o zo vertrouwde ziekenhuisgeur, 1000% thuis.

Negenduizend peeps werken er in het AMC. 24/7 draait dit academisch medisch centrum op mensen die stinkend hun best doen om mensen beter te maken. Om een beter leven te schenken èn te gunnen aan patiënten die zichzelf niet kunnen fixen. Ook werken hier mensen die al die hardwerkende medici een werkomgeving bieden, op zo’n manier dat ze hun werk goed kunnen doen. Dat zijn ook ongelofelijk veel mensen. Van schoonmakers, blije receptionisten, IT tot HR. Een machtig mooie organisatie die draaiende wordt gehouden aan de achterkant door allerlei complexe systemen. Zodat aan de voorkant, de specialisten, artsen en het verplegend personeel zorgeloos hun ding kunnen doen. Mensen beter maken. Of, van zieke mensen op zijn minst een betere variant maken op de hoopjes ellende die ze nu zijn. Oh oh AMC. Jij laat mijn oude 020-hart alsnog sneller kloppen. Wat tof om bij je geweest te zijn, ook al was ik niet ziek.

*Sinds donderdag 2 juni ben ik interim communicatieadviseur HR bij het AMC. Yeah!